E. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs:
E1
De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het (primair, subsidiair en meer subsidiair) tenlastegelegde.
De officier van justitie is tegen dit vonnis in beroep gegaan en de advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd verdachte te veroordelen ten aanzien van het primair tenlastegelegde, zijnde moord op [slachtoffer].
Door de verdediging is bepleit dat verdachte, bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs, dient te worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.
Door de verdediging is hiertoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd:
a. De aanhouding van verdachte op 9 maart 2009 was onrechtmatig nu er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. De bij de aanhouding in beslag genomen zaken (het flesje minoxidil en de amitriptyline), alsmede de resultaten van de doorzoeking op 9 maart 2009 dienen op grond hiervan van het bewijs te worden uitgesloten.
Verdachte is ten onrechte in verzekering gesteld met als gevolg dat de verhoren van verdachte die tijdens de in verzekeringstelling zijn afgenomen van het bewijs dienen te worden uitgesloten;
Er is onvoldoende causaal verband tussen het overlijden van [slachtoffer] en de aanwezigheid van minoxidil in zijn lichaam;
Er is geen bewijs dat verdachte de minoxidil aan [slachtoffer] heeft toegediend;
Er is geen sprake van opzet op mishandeling, de dood ten gevolge hebbend;
Er is geen sprake van het in hulpeloze toestand brengen of achterlaten van [slachtoffer].
Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
Ten aanzien van het onder a gestelde
E2.1
Vooropgesteld leest het hof het verweer als gericht te zijn op de onrechtmatigheid van het verkregen bewijs door toepassing van de aanhouding en in verzekeringstelling van verdachte als vrijheidsbenemende dwangmiddelen.
Alvorens in te gaan op de vraag of sprake was van een redelijk vermoeden van schuld stelt het hof op grond van het hiervoor onder A1 en A2 weergegevene vast dat verdachte, die als bewoner van de woning [adres] kan worden aangemerkt, op 8 maart 2009 toestemming heeft gegeven tot doorzoeking van deze woning. Aldus is de woning met toestemming van verdachte doorzocht en zijn de daarbij inbeslaggenomen zaken rechtmatig verkregen. is reeds om die reden geen sprake van een vormverzuim, zodat het bepaalde bij artikel 359a Sv toepassing mist.
E2.2
Ten aanzien van de rechtmatigheid van de aanhouding en in verzekeringstelling van verdachte overweegt het hof het volgende.
Voor aanhouding van een verdachte buiten heterdaad dient een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit te bestaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit wordt vastgesteld op basis van de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de aanhouding.
E2.3
Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast:
E2.4
Op basis van de bevindingen, zoals die blijken uit het onder E2.3 weergegevene, was er naar het oordeel van het hof jegens verdachte sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit ten tijde van haar aanhouding. De aanhouding was mitsdien rechtmatig.
De bij de aanhouding van verdachte in beslag genomen zaken (het flesje minoxidil en de amitriptyline), worden derhalve geacht rechtmatig te zijn verkregen, zodat het bepaalde bij artikel 359a Sv toepassing mist.
E2.5
Na de aanhouding van verdachte om 00.15 uur op 9 maart 2009 is verdachte verhoord, alsmede de zoon van het slachtoffer en [vriend slachtoffer], waarna verdachte om 14.30 uur die dag in verzekering is gesteld. Uit de verklaringen van de zoon en [vriend slachtoffer] komt een beeld naar voren van een geleidelijk aan slechter wordende relatie tussen verdachte en het slachtoffer. Gelet op het hiervoor onder E2.3 weergegevene, alsmede het bepaalde in de artikelen 57, eerste lid, en 58, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, kan de inverzekeringstelling van verdachte naar het oordeel van het hof als rechtmatig worden aangemerkt. De verhoren van verdachte die tijdens de in verzekeringstelling zijn afgenomen, worden derhalve geacht rechtmatig te zijn, zodat het bepaalde bij artikel 359a Sv toepassing mist.
Het verweer onder a wordt in al zijn onderdelen verworpen.
