GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
Uitspraak: 20 maart 2014
Zaaknummer: HV 200.140.979/01
Zaaknummer eerste aanleg: 10/598 R
in de zaak in hoger beroep van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: [appellante],
advocaat: mr. F.J.M. Drykoningen.
5. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 27 februari 2014;
- de brief van mr. Drykoningen van 28 februari 2014.
In het tussenarrest is als datum van de mondelinge behandeling per abuis 20 februari 2014 in plaats van 19 februari 2014 vermeld.
Het hof heeft vervolgens datum voor arrest bepaald.
6. De verdere beoordeling
Bij genoemd tussenarrest van 27 februari 2014 heeft het hof zijn voornemen aangekondigd om aan de Hoge Raad de in onderdeel 3.7.9 van het hiervoor genoemde tussenarrest genoemde prejudiciële vraag te stellen. Vervolgens is aan [appellante] en aan de bewindvoerder de gelegenheid gegeven te reageren op het voornemen van het hof. Iedere verdere beslissing is daarbij aangehouden.
De advocaat van [appellante] heeft in zijn brief van 28 februari 2014 aangegeven dat [appellante] zich kan vinden in het voornemen van het hof. Daarbij is voorts het volgende aangegeven: “Ter zake de inhoud van de te stellen prejudiciële vraag stelt appellante voor dat de Hoge Raad zich in haar visie zou moeten uitlaten over de vraag of de termijn van de schuldsaneringsregeling kan worden verlengd na het verstrijken van [de] op grond van artikel 349a FW vastgestelde termijn, waardoor met terugwerkende kracht alle verplichtingen van de schuldsaneringsregeling voortduren tijdens de gewijzigde duur van de regeling”.
Van de bewindvoerder is geen reactie ontvangen.
Nadat de beslissing van de Hoge Raad is ontvangen zal het hof [appellante] en de bewindvoerder een termijn van vier weken geven om te reageren op die beslissing van de Hoge Raad, waarna het hof zich zal beraden over enige te nemen beslissing. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
7. De uitspraak
Het hof:
stelt de Hoge Raad de volgende rechtsvragen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing:
1. Is ex artikel 349a Fw verlenging mogelijk indien de in artikel 349a lid 1 Fw bedoelde termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling reeds is beëindigd?;
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: wat betekent dat voor de verplichtingen van de schuldenaar na afloop van de in artikel 349 a lid 1 Fw bedoelde termijn, maar voorafgaand aan de definitieve rechterlijke beslissing over de gevraagde verlenging?
draagt de griffier op onverwijld een afschrift van dit arrest en van het tussenarrest van 27 februari 2014 aan de Hoge Raad te zenden;
bepaalt dat na ontvangst van de beslissing van de Hoge Raad aan [appellante] en de bewindvoerder een termijn van vier weken zal worden gesteld voor een reactie op de beslissing van de Hoge Raad;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.F.M. Pols, C.N.M. Antens en R.R.M. de Moor en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2014.