ECLI:NL:GHSHE:2015:1487

ECLI:NL:GHSHE:2015:1487, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21-04-2015, HD200.154.127_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 21-04-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer HD200.154.127_01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBOBR:2014:3326
Formele relatie: ECLI:NL:RBOBR:2013:4032
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:1469
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 12 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005289 BWBR0005291

Samenvatting

geen verjaring ex art. 105 BW van strook gemeente grond; aan bezit te stellen eisen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.154.127/01

arrest van 21 april 2015

in de zaak van

1. [appellante 1],wonende te [woonplaats 1],

2. [Holding] Holding BV,gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [appellante 3 ],wonende te [woonplaats 2],

appellanten,

hierna aan te duiden als [appellanten],

advocaat: mr. M.J. Willemsen te Breda,

tegen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

gevestigd te Nuenen,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de gemeente,

advocaat: mr. A.M.E. van Wijk-Driessen te Nijmegen,

op het bij exploot van dagvaarding van 25 juli 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 28 mei 2014, gewezen tussen [appellanten] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en de gemeente als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/257451 HA ZA 13-35)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane tussenvonnis van 13 maart 2013, waarbij een comparitie van partijen werd bepaald en waarna tot een descente met comparitie werd overgegaan.

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

3.1.1. Het gaat in deze zaak om het volgende:

3.1.2. De gemeente heeft in eerste aanleg in conventie, na wijziging van eis, gevorderd, kort samengevat:- (I t/m VI): verklaringen voor recht dat [appellanten] niet door verjaring eigendom hebben verkregen van de tuinstrook en de groenstrook op het perceel van de gemeente;- (VII t/m XII): verklaringen voor recht dat de gemeente (onbezwaard) eigenaar is van de tuinstrook en de groenstrook achter de percelen [straatnaam] [1], [2] en [3]; - (XIII t/m XVIII: veroordeling van [appellanten] tot ontruiming van de tuinstrook en de groenstrook, op straffe van verbeurte van een dwangsom;- (XIX) veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.

3.1.3. [appellanten] vorderden in reconventie, na wijziging van de eis in reconventie, kort samengevat, primair:I. verklaring voor recht dat de strook grond van 30 bij circa 5,5 meter achter hun percelen eigendom is geworden van [appellanten] door verjaring ex art. 3:105 BW juncto art. 3:306 BW; II. veroordeling van de gemeente tot medewerking aan de inschrijving van die eigendomsverkrijging in de openbare registers, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

III. veroordeling van de gemeente tot betaling van een bedrag van € 7.000,= aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 november 2011;

IV. veroordeling van de gemeente tot vergoeding van door [appellanten] gemaakte buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

V. veroordeling van de gemeente in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

Subsidiair vorderden [appellanten] verklaringen voor recht van verkrijging van eigendom van de door ieder van hen gebruikte delen van de groenstrook van 5,5 meter en medewerking van de gemeente tot inschrijving daarvan in de openbare registers (vorderingen I t/m IV) met de andere hiervoor genoemde vorderingen (subsidiair genummerd als V t/m VII).

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de vorderingen in conventie (met een samenvattend dictum) toegewezen en de vorderingen van [appellanten] in reconventie afgewezen. De rechtbank legde daaraan de overweging ten grondslag dat, kort samengevat, het enkele gebruik door [appellanten] van de strook grond van de gemeente onvoldoende was om te worden beschouwd als bezitsdaad van [appellanten] met de intentie zich die grond toe te eigenen. Volgens de rechtbank hebben [appellanten] onvoldoende feiten gesteld om op grond van verkeersopvatting te kunnen aannemen dat zij de tuin- en groenstroken voor zichzelf hebben willen bezitten en de gemeente dat bezit heeft prijsgegeven (r.o. 4.8 vs).

[appellanten] hebben in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. In de grieven I t/m V richten [appellanten] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende uiterlijke feiten zijn gesteld om te kunnen concluderen tot een bezitten voor zichzelf van [appellanten] en hun rechtsvoorgangers en bezitsverlies van de gemeente dat tot verkrijging van eigendom door [appellanten] door extinctieve verjaring heeft geleid. In grief VI komen [appellanten] op tegen het daarop stoelende oordeel van de rechtbank dat om die reden de vorderingen van [appellanten] in reconventie moeten worden afgewezen en de vordering van de gemeente in conventie toewijsbaar is. Grief VII is gericht tegen de veroordeling van [appellanten] in de proceskosten van het geding in conventie en in reconventie. [appellanten] hebben geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van hun vorderingen.

