GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.108.394/02
arrest van 21 oktober 2014
gewezen in de zaak van
hierna te noemen: respectievelijk de v.o.f., [appellant 2] en [appellante 3],
tezamen: [appellanten],
opposanten in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat: mr. V.E.J. Noelmans te Heerlen,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [plaats],
hierna te noemen: [geïntimeerde],
geopposeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. Y.J.M.L. Dijk te Roermond,
op het bij exploot van 17 april 2014 ingeleide verzet tegen de op 29 januari 2013, 21 mei 2013 en 4 maart 2014 onder zaaknummer HD 200.108.394/01 gewezen arresten van dit hof tussen [appellanten] als geïntimeerde en [geïntimeerde] als appellant.
1. De arresten van 29 januari 2013, 21 mei 2013 en 4 maart 2014
Bij genoemd arrest van 29 januari 2013 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van [geïntimeerde] en iedere verdere beslissing aangehouden.
Bij genoemd arrest van 21 mei 2013 heeft het hof [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep voor zover dit is gericht tegen het tussenvonnis van de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Roermond, van 6 september 2011, en [geïntimeerde] toegelaten in contra-enquête de genoemde getuigen te doen horen met betrekking tot de door de kantonrechter bij vonnis van 18 oktober 2011 aan [appellanten] verstrekte bewijsopdracht.
Bij genoemd arrest van 4 maart 2014 heeft het hof voor recht verklaard dat de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde, gelegen aan de [adres 1] te [plaats], niet rechtsgeldig door opzegging of een andere wijze van beëindiging is geëindigd tegen 1 juli 2010 en dat de huurovereenkomst voortduurt tot en met 30 juni 2014 dan wel tot en met de (bedoeld zal zijn: eerdere) datum waarop de huurovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd en [appellanten] veroordeeld – uitvoerbaar bij voorraad – :
en het meer of anders gevorderde afgewezen.
2. Het geding in verzet
[appellanten] heeft bij exploot van dagvaarding van 17 april 2014 verzet gedaan van de genoemde arresten van het hof en tevens twee incidentele vorderingen ingesteld. Bij bericht van 24 april 2014 heeft [appellanten] de incidentele vordering, [geïntimeerde] te veroordelen nader aangeduide stukken aan [appellanten] te doen toekomen, ingetrokken.
[geïntimeerde] heeft geen antwoordconclusie in het incident genomen.
[appellanten] heeft arrest gevraagd in het incident.
3. De beoordeling
De arresten waarvan [appellanten] verzet heeft gedaan, zijn arresten die op
tegenspraak zijn gewezen. Immers: nadat tegen [appellanten] als geïntimeerde verstek was verleend wegens het niet voldaan hebben van het griffierecht, heeft [appellanten] op 7 augustus 2012 alsnog het griffierecht voldaan, waardoor de gevolgen van het verleende verstek zijn vervallen, behalve ten aanzien van de daardoor veroorzaakte kosten (artikel 142 Rv). Hieruit volgt dat de na zuivering van het verstek gewezen arresten op tegenspraak gewezen arresten zijn, ook al is het hof er bij het wijzen van de arresten van uitgegaan dat [appellanten] niet was verschenen; vergelijk HR 15 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1094. Uit artikel 143 Rv lijkt dan te volgen dat verzet tegen de arresten niet openstaat.
Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over de
ontvankelijkheid in het verzet. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
4. De beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 4 november 2014 voor akte aan de zijde van [appellanten] met het hiervoor onder 3.2. vermelde doel, waarna [geïntimeerde] in de gelegenheid zal worden gesteld hierop bij antwoordakte te reageren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en M.G.W.M. Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op21 oktober 2014.