GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.156.628/01
arrest van 9 juni 2015
in de zaak van
Gemeente Peel en Maas,
zetelende te Panningen (gemeente Peel en Maas),
appellante,
advocaat: mr. B.S. ten Kate te Arnhem,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. P.W.M. Broekmans te Roermond,
op het bij exploot van dagvaarding van 28 juli 2014 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 27 maart 2013 en 30 april 2014, gewezen tussen geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eiser in conventie, verweerder in reconventie en appellante - de gemeente - als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.
1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/04/120153/HAZA 12-391)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3. De beoordeling
3.1.1. Het gaat in deze zaak om het volgende:
3.1.2. [geïntimeerde] heeft de gemeente in rechte betrokken en veroordeling gevorderd van de gemeente tot medewerking aan de totstandkoming van een notariële akte waarmee de eigendom van het in het geding zijnde perceelsgedeelte van het terrein Gemeente Peel en Maas sectie A nummer 7123 wordt ingeschreven in de openbare registers van het kadaster, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom bij niet (tijdige) nakoming.
De gemeente vorderde in reconventie veroordeling van [geïntimeerde] tot ontruiming van de bewuste strook grond, op straffe van verbeurte van een dwangsom bij niet (tijdige) nakoming.
3.1.3. De rechtbank wees bij het beroepen vonnis van 30 april 2014 de vordering van [geïntimeerde] in conventie toe en de vordering de gemeente in reconventie af en verwees de gemeente in de proceskosten van het geding in eerste aanleg in conventie en in reconventie.
De rechtbank overwoog onder meer, kort samengevat, dat:
- op grond van art. 3:105 BW degene die een goed bezit op het moment waarop de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van dat bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw;
- op grond van art. 3:106 BW de verjaringstermijn voor een vordering tot beëindiging van bezit 20 jaar is;
- van inbezitneming van een stuk grond sprake is wanneer door zodanige machtsuitoefening naar verkeersopvatting de oorspronkelijke bezitter niet meer als zodanig kan gelden;
- op basis van vaste rechtspraak het plaatsen van een hekwerk als een dergelijke bezitsdaad is aan te merken;
- de afrastering in 1984 is aangebracht en de verjaringstermijn daarmee vóór 2011 is voltooid.
3.1.4. De gemeente heeft tegen voormeld vonnis van 30 april 2014 en tegen het tussenvonnis van 27 maart 2013 hoger beroep ingesteld. Zij heeft tegen het eindvonnis van 30 april 2014 acht grieven (waarvan de laatste twee beide als grief VII zijn aangeduid) aangevoerd. Het hof acht door de grieven het geschil in volle omvang aan zijn oordeel onderworpen en zal hierna niet alle grieven afzonderlijk bespreken.
3.2.1. Voor verkrijgende verjaring op de voet van art. 3:105 BW is in de eerste plaats vereist dat sprake is geweest van bezit van [geïntimeerde] en zijn rechtsvoorganger. De vraag of sprake is van bezit dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van art. 3:107 e.v. BW. [geïntimeerde] en zijn rechtsvoorganger moeten de strook grond naar buiten kenbaar ondubbelzinnig hebben gehouden voor zichzelf met de pretentie daarvan de rechthebbende te zijn. Hun intentie om het goed voor zichzelf te houden en het bezit daarvan aan de eigenaar te onttrekken moet blijken uit uiterlijk waarneembare feiten waaruit naar verkeersopvattingen die intentie kan worden afgeleid. Bij onroerende zaken dient daarbij in aanmerking te worden genomen dat daarvan altijd iemand eigenaar is (zie art. 5:24 BW versus art. 5:4 BW), dat de eigendom van onroerende zaken is geregistreerd in notariële aktes van levering die bij het kadaster worden ingeschreven en dat men onroerende zaken niet van hun plaats kan wegvoeren. Onroerende zaken zal men zich daarom minder eenvoudig dan roerende zaken kunnen toe-eigenen. Uit het enkele gebruik van een onroerende zaak die als eigendom van een ander is geregistreerd zal nog geen intentie van de gebruiker tot het houden voor zichzelf kunnen worden afgeleid. Er moet sprake zijn van een voor anderen zichtbare machtsuitoefening over de zaak waaruit de pretentie van eigendom blijkt èn het moet duidelijk zijn dat de macht van de oorspronkelijke bezitter van de zaak is gebroken.