Het hof acht door de grieven I t/m V de vraag of [appellanten] al dan niet door verjaring de eigendom hebben verkregen van de circa 30 meter brede tuinstrook en groenstrook opnieuw aan zijn oordeel onderworpen. Het hof zal voormelde grieven hierna gezamenlijk bespreken en alleen waar nodig expliciet op enige grief afzonderlijk ingaan.

[appellanten] beroepen zich op het door hen zijn verkregen van de eigendom van een aan hun percelen grenzende strook grond van het perceel van de gemeente van circa 5,5 meter (de tuinstrook + de groenstrook) dan wel van 3 meter (de tuinstrook) op grond van verjaring als voorzien in art. 3:105 BW (verkrijging door bezit en het verjaard zijn van het vorderingsrecht van de eigenaar tot beëindiging van dat bezit).

Voor verkrijgende verjaring op de voet van art. 3:105 BW is in de eerste plaats vereist dat sprake is geweest van bezit van [appellanten] (en eventuele rechtsvoorgangers). De vraag of sprake is van bezit dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van art. 3:107 e.v. [appellanten] moeten de strook grond naar buiten kenbaar ondubbelzinnig hebben gehouden voor zichzelf met de pretentie daarvan de rechthebbende te zijn. Hun intentie om het goed voor zichzelf te houden en het bezit daarvan aan de eigenaar te onttrekken moet blijken uit uiterlijk waarneembare feiten waaruit naar verkeersopvattingen die intentie kan worden afgeleid. Voor verkrijgende verjaring op de voet van art. 3:105 BW is verder vereist dat de eigenaar gedurende (meer dan) twintig jaar geen actie heeft ondernomen tegen het verlies van zijn bezit van de eigendom.

De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof bij haar beoordeling van de door [appellanten] gestelde feiten en omstandigheden, waaruit volgens [appellanten] zou blijken van bezit van hen en hun rechtsvoorgangers van de strook grond, terecht vooropgesteld dat bij onroerende zaken – die men niet van hun plaats kan wegvoeren en waarvan de eigendom is geregistreerd in notariële aktes van levering die bij het kadaster worden ingeschreven – niet snel een intentie tot het houden voor zichzelf door een niet rechthebbende pleegt te worden aangenomen. Dat geldt naar het oordeel van het hof temeer bij stroken publieke eigendom die grenzen aan percelen die aan privépersonen in eigendom toebehoren. Dat eigenaren of huurders en/of andere gebruikers van belendende privé-percelen gebruik maken van dergelijke stroken grond en/of deze onderhouden ter verhoging van het genot van hun privé-percelen is niet ongebruikelijk. Enige ondubbelzinnige blijk van enige pretentie van de niet-rechthebbende om de strook grond voor zichzelf te houden en zich deze toe te eigenen, kan daar niet zonder meer in gelegen worden geacht.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat in de gegeven situatie, waar de groenstrook van het perceel van de gemeente voor de woningen aan de [straatnaam] een natuurlijke omzoming van de achtertuinen vormde, het in die groenstrook aanbrengen van een afscheiding van paaltjes met gaas of draad om de bewegingsvrijheid van honden en/of kinderen te beperken, niet valt te scharen onder uiterlijk waarneembare gedragingen waaruit naar verkeersopvatting ondubbelzinnig een gaan houden voor zichzelf met onttrekking van bezit aan de gemeente kan worden afgeleid. Het hof deelt verder dat zelfde oordeel van de rechtbank ten aanzien van het gebruik van de strook grond voor het plaatsen van roerende zaken als genoemd in r.o. 4.4.1 onder d van het beroepen vonnis. Voor het plaatsen van een kippenhok, speelhuis voor kinderen en/of een houtopslag, het in privé aanbrengen van beplantingen en het onderhouden daarvan en van de door de gemeente aangebrachte beplanting en het aanbrengen van doorgangen in de afscheiding, geldt naar het oordeel van het hof eveneens dat daaruit nog niet ondubbelzinnig blijkt van een pretentie om de strook grond aan het eigendomsrecht van de gemeente te onttrekken en voor zichzelf te gaan houden. Aan de door [appellanten] overgelegde verklaringen van hun rechtsvoorgangers waaruit van zodanige afscheidingen en gebruik van de strook grond van de gemeente blijkt kan daarom geen bewijs worden ontleend voor enig reeds door de rechtsvoorgangers van [appellanten] uitgeoefend bezit voor zichzelf. De stelling van [appellanten] dat een speelhuis en een houtopslag niet als roerende zaken zouden zijn aan te merken en de vraag sinds wanneer zaken als hiervoor vermeld op de tuinstrook en/of groenstrook aanwezig zijn geweest, zijn gezien het hiervoor overwogene niet relevant en behoeven geen verdere bespreking.

