ECLI:NL:GHSHE:2015:2625

ECLI:NL:GHSHE:2015:2625, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 14-07-2015, 20-002625-13

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 14-07-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20-002625-13
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2013:5858
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:1398
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Grenslijkzaak. Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren ter zake van het plegen van doodslag op zijn vrouw en het verbergen van haar lijk. Anders dan de rechtbank acht het hof het bezit van een kinderpornografische afbeelding niet bewezen en spreekt het verdachte daarvan vrij.

Uitspraak

E. Het deponeren van het lichaam in de afvalcontainer en het bouwen van de kist

E.1

De lezing van verdachte komt – kort weergegeven – op het volgende neer.

In januari, februari 2007 heeft verdachte samen met [getuige 4] de kist gebouwd met de bedoeling daar een media-toren van te maken. De kist is toen geverfd, maar niet helemaal afgewerkt. De rechter zijplaat is met enkele schroeven bevestigd en de afwerklatten zijn niet duurzaam aangebracht. Op enig moment is de rechter zijplaat door een ander verwijderd. Deze heeft de afvalcontainer met daarin het lichaam van [slachtoffer] in de kist geplaatst en vervolgens de kist afgewerkt.

E.2.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt onder meer het volgende.

E.2.1

Blijkens het hiervoor opgenomen proces-verbaal onderzoek kist (zie bewijsmiddel 11) is de buitenzijde van de kist door de politie onderzocht voordat de kist ontmanteld werd. Daarbij werd geen schade of andere onregelmatigheden geconstateerd waaruit kon worden afgeleid dat de kist in een eerder stadium werd opengemaakt en weer dichtgemaakt.

E.2.2

Door de deskundigen Oudenhuijzen en De Jong van TNO zijn twee scenario’s getoetst, te weten:

De deskundigen kwamen op basis van hun bevindingen, zoals weergegeven in hun eerste rapport over de bouwvolgorde van de kist, tot de conclusie dat scenario A het meest waarschijnlijk is en dat scenario B hoogst onwaarschijnlijk is.

In hoger beroep hebben de deskundigen aanvullend onderzoek gedaan. Op basis van hun bevindingen concluderen de deskundigen in hun tweede rapport over de bouwvolgorde van de kist dat scenario A veel tot zeer veel waarschijnlijker blijft dan scenario B en dat scenario B niet geloofwaardig is.

Het hof volgt de conclusies van de deskundigen en maakt die tot de zijne.

E.2.3

Getuige [getuige 4] heeft ontkend dat hij de kist samen met verdachte heeft gemaakt, zoals door de verdachte is gesteld. Voorts heeft hij verklaard dat hij op 13 april 2007 voor het laatst in de woning van verdachte en [slachtoffer] is geweest, dat de kamer waarin de kist is aangetroffen toen nog niet was ingericht als speelkamer en dat de kist toen nog niet in de kamer stond.

Deze verklaring vindt steun in de verklaring van [getuige 22] waaruit blijkt dat deze de witte kist nooit heeft gezien en dat de kamer nog niet was ingericht als speelkamer toen hij deze voor het laatst had gezien, te weten: ongeveer twee weken voor de verdwijning van [slachtoffer].

Voorts vindt de verklaring van [getuige 4] steun in de hiervoor weergegeven verklaringen van [getuige 5] en [getuige 6] met betrekking tot de inrichting van de woning zoals zij die op 25 januari 2007 hebben waargenomen.

E.3

Gelet op het hiervoor onder E.2 overwogene, in onderling verband en samenhang bezien, hecht het hof geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij de kist in januari, februari 2007 tezamen met [getuige 4] heeft gebouwd.

Het hof gaat er van uit dat verdachte, zoals hij ook zelf heeft verklaard, de kist heeft gebouwd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat hij daarbij door een ander is geassisteerd.

E.4

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof voorts af dat:

E.5

Gelet op al het vorenstaande kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat verdachte degene is geweest die in de periode van 13 april 2007 tot en met 6 juni 2007 de met kit afgesloten afvalcontainer met daarin het lichaam van de overleden [slachtoffer] in de door hem gebouwde kist heeft geplaatst, dan wel die kist om de container heeft opgebouwd en vervolgens die kist heeft gesloten, waardoor die afvalcontainer aan het zicht werd onttrokken totdat deze werd ontdekt op 18 februari 2008.

Dat een ander persoon de afvalcontainer via de rechter zijwand in de kist heeft geplaatst, acht het hof op grond van de conclusies van de deskundigen van TNO niet aannemelijk geworden.