Voor verkrijgende verjaring op de voet van art. 3:105 BW is verder vereist dat de eigenaar gedurende (meer dan) twintig jaar geen actie heeft ondernomen tegen het verlies van zijn bezit van de eigendom.
3.2.2. Gelet op het voorgaande acht het hof de grief I gegrond. Het plaatsen van een hekwerk wijst – nog afgezien van het feit dat het in dit geval niet gaat om een in zijn geheel omheind stuk grond – niet zonder meer en in alle gevallen op een pretentie van degene die het hekwerk heeft geplaatst om het omheinde stuk grond voor zichzelf te gaan houden en het bezit daarvan aan de rechthebbende te ontnemen. Dat het plaatsen van een hekwerk in samenhang met andere feiten en omstandigheden tot die conclusie kan bijdragen, maakt dit niet anders.
3.2.3. In grief II komt de gemeente op tegen het door de rechtbank ook bij onroerende zaken toepasselijk geacht zijn van het vermoeden van art. 3:109 BW, het vermoeden dat ‘wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden’. De gemeente stelt terecht dat de A-G in haar conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 1 maart 2013 (ECLI:NL:PHR:2013:BY6754) onder 2.17 expliciet stelt dat het vermoeden van art. 3:109 BW niet van toepassing is op registergoederen. De Hoge Raad heeft zich op dit punt echter niet uitgelaten (het arrest van 1 maart 2013 was een art. 81 lid 1 RO zaak) en in zijn arrest van 22 september 2000 (NJ 2001, nr. 348) achtte de Hoge Raad de processuele functie van het vermoeden van art. 3:109 BW ook van toepassing in het geval van onroerende zaken. Het hof beantwoordt de vraag of het vermoeden van art. 3:109 BW al dan niet van toepassing moet worden geacht in het geval van registergoederen - in navolging van de A-G mr. Rank-Berenschot in voormeld arrest van de Hoge Raad van 2013 - ontkennend en vindt daarvoor steun in de uitzondering die in art. 3:119 lid 2 BW voor registergoederen wordt gemaakt ten aanzien van het vermoeden dat de bezitter van een goed de rechthebbende is op dat goed. Naar het oordeel van het hof ondersteunt die uitzondering het aan de registratie van een onroerende zaak te verbinden vermoeden van eigendom (en daarmee van bezit). Overigens is de vraag of art 3:109 BW wel of niet van toepassing moet worden geacht in het geval van onroerende zaken in zoverre van ondergeschikte betekenis dat, zoals in r.o. 3.2.1 overwogen, het hoofdcriterium voor de beoordeling of iemand voor zichzelf of voor een ander houdt ingevolge art. 3:108 BW gelegen blijft in de verkeersopvatting. Naast de daarvoor in de wet opgenomen bepalingen komt daarbij ook betekenis toe aan de uiterlijke feiten. Bovendien is, zoals hiervoor overwogen, voor verkrijging door verjaring op de voet van art. 3:105 BW niet alleen relevant dat er sprake is van bezit. Tevens zal dienen komen vast te staan dat sprake was van een zodanige machtsuitoefening dat het voor de eigenaar duidelijk was dat er een intentie was de eigendom aan hem te onttrekken. Het hof acht daarom ook grief II gegrond. Waar [geïntimeerde] zijn vordering doet steunen op de grond dat sprake is geweest van een ondubbelzinnige inbreuk op het bezit van de gemeente en haar rechtsvoorganger, de Rabobank, en van verjaring van de rechtsvordering van de gemeente en haar rechtsvoorganger om tegen die inbreuk op te treden, is het aan [geïntimeerde] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen die tot die conclusie kunnen leiden.