De rechtbank heeft verder terecht opgemerkt dat bovendien het verzoek van [appellanten] in 1998 om de strook grond van de gemeente te kopen onverenigbaar is met enige eigenaarspretentie van de strook grond. [appellanten] stellen wel terecht dat het verzoek van [appellanten] in 1998 niet kan afdoen aan een eenmaal voltooide verkrijging door verjaring. Dat neemt echter niet weg dat in dat geval uit het verzoek van [appellanten] aan de gemeente moet worden geconcludeerd dat hij de desbetreffende strook grond kennelijk niet door zijn rechtsvoorganger in eigendom geleverd heeft gekregen en dat hij deze vervolgens evenmin is gaan houden voor zichzelf. Dit ligt hooguit anders voor de plaats waar de rechtsvoorganger van [appellanten] op perceel [1] een broeikas hadden die deels op het perceel van de gemeente gelegen was. [appellanten] stellen in hoger beroep dat deze broeikas bij de eigendomsoverdracht van perceel [1] wel aan [appellanten] is geleverd en pas nadien met toestemming van [appellanten] door de rechtsvoorganger is teruggenomen en dat [appellanten] vervolgens op de plaats waar de broeikas stond een open schuur heeft aangebracht. Nu volgens de door [appellanten] overgelegde verklaring van voormelde rechtsvoorganger ([rechtsvoorganger], prod. 5 mem.v.grieven) die broeikas in 1987 is gebouwd doet zich ten aanzien van de broeikas, voor zover gelegen op het perceel van de gemeente, echter niet de situatie voor dat een daaruit mogelijk af te leiden bezit van het desbetreffende gedeelte van het perceel van de gemeente reeds twintig jaar had geduurd ten tijde van de in het verzoek van 1998 gelegen erkenning van [appellanten] van de eigendom van de gemeente van (ook) dat deel van de strook grond.

De vraag of [appellanten] zelf na hun aankoop van de percelen op enig moment door uiterlijk waarneembare gedragingen ondubbelzinnig bezit van de aan de gemeente in eigendom toebehorende tuinstrook en/of groenstrook hebben genomen, kan verder onbesproken blijven nu sedert de door [appellanten] voor dergelijk bezit gestelde gedragingen nog geen twintig jaar is verlopen totdat de gemeente in het onderhavige geding in conventie bij dagvaarding van 28 december 2012 haar recht op de eigendom van de strook grond heeft doen gelden.

Op grond van het voorgaande falen de door [appellanten] tegen het vonnis van de rechtbank aangevoerde grieven I t/m V en kunnen de daarop stoelende grieven VI en VII evenmin doel treffen. In grief VI stellen [appellanten] wel dat de rechtbank hun vordering tot schadevergoeding en vergoeding van door hen gemaakte buitengerechtelijke kosten ten onrechte niet heeft beoordeeld doch ook die grief borduurt blijkens de toelichting op de grief slechts voort op de andere grieven en op het standpunt van [appellanten] dat zij door verjaring de eigendom van de tuinstrook en/of de groenstrook hebben verkregen en de gemeente daarom onrechtmatig heeft gehandeld door op die strook snoeiwerkzaamheden te verrichten. Enige andere grond dan het beroep op het door verjaring verkregen hebben van de eigendom van de strook grond hebben zij voor het door hen gestelde onrechtmatig handelen van de gemeente niet aangevoerd.

Het voorgaande betekent dat, nu [appellanten] daartegen geen andere grieven dan de hiervoor besproken grieven hebben aangevoerd, het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

Nu door [appellanten] geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden, wordt aan het door [appellanten] aangeboden bewijs als niet ter zake dienende voorbij gegaan.

[appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

4. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van de gemeente worden begroot op € 704,= aan verschotten en op € 2.682,= aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, L.W. Louwerse en M.J. Pesch en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 april 2015.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?