Ten aanzien van het onder b gestelde
E3.1
Het hof stelt voorop dat de beantwoording van de vraag of causaal verband bestaat tussen de door de verdachte verweten gedraging(en) – in casu te drinken geven en/of (ter consumptie) aanbieden en/of achterlaten en/of laten innemen en/of laten (op) drinken van een hoeveelheid van een middel/vloeistof, bevattende minoxidil en/of één of meer andere voor de gezondheid schadelijke stoffen (waaronder amitriptyline), al dan niet gemengd met een (alcohol houdende) drank (te weten Rua Vieja) – en de dood van [slachtoffer] dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of de dood van [slachtoffer] redelijkerwijs als gevolg van de genoemde gedraging(en) aan de verdachte kan worden toegerekend. Dit betekent in de onderhavige zaak dat allereerst de vraag moet worden beantwoord of er causaal verband bestaat tussen het overlijden van [slachtoffer] en de aanwezigheid van Minoxidil in zijn lichaam. Voor het redelijkerwijs toerekenen van dit gevolg (het overlijden van [slachtoffer]) aan verdachte is ten minste vereist dat wordt vastgesteld dat de gedraging(en) van verdachte – resulterend in het (laten) innemen van de Minoxidil – een onmiskenbare schakel kan hebben gevormd in hetgeen tot het overlijden van [slachtoffer] heeft geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het overlijden van [slachtoffer] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het innemen van Minoxidil is veroorzaakt. De toerekenbaarheid hangt daarbij af van de omstandigheden van het geval, waarbij in het onderhavige geval onder andere meeweegt in hoeverre het (laten) innemen van Minoxidil in de gegeven omstandigheden naar haar aard geschikt is om de dood van [slachtoffer] te weeg te brengen. Hierbij dient ook betrokken te worden in hoeverre aannemelijk is geworden dat andere oorzaken, zoals in casu het zwakke hart van [slachtoffer] en zijn forse alcoholgebruik, op zichzelf hoogstwaarschijnlijk niet tot het overlijden van [slachtoffer] hebben geleid.
E3.2
Met betrekking tot de vraag wat de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] is geweest, is door verschillende deskundigen onderzoek verricht en is het volgende gerapporteerd:
- “ “Het longoedeem en de volle blaas zijn niet specifiek, maar komen onder andere vaak voor bij intoxicaties. Er waren geen aanwijzingen voor ziekelijke orgaanafwijkingen die het intreden van de dood zonder meer zouden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest zouden zijn.”
(dr. Kubat, arts-patholoog, voorlopige sectie, bewijsmiddel B3);
- “ “De bij het toxicologisch onderzoek aangetoonde middelen, met name de hoge minoxidil concentratie in combinatie met alcohol, kunnen aanleiding geweest zijn voor het overlijden. Deze middelen kunnen een daling van de bloeddruk veroorzaken waardoor verschillende levensbelangrijke functies verstoord kunnen raken of kunnen uitvallen. Dit kan ook de hartfunctie betreffen, zeker wanneer het hart tevoren al niet geheel gezond was. Een dergelijke verstoring of uitval van de hartfunctie leidt dan tot een verdere verslechtering van de algehele toestand en uiteindelijk tot de dood.
Conclusie
Het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard door een intoxicatie met meerdere middelen, al dan niet in combinatie met ziekelijke afwijkingen aan het hart. Een andere doodsoorzaak is bij sectie niet gebleken.”
(dr. Kubat definitieve sectie, bewijsmiddel B4)
- “ “Bij [slachtoffer] was een zeer hoge concentratie Minoxidil in het femoraalbloed aanwezig. De aanwezigheid van een dergelijk hoge spiegel kan op zich reeds en zeker in combinatie met hoog alcohol en de beschreven hartafwijkingen het acuut intreden van de dood zonder meer verklaren. Alles tezamen kan ook na beschouwing van de medische voorgeschiedenis worden gesteld dat het intreden van de dood bij [slachtoffer] vrijwel zeker gelegen is in de combinatie van een ernstig ziekelijk voorbelast hart, een zeer hoog alcoholpromillage en de aanwezigheid van hoog gedoseerd Minoxidil.”
(Dr. Van de Goot, arts-patholoog, herbeoordeling sectierapport, bewijsmiddel B5);
- “ “De conclusie blijft derhalve gehandhaafd dat het intreden van de dood bij [slachtoffer] gelegen is in de combinatie van een ernstig ziekelijk voorbelast hart, een hoge alcoholpromillage en de aanwezigheid van minoxidil in het bloed.”
(Dr. Van de Goot, herbeoordeling aanvullende rapportage, bewijsmiddel B6);
- “ “De resultaten van beide contraonderzoeken komen met de resultaten van de NFI-rapporten overeen. Ik blijf derhalve bij de door mij eerder gestelde conclusies.”