3.3.1. Vastgesteld kan worden dat mevrouw [toenmalige eigenares] in haar door [geïntimeerde] overgelegde verklaring alleen spreekt over een ‘gebruik’ van de niet tot hun kadastrale perceel behorende grond (het gedeelte van, volgens de gemeente, circa 160 m2 van het perceel van [adres 2] en het gedeelte van, volgens de gemeente, ca. 1250 van de grond van de kerk). Mevrouw [toenmalige eigenares] heeft voorts alleen het eigen perceel [adres 1] van 554 aan [geïntimeerde] verkocht en in eigendom overgedragen. Uit het door [geïntimeerde] overgelegde kadastrale bericht van zijn eigendom van perceel [adres 1] ([plaats] [sectieletter] [sectienummer]) kan althans niets anders worden afgeleid en door [geïntimeerde] is evenmin gesteld dat dit anders zou zijn geweest. [geïntimeerde] heeft alleen gesteld dat hij dacht dat het gehele stuk grond, met inbegrip van het strookje grond van de Rabobank en het stuk grond van de kerk, tot het gekochte behoorde. Dat hij dit op grond van enige mededeling van mevrouw [toenmalige eigenares] heeft gedacht, is door hem echter niet gesteld - op de comparitie in eerste aanleg verklaarde hij juist van een door mevrouw [toenmalige eigenares] bij de verkoop gesproken zijn over een overeenkomst met de kerk - en enige aanleiding voor die gedachte is evenmin te vinden in de aangegeven grootte van het door hem gekochte. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] aldus onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden geconcludeerd dat mevrouw [toenmalige eigenares] jegens de Rabobank ondubbelzinnig blijk heeft gegeven van een pretentie om de strook grond aan het eigendomsrecht van de Rabobank te onttrekken en voor zichzelf te gaan houden.
3.3.2. Het voorgaande geldt temeer indien in aanmerking wordt genomen dat [geïntimeerde] bij memorie van antwoord ten aanzien van het stuk grond van de kerk erkent dat het echtpaar [toenmalige eigenaren] deze grond krachtens een overeenkomst van bruikleen met de kerk in gebruik had. Nu de strook grond van de Rabobank tezamen en als één geheel met de grond van de kerk bij het echtpaar [toenmalige eigenaren] c.q. mevrouw [toenmalige eigenares] in gebruik was en uit de verklaring van mevrouw [toenmalige eigenares] op geen enkele wijze blijkt van een verschillende grondslag voor het gebruik van de strook grond van de Rabobank en de grond van de kerk, draagt de erkenning door [geïntimeerde] van het gebruik door mevrouw [toenmalige eigenares] krachtens overeenkomst van een deel van de niet tot haar perceel behorende grond slechts bij tot de conclusie dat voor een ondubbelzinnige inbreuk door mevrouw [toenmalige eigenares] op het eigendomsrecht van Rabobank onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld. In de conclusie van antwoord in conventie (punt 12) stelt [geïntimeerde] daarentegen zelfs dat ‘het zo moge zijn dat de Rabobank destijds er geen bezwaar tegen had dat de heer en mevrouw [toenmalige eigenaren] de strook grond in gebruik namen’. Anders dan [geïntimeerde] bij voormelde stelling kennelijk veronderstelt, houdt ook een gebruik krachtens gedogen juist in dat van een houden van de grond voor zichzelf en inbezitneming van de grond geen sprake is.
3.3.3. Het voorgaande betekent dat van een inbezitneming van de strook grond van de Rabobank door mevrouw [toenmalige eigenares] niet is gebleken en van een in 1984 aangevangen termijn van verjaring geen sprake is. Daarmee slagen de grieven IV en V, waarin de gemeente opkomt tegen het andersluidende oordeel van de rechtbank op deze punten.
3.3.4. Nu [geïntimeerde] zelf de grond nog geen 20 jaren in gebruik had voordat de gemeente de strook grond als haar eigendom opeiste, kan van enige latere verjaring op de voet van art. 3:105 BW door inbezitneming door [geïntimeerde] zelf evenmin sprake zijn. De grieven VI, VII en (het hof leest) VIII, waarin de gemeente opkomt tegen de toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] in conventie en de afwijzing van de vordering van de gemeente in reconventie en tegen haar veroordeling in de proceskosten, treffen daarmee eveneens doel. Grief III is na het voorgaande verder niet relevant en kan onbesproken blijven.