Nu uit het onderzoek terechtzitting voorts niet aannemelijk is geworden dat iemand anders bij de dood van [slachtoffer] betrokken is geweest, komt het hof ook tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte is geweest die het lichaam van [slachtoffer] nadat zij was overleden in een slaapzak en bruidszak heeft verpakt en het verpakte lichaam vervolgens in de afvalcontainer heeft geplaatst.

F. De oorzaak van het overlijden van [slachtoffer]

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] werd geen anatomische en geen toxicologische doodsoorzaak gevonden.

Het hof acht desalniettemin bewezen dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van opzettelijk op haar uitgeoefend geweld. Dat oordeel is in het bijzonder gebaseerd op de navolgende, uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden, te weten dat:

Het hof overweegt voorts als volgt.

Het is volstrekt onwaarschijnlijk dat iemand het lichaam van zijn echtgenote, nadat zij is overleden door een natuurlijke doodsoorzaak of een ongeval, verpakt in een slaapzak en een hoes van haar trouwjurk, het verpakte lichaam in een afvalcontainer deponeert, de afvalcontainer vrijwel luchtdicht afsluit en vervolgens de afvalcontainer verbergt in een kist in zijn woning.

Het feit dat niet is komen vast te staan welke geweldshandeling(en) exact op het lichaam van [slachtoffer] is of zijn toegepast, brengt nog niet met zich dat sprake zou zijn van een natuurlijke doodsoorzaak of een ongeval.

G. Gebeurtenissen op 13 april 2007

G.1

De lezing van verdachte komt – kort weergegeven – op het volgende neer.

Verdachte is op 13 april 2007 ’s avonds thuis gekomen. Verdachte heeft met [slachtoffer] gesproken over haar relatie met [getuige 4]. Verdachte en [slachtoffer] hebben toen een woordenwisseling gehad over het feit dat [getuige 4] altijd in de woning van verdachte en [slachtoffer] verbleef. [slachtoffer] verkeerde op dat moment in dronken toestand. [slachtoffer] is boos geworden en heeft de woning verlaten. Haar telefoon en haar verblijfskaart heeft [slachtoffer] in de woning laten liggen. Nadien heeft verdachte haar niet meer gezien.

G.2

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt onder meer het volgende.

Op 12 april 2007 heeft [getuige 1] verdachte verteld dat [slachtoffer] een relatie had met [getuige 4], terwijl [slachtoffer] tegen verdachte had gezegd dat hij haar neef was.

Op 13 april 2007 heeft [slachtoffer] gewinkeld met [getuige 4] en is vervolgens met hem naar haar woning gereden. Om 16.59 uur heeft [slachtoffer] een sms-bericht verzonden naar verdachte. Daarbij straalde de telefoon van verdachte de zendmast op de locatie [adres 3] te Baarle-Hertog aan, welke zendmast op ongeveer 1 kilometer van de woning van verdachte en [slachtoffer] stond. Rond 18.00 uur heeft [slachtoffer] [getuige 4] teruggebracht naar het asielzoekerscentrum.

Verdachte is naar eigen zeggen rond 20.00 uur thuis gekomen. Verdachtes telefoon straalt vanaf 20.57 uur tot en met 14 april 2007 om 04.51 uur voormelde zendmast op de locatie [adres 3] te Baarle-Hertog aan, terwijl de telefoon van [slachtoffer] om 20.34 uur eveneens die zendmast aanstraalde.

Verdachte heeft in de woning [slachtoffer] geconfronteerd met hetgeen hij van [getuige 1] had vernomen, te weten: dat [slachtoffer] een relatie had met [getuige 4].

Verdachte en [slachtoffer] hebben daarover een heftige ruzie gehad.

Tussen 22.31 uur en 23.32 uur stuurt verdachte sms-berichten naar [getuige 1]. Deze sms-berichten houden onder meer in dat [slachtoffer] “half heeft toegegeven”. Voorts wordt in het sms-verkeer tussen verdachte en [getuige 1] afgesproken dat verdachte de volgende ochtend rond 05.00 uur zijn dochter [dochter verdachte] naar de woning van [getuige 1] en [getuige 2] zal brengen, omdat verdachte ergens naar toe moest. Tevens schreef verdachte dat hij een “def. oplossing” moest zoeken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij een definitieve oplossing moest zoeken voor de opvang van zijn dochter [dochter verdachte].

Op 14 april 2007 omstreeks 05.00 uur heeft verdachte [dochter verdachte] naar de woning van [getuige 1] en [getuige 2] gebracht.

Na de avond van 13 april 2007 is niets meer van [slachtoffer] vernomen. Verdachte heeft naar eigen zeggen [slachtoffer] op 13 april 2007 voor het laatst gesproken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is evenwel het volgende gebleken.