(Dr. Kubat, beantwoording aanvullende vragen contra-expertise, bewijsmiddel B7);
- “ “De hoge minoxidilconcentratie in combinatie met de alcoholconcentratie, kunnen aanleiding geweest zijn voor het overlijden van [slachtoffer].” “Bij uitsluiting van een andere doodsoorzaak zou het overlijden van [slachtoffer] kunnen worden verklaard door de met het toxicologisch onderzoek in het femoraal bloed van [slachtoffer] gemeten concentratie van ongeveer 3,7 mg/l minoxidil.”
(Dr. M. Verschraagen, rapportage toxicologisch onderzoek, bewijsmiddelen C2 en C3)
E3.3
Het hof leidt uit de hiervoor weergegeven conclusies en bevindingen af dat het overlijden van [slachtoffer] door de deskundigen verklaard wordt door de combinatie van een ernstig ziekelijk voorbelast hart, een hoog alcoholpromillage en de aanwezigheid van minoxidil in het bloed. Het hof leidt tevens uit de hiervoor weergegeven conclusies en bevindingen af dat het (laten) innemen van de Minoxidil een onmiskenbare schakel kan hebben gevormd in hetgeen tot het overlijden van [slachtoffer] heeft geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het overlijden van [slachtoffer] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het innemen van Minoxidil is veroorzaakt. Dat het zwakke hart en het hoge alcoholpromillage op zichzelf reeds tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid, acht het hof gelet op de hiervoor weergegeven bevindingen van de deskundigen hoogst onwaarschijnlijk.
De bevindingen van [medisch adviseur] d.d. 27 augustus 2009 maken dit naar het oordeel van het hof niet anders. Het hof is niet gebleken van zodanige gebreken of onjuistheden in de door dr. Kubat, dr. Van de Goot en dr. Verschraagen uitgebrachte rapportages, dat daaraan geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Het hof hecht in dat opzicht bovendien meer waarde aan de bevindingen van een arts-patholoog (zoals dr. Kubat en dr. Van de Goot), dan aan de bevindingen van een arts-medisch adviseur.
Het hof komt dan ook tot de conclusie dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat [slachtoffer] ook zou zijn overleden als hij niet een dergelijke hoeveelheid Minoxidil in zijn lichaam had gekregen. Het causaal verband tussen het overlijden van [slachtoffer] en de aanwezigheid van Minoxidil in zijn lichaam staat hiermee naar het oordeel van het hof vast.
Het verweer onder b wordt in al zijn onderdelen verworpen.
Ten aanzien van het onder c gestelde
E4.1
Voor de beantwoording van de vraag hoe de Minoxidil in het lichaam van [slachtoffer] terecht is gekomen, acht het hof het volgende van belang:
E4.2
Zoals hiervoor onder E3 is overwogen staat naar het oordeel van het hof vast dat [slachtoffer] op 8 maart 2009 is overleden doordat hij een hoge dosering van het middel minoxidil heeft binnen gekregen. Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat deze minoxidil zich in de fles Rua Vieja en in het sherryglas heeft bevonden en dat [slachtoffer] dit middel binnen heeft gekregen doordat het middel (al dan niet gemengd met de zich nog in de fles Rua Vieja bevindende alcoholische drank) vanuit de fles Rua Vieja in het sherryglas is gegoten en vervolgens door [slachtoffer] is opgedronken, dan wel vanuit de fles Rua Vieja direct door [slachtoffer] is opgedronken.
E4.3
Uit de hiervoor onder E.4.1 weergegeven feiten en omstandigheden leidt het hof af dat het verdachte zou kunnen zijn geweest die de minoxidil in de fles Rua Vieja en/of het sherryglas heeft gegoten ten einde te bewerkstelligen dat [slachtoffer] het middel zou opdrinken.
E4.4
Verdachte heeft steeds ontkend dat zij haar echtgenoot minoxidil heeft toegediend/laten opdrinken op de wijze als ten laste gelegd. Ten verweer en ter ondersteuning van die stelling is aangevoerd dat er zeer wel een alternatief scenario denkbaar is. Door de verdediging zijn de volgende scenario’s genoemd:
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of één van deze alternatieve scenario’s reëel is en of daarvoor ondersteunend bewijs te vinden is in het dossier.
Een vergissing dan wel zucht naar alcohol door [slachtoffer]?