3.3.5. [geïntimeerde] heeft zich voor zijn vordering in conventie uitsluitend beroepen op verkrijging door verjaring op de voet van art. 3:105 BW. Het hof gaat er dan ook vanuit dat [geïntimeerde] met zijn opmerking op de comparitie in eerste aanleg ‘dat hij altijd bezitter (te goeder trouw) van de grond is geweest’ geen beroep heeft beogen te doen op de verkrijgende verjaring van art. 3:99 BW (voor onroerende zaken 10 jaren). Het hof overweegt ten overvloede dat een dergelijk beroep niet zou slagen nu van bezit te goeder trouw eerst sprake kan zijn indien de bezitter zich redelijkerwijze als rechthebbende mocht beschouwen. Ten aanzien van de strook grond van de gemeente kan daarvan geen sprake zijn nu [geïntimeerde] uit de kadastrale registratie en de leveringsakte van het door hem van mevrouw [toenmalige eigenares] gekochte perceel heeft moeten en kunnen weten dat hij geen rechthebbende was van die strook grond.
3.4.1. Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat het eindvonnis van 30 april 2014 zal worden vernietigd, de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie alsnog zullen worden afgewezen en de vorderingen van de gemeente in reconventie alsnog zullen worden toegewezen als in het dictum aan te geven. Het hof zal daarbij de termijn voor de ontruiming verruimen tot een week. [geïntimeerde] zal als de geheel of grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten van de eerste aanleg in conventie en in reconventie en in die van het hoger beroep. De door de gemeente mede gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten zullen eveneens worden toegewezen.
3.4.2. Nu tegen het tussenvonnis van 27 maart 2013 geen grieven zijn aangevoerd, zal de gemeente niet ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep van dat tussenvonnis.
3.4.3. Aan het door beide partijen gedaan bewijsaanbod wordt als niet ter zake dienende voorbijgegaan nu geen feiten en/of omstandigheden te bewijzen zijn aangeboden die, indien bewezen, tot een ander dan het hiervoor gegeven oordeel kunnen leiden.
4. De uitspraak
Het hof:
verklaart de gemeente niet ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dit mede tegen het tussenvonnis van 27 maart 2013 is ingesteld;
vernietigt het eindvonnis van 30 april 2014, en opnieuw rechtdoende:
in conventie:
wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten, welke kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op € 575,= aan verschotten en € 1.130,= aan salaris advocaat;
in reconventie:
veroordeelt [geïntimeerde] om binnen 1 week na betekening van dit arrest de onroerende zaak, het grondstuk kadastraal bekend gemeente Peel en Maas, sectie [sectieletter], nummer [sectienummer], te ontruimen en ontruimd te houden;
bepaalt dat door [geïntimeerde] een dwangsom zal worden verbeurd van € 250,= voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat hij nalaat aan voormelde veroordeling te voldoen;
bepaalt dat in totaal geen hoger bedrag aan dwangsommen zal worden verbeurd dan € 100.000,=;
wijst het in reconventie meer of anders gevorderde af;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten, welke kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op € 226,= aan salaris advocaat;
en verder in hoger beroep:
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het hoger beroep en in de nakosten, welke kosten worden begroot op € 799,77 aan verschotten en € 2.682,= aan salaris advocaat en welke nakosten worden begroot op € 131,= indien geen betekening plaatsvindt en op € 199,= indien wel betekening plaatsvindt;
bepaalt dat aan de proceskostenveroordeling binnen veertien dagen na deze uitspraak dient te worden voldaan en dat bij niet tijdige voldoening over de proceskosten de wettelijke rente verschuldigd zal vanaf de vijftiende dag na deze uitspraak;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, H.A.G. Fikkers en
A.P.A. de Klerk-Leenen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 juni 2015.
griffier rolraadsheer