Verdachte heeft:

- op 15 april 2007 om 10.12 uur een sms-bericht verstuurd naar het telefoonnummer van [slachtoffer], welk sms-bericht vermoedelijk bestemd was voor haar zus [getuige 14] en inhield dat [slachtoffer] spullen had gepakt, was weggegaan uit de woning en niemand wilde spreken;

- op 15 april 2007 om 11.02 uur en 11.22 uur sms-berichten verstuurd naar

[getuige 1], inhoudende dat [slachtoffer] haar paspoort was komen ophalen, had gezegd naar Rusland te gaan en had gezegd dat zij voorgoed ging;

- op 15 april 2007 om 15.59 uur een sms-bericht verstuurd naar [getuige 2] inhoudende dat [slachtoffer] de volgende dag zou vliegen;

- op 17 april 2007 tegen [getuige 4] gezegd dat [slachtoffer] in [geboorteplaats] was;

- op 24 april 2007 tegen zijn moeder gezegd dat [slachtoffer] die dag had gebeld en dat zij had gezegd dat ze in [geboorteplaats] zat en niet meer terug zou komen.

Voorts heeft verdachte:

- [getuige 14] verteld dat [slachtoffer] haar paspoort, haar creditcard en wat kleding had meegenomen en niet meer naar [getuige 14] wilde luisteren;

- [getuige 7] verteld dat [slachtoffer] naar Rusland was vertrokken;

- [getuige 15] verteld dat hij [slachtoffer] had betrapt met een zogenaamde neef die een jeugdvriend bleek te zijn, dat hij [slachtoffer] daarna de deur had gewezen, dat ze bezig waren met de scheiding en dat [slachtoffer] vermoedelijk met haar jeugdvriend in Amsterdam zou zitten;

- [getuige 16] verteld dat [slachtoffer] na haar verdwijning nog telefonisch contact had opgenomen en had gezegd dat wanneer hij haar € 35.000,- zou betalen, hij dan alles mocht houden, inclusief hun kind;

- [getuige 17] verteld dat [slachtoffer] op een terras in Eindhoven voor de ogen van zijn dochter was doodgereden;

- [getuige 18] verteld dat [slachtoffer] verongelukt was toen hij met zijn dochter op het terras zat;

- [getuige 19] verteld dat [slachtoffer] er vandoor was gegaan en dat hij [slachtoffer] een geldbedrag had gegeven waarvoor zij afstand van hun kind had gedaan;

- [getuige 20] verteld dat hij [slachtoffer] op het vliegtuig had gezet naar Wit-Rusland;

- [getuige 21] verteld dat hij zou gaan verhuizen naar Isla Margarita, dat hij een Wit-Russische vrouw had en dat zijn vrouw op dat moment in Wit-Rusland was om afscheid te nemen van haar familie.

G.3

Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] op 13 april 2007 ’s avonds de woning heeft verlaten volstrekt ongeloofwaardig. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op:

H. Conclusie

H.1

Naar het oordeel van het hof kan het gelet op het hiervoor onder E., F. en G. overwogene niet anders zijn dan dat verdachte op 13 april 2007 tussen 20.00 uur en 22.30 uur tijdens een heftige ruzie en/of in de periode daarna opzettelijk zodanig geweld op [slachtoffer] heeft uitgeoefend dat zij is overleden.

H.2

Daarbij betrekt het hof dat verdachte [slachtoffer] in de maanden februari, maart en april 2007 naar het leven stond en meermalen haar keel heeft dichtgeknepen.

Zulks leidt het hof af uit:

- de omstandigheid dat [slachtoffer] op 19 februari 2007 tegen een centralist van de Belgische politie en een politiepatrouille heeft verteld dat zij ruzie had met verdachte en tegen de centralist tevens heeft gezegd: “hij probeert mij dood doen, net!”;

- de omstandigheid dat [slachtoffer] in februari 2007 [getuige 5] in een sms-bericht heeft verzonden, inhoudende “[verdachte] tried te kill me with handen.” en vervolgens [getuige 5] telefonisch heeft verteld dat verdachte haar keel had dicht geknepen;

- de verklaring van [getuige 23] dat [slachtoffer] haar op 21 maart 2007 heeft verteld dat verdachte had getracht haar te wurgen;

- de verklaring van [getuige 24] dat zij op 22 maart 2007 bij [slachtoffer] blauwe plekken in de halsstreek heeft gezien, waarna [slachtoffer] haar had verteld dat verdachte haar keel had dichtgeknepen;

- de verklaring van [getuige 22] dat hij rode donkere plekken en krassen op de hals van [slachtoffer] heeft gezien en dat [slachtoffer] hem heeft verteld dat verdachte had gepoogd haar te verwurgen;

- de verklaring van [getuige 4] dat [slachtoffer] had verteld dat zij een week voor 13 april 2007 ruzie had gehad met verdachte waarbij verdachte haar bij haar keel had gepakt en dat hij bij [slachtoffer] een kleine blauwe plek aan de zijkant van haar hals had gezien;

- de verklaring van [getuige 3] dat [slachtoffer] haar op 12 april 2007 heeft verteld dat verdachte op 11 april 2007 ’s avonds haar bij haar keel had gepakt en had geprobeerd haar te wurgen.

H.3

Gelet op het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 13 april 2007 tot en met 6 juni 2007 [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd en vervolgens in de periode van 13 april 2007 tot en met 18 februari 2008 haar lijk heeft verborgen met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] te verhelen.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer in al zijn onderdelen.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (als hierboven genoemd), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte onder 1. primair en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.hij in de periode van 13 april 2007 tot en met 6 juni 2007 te Baarle-Nassau en/of te Baarle-Hertog, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet zodanig geweld op die [slachtoffer] uitgeoefend dat zij is overleden;

2.hij in de periode van 13 april 2007 tot en met 18 februari 2008 te Baarle-Nassau en/of Baarle-Hertog het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen, immers heeft hij, verdachte,

- het stoffelijk overschot van voornoemde [slachtoffer] in een slaapzak en bruidszak verpakt en vervolgens

- het stoffelijk overschot van voornoemde [slachtoffer] in een afvalcontainer gedeponeerd en vervolgens

- een houten kist/kubus om die afvalcontainer met daarin het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] heen gebouwd waardoor die afvalcontainer met daarin het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] aan het zicht werd onttrokken.

Partiële vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het in het bijzonder dat het niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, zodat hij in zoverre zal worden vrijgesproken van het hem onder 1. ten laste gelegde.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

Een lijk verbergen met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 13 april 2007 of in de periode daarna op zijn echtgenote [slachtoffer] in hun echtelijke woning zodanig geweld toegepast dat [slachtoffer] als gevolg daarvan is overleden. Verdachte heeft daarmee de nabestaanden groot en onherstelbaar leed toegebracht. Hij heeft zijn zeer jonge dochter haar moeder ontnomen. Zij zal moeten opgroeien in de wetenschap dat haar vader haar moeder van het leven heeft beroofd.

Door te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan doodslag, een van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Door een dergelijk delict wordt de rechtsorde zeer ernstig geschokt; het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg.

Verdachte is vervolgens respectloos omgegaan met het lichaam van [slachtoffer]. Hij heeft het lichaam met het hoofd naar beneden in een afvalcontainer gedeponeerd. Vervolgens heeft hij in de echtelijke woning op de speelkamer een houten kist om die afvalcontainer gebouwd, waardoor die afvalcontainer aan het zicht werd onttrokken. Gedurende de periode (van ongeveer 9 maanden) dat het lichaam in de kist verborgen was, heeft verdachte zijn dochter laten spelen in de omgeving van deze kist.

Gedurende de periode dat [slachtoffer] werd vermist, heeft verdachte de nabestaanden en anderen voorgelogen en hen op die wijze de hoop laten houden dat [slachtoffer] nog in leven was. Door de nabestaanden op die wijze in het ongewisse te laten, heeft de verdachte het leed van de nabestaanden vergroot. Zijn gedrag getuigt van een groot gebrek aan piëteit tegenover het slachtoffer en haar nabestaanden.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof allereerst gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 maart 2015, waaruit blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter ter zake soortgelijke feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft wat betreft de duur van deze straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd.

Alles overwegende acht het hof oplegging van de gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren passend en geboden.

Beslag

De na te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, blijkens het onderzoek ter terechtzitting aan verdachte toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder 2. ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Ten aanzien van een aantal in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen kan geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt en daarvan zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Van de in beslag genomen kledinghoes zal de teruggave aan [getuige 13] worden gelast, zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Van hetgeen verder in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 57, 63, 151 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van het onder 3. ten laste gelegde ten aanzien van de afbeeldingen [bestandsnaam], [bestandsnaam], [bestandsnaam], [bestandsnaam], [bestandsnaam] en [bestandsnaam].

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1. en 2. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

Gelast de teruggave aan [getuige 13] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een kledinghoes, goednr. 7.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 14 juli 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl EeR 2015, afl. 5, p. 189
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?