E4.5
Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat de minoxidil in de fles Rua Vieja en in het sherryglas is aangetroffen. Het middel is derhalve niet (bij vergissing of in een zucht naar alcohol) rechtstreeks uit het flesje opgedronken, maar eerst uitgeschonken. Het middel werd niet door [slachtoffer] gebruikt en had bovendien een geur van chemische alcohol. Het hof acht dan ook volstrekt niet aannemelijk dat [slachtoffer] dit middel bij vergissing, dan wel in een zucht naar alcohol voor zich zelf heeft uitgeschonken/gemengd met de Rua Vieja in het sherryglas. In het lichaam van [slachtoffer] is tevens amitriptyline aangetroffen, eveneens een medicijn dat door verdachte en niet door [slachtoffer] werd gebruikt. [slachtoffer] zou zich dan ook hierin moeten hebben vergist, terwijl uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij vlak voor zijn overlijden ook zijn gebruikelijke medicatie heeft geslikt.
Het hof acht het scenario dat [slachtoffer] bij vergissing, dan wel in een zucht naar alcohol uit het flesje met minoxidil heeft gedronken, volstrekt niet aannemelijk geworden.
Het verweer wordt in zoverre verworpen.
(Poging tot) zelfmoord door [slachtoffer]?
E4.6
Het hof stelt vast dat in het dossier geen enkele aanwijzing te vinden is voor het scenario dat [slachtoffer] zichzelf op 8 maart 2009 van het leven heeft willen beroven.
Integendeel,
Het scenario dat [slachtoffer] zichzelf op 8 maart 2009 van het leven heeft beroofd is naar het oordeel van het hof dan ook volstrekt niet aannemelijk geworden.
Het verweer wordt in zoverre verworpen.
E4.7
Het vorenstaande dient naar het oordeel van het hof tot de conclusie te leiden dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de persoon is geweest die de minoxidil (bestemd voor [slachtoffer]) in de fles RuaVieja en/of het sherryglas heeft gegoten ten einde te bewerkstelligen dat het middel in het lichaam [slachtoffer] terecht zou komen.
Het verweer onder c wordt in al zijn onderdelen verworpen.
E4.8
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte met dit handelen het opzet heeft gehad om [slachtoffer] om het leven te brengen.
Het hof is van oordeel dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Op het etiket van het bruine medicijnflesje met zwarte dop, bevattende haargroeimiddel, staat enkel de informatie vermeld dat het middel voor uitwendig gebruik is bedoeld. Er staat niet op vermeld dat het middel minoxidil bevat en verdachte heeft verklaard dat zij geen bijsluiter heeft ontvangen toen zij het middel, met het oog op haar haaruitval, in België heeft afgehaald. Ook overigens blijkt niet uit het dossier, dat verdachte bekend was met het feit dat het haargroeimiddel dat zij gebruikte minoxidil bevatte, en dat verdachte bekend was met de werking van minoxidil bij orale inname. Het hof kan op grond van het onderzoek ter terechtzitting dan ook niet vaststellen dat het opzet van verdachte – ook niet in voorwaardelijke zin – was gericht op de dood van [slachtoffer].
Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair ten laste gelegde.
E4.9
Anders dan de raadsman is het hof wel van oordeel dat door het handelen van verdachte (minst genomen) sprake was van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van pijn, letsel of benadeling van de gezondheid van [slachtoffer]. Ingevolge artikel 300, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt met mishandeling gelijkgesteld opzettelijke benadeling van de gezondheid. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in het onderhavige geval impliciet vereist ten aanzien van het toebrengen van pijn, letsel of benadeling van de gezondheid – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal daarbij moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
E4.10
Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte is een bruin medicijnflesje met zwarte dop, bevattende haargroeimiddel, aangetroffen, welk flesje verdachte in haar zak had zitten toen zij werd aangehouden. Dit flesje blijkt het middel te bevatten dat in het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat zij dit middel gebruikte in verband met haaruitval. Zij deed het op haar vingers of mengde het in een kom met andere middelen en smeerde het vervolgens op haar huid. Op het etiket van het flesje staat omschreven dat het voor uitwendig gebruik diende. De apotheker waar het flesje vandaan komt, heeft bevestigd dat het middel enkel voor uitwendig gebruik is bestemd. Mede gezien de omstandigheid dat verdachte nadrukkelijk op de hoogte was van de fysieke klachten van haar echtgenoot (hoge bloeddruk en het zwakke hart) en zijn overmatige alcoholgebruik volgt naar het oordeel van het hof dat verdachte door het inwendig (laten) gebruiken van het haargroeimiddel door haar echtgenoot minst genomen de aanmerkelijke kans op het toebrengen van pijn of letsel, dan wel het benadelen van de gezondheid van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard.
Het hof acht het opzet op mishandeling, de dood ten gevolge hebbend, zoals subsidiair ten laste gelegd dan ook wettig en overtuigend bewezen.
E4.11
Met betrekking tot de vraag of verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad, overweegt het hof het volgende.
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Het hof is van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat het door verdachte aan [slachtoffer] te drinken geven en/of ter consumptie achterlaten en/of laten innemen en/of laten opdrinken van minoxidil het gevolg is geweest van een tevoren door verdachte genomen besluit en dat zij tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering daarvan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Het hof is daarom van oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.
E4.12
Op grond van het vorenstaande concludeert het hof dat het opzet van de verdachte minst genomen in voorwaardelijke zin gericht was op het mishandelen van [slachtoffer], hetgeen de dood van [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad, en dat verdachte daarbij heeft gehandeld met voorbedachte raad. Het hof acht het subsidiair ten laste gelegde feit derhalve bewezen.
Het verweer onder d wordt in al zijn onderdelen verworpen. Gelet hierop behoeft het verweer onder e geen bespreking meer.
Bewezenverklaring
Op grond van de hiervoor onder E door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, zoals die naar voren komen uit de daaraan onder A tot en met E opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat zij:
op tijdstippen omstreeks 08 maart 2009 in Kattendijke, gemeente Goes, opzettelijk en met voorbedachten rade, mishandelend
een persoon, te weten [slachtoffer], (verdachtes wettige echtgenoot) telkens na kalm beraad en rustig overleg,
een hoeveelheid van een middel/vloeistof, bevattende minoxidil, al dan niet gemengd met een alcohol houdende drank te weten Rua Vieja, heeft
welk feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 301, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, en levert op:
Mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Op te leggen straf
F1
Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling gepleegd met voorbedachte raad, de dood ten gevolge hebbend.
Het hof overweegt als volgt.
F2
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren
is gekomen.
F3
Het hof neemt de volgende omstandigheden in aanmerking.
• De verdachte heeft haar echtgenoot [slachtoffer] in hun eigen woning mishandeld door een haargroeimiddel toe te voegen aan de drank waarvan zij wist dat haar echtgenoot, welke al een zwakke gezondheid had, die zou gaan nuttigen, hetgeen vervolgens de dood van [slachtoffer] tot gevolg gehad.
• Verdachte heeft met dit zeer geraffineerde handelen de kinderen, familie en vrienden van [slachtoffer] veel leed toegebracht. De kinderen hebben geen afscheid kunnen nemen van hun vader en moeten verder leven met de wetenschap dat hij geen natuurlijke dood is gestorven.
F4
Gelet hierop is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor lange duur met zich brengt. Daarbij is in algemene zin rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Een strafverhogende omstandigheid is in dit geval dat het slachtoffer de echtgenoot van verdachte betreft en dat verdachte zo geraffineerd heeft gehandeld dat haar echtgenoot zich op geen enkele wijze heeft kunnen weren.
F5
Alles afwegende is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 jaar passend en geboden is. Een vrijheidsstraf van kortere duur brengt de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking.
Voorlopige hechtenis
Bij de onderhavige uitspraak wordt verdachte ter zake mishandeling met voorbedachte raad, de dood ten gevolge hebbend, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 jaren. Verdachte wordt aldus veroordeeld voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Bovendien is naar het oordeel van het hof, gelet op de aard van het bewezen verklaarde feit, de rechtsorde door dat bewezen verklaarde feit ernstig geschokt. Het tijdsverloop maakt dat niet anders. Dit brengt mee dat sprake is van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming van verdachte vordert. De omstandigheid dat een eerder gegeven bevel tot voorlopige hechtenis is opgeheven, maakt dit niet anders. Het hof zal dan ook de gevangenneming van de verdachte bevelen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 301 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de gevangenneming van de verdachte, welk bevel apart zal worden geminuteerd.
Aldus gewezen door
mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,
mr. M.L.P. van Cruchten en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blokx-van Roosmalen, griffier,
en op 4 maart 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. M.L.P. van Cruchten is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen