ECLI:NL:GHSHE:2015:477

ECLI:NL:GHSHE:2015:477, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17-02-2015, 20-003062-11

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 17-02-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20-003062-11
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBBRE:2008:172
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2011:BP5967
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:519
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 5 zaken
7 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0003818 BWBR0018901 BWBR0019277 CELEX:32004L0028 EU:32004L0028

Samenvatting

Feitelijke leiding geven aan het afleveren van niet-geregistreerde diergeneesmiddelen. Hof bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Verweren met betrekking tot de strafbaarheid van het feit verworpen.

Uitspraak

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

D.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

E.1

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem onder 1. ten laste gelegde, aangezien sprake is geweest van onrechtmatige doorzoekingen en al hetgeen op de onrechtmatige doorzoekingen van de verschillende panden is gevolgd van het bewijs dient te worden uitgesloten en daarna niets aan relevant bewijs resteert. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

E.2

Uit het dossier blijkt onder meer het volgende.

Op 21 november 2003 heeft een deurwaarder, in het bijzijn van verbalisanten [verbalisant 12], [verbalisant 8] en [verbalisant 13], het pand [adres 1] te [plaats 2] betreden teneinde civielrechtelijk conservatoir beslag te leggen. Daarbij werd een grote hoeveelheid diergeneesmiddelen aangetroffen alsmede een klein laboratorium met een mengmachine. Naar aanleiding van deze bevindingen is contact opgenomen met de Algemene Inspectiedienst. Daarop is verbalisant [verbalisant 3] ter plaatse gekomen.

Om 13.30 uur is de inmiddels aanwezige [medeverdachte] door verbalisant [verbalisant 8] aangehouden. Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 9] hebben [medeverdachte] gehoord. Dit verhoor heeft geduurd van 18.20 uur tot 21.05 uur.

Omstreeks 22.20 uur heeft hulpofficier van justitie [verbalisant 10], na een mondelinge machtiging van de officier van justitie, het pand aan de [adres 1] te [plaats 2] doorzocht op grond van artikel 96c Sv.

De officier van justitie heeft na mondeling overleg met de Algemene Inspectiedienst op 21 november 2003 mondeling gevorderd dat de rechter-commissaris zou overgaan tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek. Voorts heeft de officier van justitie op 21 november 2003 gevorderd dat drie plaatsen in [plaats 1] zouden worden doorzocht, te weten: [adres 2], [adres 3] en [adres 4]. Deze vorderingen zijn later op schrift gesteld. De rechter-commissaris is op 22 november 2013 overgegaan tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek en heeft de gevorderde doorzoekingen ter inbeslagneming op de adressen [adres 2], [adres 3] en [adres 4] te [plaats 1] toegestaan.

De rechter-commissaris heeft op 22 november 2003 om 11.30 uur de doorzoeking op het adres [adres 4] geopend en om 13.04 uur de doorzoeking op de adressen [adres 2] en [adres 3] te [plaats 1] geopend.

E.3.1

Het proces-verbaal mondelinge vordering van de officier van justitie tot het instellen van een Gerechtelijk Vooronderzoek in verband met doorzoeking ter inbeslagneming in een bedrijfspand en woning houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“Op 22 november 2003 is door officier van justitie mr. H. Dijkstra mondeling een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek gedaan. Dit proces-verbaal is opgemaakt ter onderbouwing van deze mondelinge gedane vordering.

Het vermoeden bestaat dat de op 21 november 2003 bekende en hierna genoemde verdachten diergeneesmiddelen welke kennelijk niet zijn geregistreerd dan wel in strijd met de wet zijn geproduceerd, en welke de kankerverwekkende stof chloramphenicol bevatten, voorhanden, bereid en in voorraad hebben.

De volledige personalia van de verdachten zijn als volgt:

[de B.V.], [adres] te [vestigingsplaats]

[verdachte],

[medeverdachte], [adres], [woonplaats].

Dit onderzoek is ingesteld naar aanleiding van een constatering op 21 november 2003 van een ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst (AID), werkzaam bij het team Diergeneesmiddelen van de Inspectie Zuid-Nederland, in een loods op het adres [adres 1] te [plaats 2], hierna te noemen de loods. Hiervan is het proces-verbaal nummer 0/AH/01 opgemaakt waarvan een kopie als bijlage 1 bij dit proces-verbaal is gevoegd.

Genoemde aanleiding bestond eruit dat door een deurwaarder op 21 november 2003 conservatoir beslag is gelegd op de goederen in de loods welke in gebruik is bij dierenarts [verdachte] te [plaats 1].

Tijdens het ten uitvoering leggen van genoemd conservatoir beslag in de loods heeft men diergeneesmiddelen en grondstoffen aangetroffen, waarna men de AID hierover heeft geïnformeerd.

Tijdens het daarop volgend oriënterend onderzoek in de loods door de AID, zijn diverse diergeneesmiddelen en grondstoffen voor diergeneesmiddelen aangetroffen.

Een van de aangetroffen diergeneesmiddelen betrof “Para-stop”. Uit een recent monsteruitslag van het diergeneesmiddel “Para-stop” is gebleken dat dit diergeneesmiddel chloramphenicol bevat.

Een van de aangetroffen grondstoffen betrof 15 kilogram chloramphenicol, hetgeen een

kankerverwekkende stof is.

Tevens is een mengketel en zijn diverse verpakkingsmaterialen aangetroffen.

Op aangetroffen etiketten staat de naam “[de B.V.]” alsmede het adres “[adres 4] te [plaats 1]” vermeld.

Op aangetroffen dozen staat het adres “[adres 2] te [plaats 2]” vermeld.

Naar aanleiding van het voorgaande is in de loods onder leiding van officier van justitie mr. H. Dijkstra op vrijdag 21 november 2003 een spoedzoeking ingesteld.

Gelet op het voorgaande is de verdenking gerezen tegen verdachte [de B.V.], verdachte [verdachte] en verdachte [medeverdachte] dat zij niet geregistreerde diergeneesmiddelen alsmede grondstoffen, waaronder het kankerverwekkende chloramphenicol, voorhanden hadden.

Tevens is de verdenking gerezen dat verdachte [de B.V.], verdachte [verdachte] en verdachte [medeverdachte] diergeneesmiddelen welke chloramphenicol bevatten bereid hebben, voorhanden hadden en afleverden aan derden.

Deze handelswijze kan een gevaar opleveren voor de volksgezondheid.”

E.3.2

Het proces-verbaal aanleiding onderzoek van verbalisant [verbalisant 3] houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“Op 21 november 2003, omstreeks 11.15 uur, kreeg ik het verzoek om telefonisch contact op te nemen met de hulpofficier van justitie [verbalisant 8] van de politie [plaats 2].

In het daarop volgende telefoongesprek werd mij medegedeeld dat er in het pand [adres 1] te [plaats 2] door een deurwaarder conservatoir beslag was gelegd op de goederen aanwezig in deze loods. Hiernaar gevraagd gaf [verbalisant 8] mij te kennen dat deze loods in gebruik was bij dierenarts [verdachte] uit [plaats 1].

Volgens [verbalisant 8] betroffen de goederen in de loods o.a. diergeneesmiddelen voor duiven, chemische grondstoffen, alsmede een mengketel om grondstoffen te mengen. Uit hoofde van mijn functie is het mij bekend dat dierenarts [verdachte] diergeneesmiddelen voor duiven op de markt brengt, tevens is het mij bekend dat door het mengen van diverse chemische grondstoffen er een diergeneesmiddel geproduceerd kan worden. Volgens verklaring van [verbalisant 8] was de mengketel besmeurd met geel poeder en was de ruimte waar deze mengketel stond eveneens besmeurd met geel poeder.

Gelet hierop ben ik ter plaatse gegaan om vast te stellen of hier mogelijk sprake zou kunnen zijn van het bereiden van diergeneesmiddelen.

Op 21 november 2003, omstreeks 13.00 uur, heb ik een 1e oriënterend onderzoek gedaan in genoemde loods. Ik trof daar grote hoeveelheden diergeneesmiddelen (gereed product) aan voor toepassing bij hoofdzakelijk duiven. Tevens trof ik een aantal vaten aan waarin volgens opschrift chemische grondstoffen aanwezig waren.

Ik zag in een vat een etiket waarop vermeld stond Chlooramphenicol. Uit hoofde van mijn functie is bekend dat chloramphenicol (een stof met carsogene (het hof begrijpt: carcinogene) werking) door de EG geplaatst is op de lijst van verboden stoffen en dat deze grondstof gebruikt kan worden voor de bereiding van diergeneesmiddelen. Tevens zag ik in deze loods een grote hoeveelheid verpakkingsmateriaal staan, gelet op de uiterlijke kenmerken kennelijk bestemd om daarin een diergeneesmiddel te verpakken.

In een mengruimte behorende tot voornoemd pand trof ik een mengketel aan. Ik zag dat deze mengketel besmeurd was met geel poeder. De ruimte waarin deze mengketel zich bevond was eveneens besmeurd met geel poeder. Een in het plafond aangebrachte ventilator, kennelijk bestemd voor afzuiging, was naar ik zag besmeurd met geel poeder. Een in de kantoorruimte aanwezig T-shirt en pet waren eveneens besmeurd met geel poeder.

Gelet op het hiervoor gerelateerde heb ik het sterke vermoeden:

E.3.3

De verklaring die [medeverdachte] op 21 november 2003 heeft afgelegd, houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“Beroep: manager in loondienst bij [de B.V.].

Ik werk in opdracht en onder verantwoording van [verdachte].

De door u in [plaats 2] aangetroffen lege capsules zijn bestemd voor het afvullen van BS, Para, en ik ben nu bezig om een capsule voor de luchtwegen te maken. Met deze capsules doen wij proeven bij (zieke) duiven en kijken of het middel in de samenstelling zoals het in de capsule zit goed werkt. Als de producten goed aanslaan bij duiven, dan gaan die een traject in om er pillen van te maken.

De Chloramphenicol verwerken wij in de Para-stop en in 4 in 1 mix. Er staat een aangebroken verpakking in de loods. Ik heb dit product uitgewogen ten behoeve van de productie van Para-stop en de 4 in 1 mix welke geproduceerd wordt door [bedrijf 3].

De witte potjes met daarop een wit etiketje met de naam Ronidazol heb ik in de opslagplaats in [plaats 2] afgevuld.

De producten die gemengd zijn in de ketel te [plaats 2] betreffen vitaminepreparaten en datgene wat in die capsules gaat voor het testen en daar kan van alles inzitten. Voor 90% gaat dit in overleg met [verdachte]. Als ik zeg dat alles in die capsules kan zitten dan kan er dus ook chlooramfenicol in zitten die ik dan gemengd heb in de ketel te [plaats 2].”

E.3.4

[verbalisant 8] heeft op 15 maart 2006 ten overstaan van de rechter-commissaris een verklaring afgelegd, welke – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende inhoudt:

“In de loods troffen wij grote hoeveelheden geneesmiddelen aan. Verder was er achterin de loods een klein lab met een mengmachine. Ik heb toen de AID gewaarschuwd, omdat het zo’n grote hoeveelheid geneesmiddelen betrof en omdat het leek dat er ook werd gefabriceerd.”

E.3.5

[verbalisant 3] heeft op 13 maart 2006 ten overstaan van de rechter-commissaris een verklaring afgelegd, welke – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende inhoudt:

“Chlooramphenicol (CAP) is een stof die verwerkt zat in diverse diergeneesmiddelen. Het was met name bestemd voor voedselproducerende dieren (bijvoorbeeld runderen, schapen). Iedereen gebruikte het. Dit was echter tot het moment dat men erachter kwam dat het carcinogeen (kankerverwekkend) is. De EG is zich ermee gaan bemoeien. Vanuit de EG werd uitgevaardigd dat het middel moest worden geplaatst op de zogenaamde annex IV lijst. Dat is ook gebeurd. Op die lijst staan middelen die niet meer mochten worden verstrekt aan voedselproducerende dieren. In Nederland heeft de minister toen met onmiddellijke ingang de registratie ingetrokken van CAP voor landbouwhuisdieren (bijvoorbeeld runderen, schapen, varkens).

Zodra een grondstof de bestemming krijgt van diergeneesmiddel, komt de Diergeneesmiddelenwet om de hoek kijken. In die wet staat het verbod om CAP te gebruiken voor bepaalde groepen dieren.

Als een grondstof wordt verwerkt tot diergeneesmiddel, dan mag men dat middel voorhanden hebben, indien het is bestemd voor de export. De producent, dan wel degene die het diergeneesmiddel voorhanden heeft, moet dan aan de AID bij een controle aan de hand van een order kunnen aantonen dat er sprake is van export. Een grondstof kan worden aangemerkt als diergeneesmiddel alleen al door zo’n grondstof als diergeneesmiddel te etiketteren.

Mij wordt gevraagd hoe ik bij het feitelijk onderzoek inzake [verdachte] betrokken ben geraakt. Men had in [plaats 2] een loods met diergeneesmiddelen aangetroffen en wist niet wat men daarmee aan moest. Ik ben vervolgens ter plaatse gegaan.

Mij wordt gevraagd wat mijn concrete bevindingen waren ter plekke:

Gelet op de uiterlijke kenmerken van die ruimte in combinatie met de mengketel was mijn indruk dat daar recent was geproduceerd.

Aan welke overtreding dacht u toen? Het voorhanden hebben en in voorraad hebben van niet geregistreerde diergeneesmiddelen.

Hoe wist u dat er sprake was van niet geregistreerde diergeneesmiddelen? Ik heb 25 jaar ervaring. Ik zag daar verpakkingen. Ik kon de etiketten lezen. Ik wist dat [verdachte] een beperkt aantal diergeneesmiddelen had geregistreerd. Het aantal diergeneesmiddelen dat ik ter plekke aantrof, ging ver uit boven het aantal waarvan ik wist dat het geregistreerd stond.

Ik heb een strafrechtelijk onderzoek geïnitieerd op grond van het volgende:

De verdenking op grond van artikel 174 Wetboek van Strafrecht is gebaseerd op het aantreffen van de grondstof CAP en het aantreffen van diergeneesmiddelen bij een dierenarts. Hij zou deze producten ook kunnen gebruiken voor andere dieren dan postduiven.”

E.4

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat er ten tijde van de doorzoeking op grond van artikel 96c Sv van het pand gelegen op het adres [adres 1] te [plaats 2] alsmede ten tijde van het instellen van het gerechtelijk vooronderzoek een redelijk vermoeden bestond dat verdachte zich aan de in de schriftelijke vordering tot gerechtelijk vooronderzoek omschreven strafbare feiten had schuldig gemaakt. De omstandigheid dat de verdenking ter zake van overtreding van artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht nadien is vervallen, kan daaraan niet afdoen. De beoordeling van de vraag of op een zeker moment een verdenking redelijk was, dient immers te geschieden aan de hand van de op het moment van die verdenking bekende feiten en omstandigheden.

Er is derhalve geen sprake van een vormverzuim met betrekking tot de doorzoeking van het pand op het adres [adres 1] te [plaats 2], het openen van het gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-commissaris en de doorzoekingen door de rechter-commissaris op de adressen [adres 2], [adres 3] en [adres 4] te [plaats 1], zodat het bepaalde bij artikel 359a Sv toepassing mist. Bewijsuitsluiting is daarom niet aan de orde.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (als hierboven genoemd), in onderling verband en samenhang en tijdsverband bezien, acht het hof het aan verdachte onder 1. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

[de B.V.] op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 22 november 2003 te Breda en andere plaatsen in Nederland opzettelijk een hoeveelheid hieronder nader te noemen diergeneesmiddelen die niet waren geregistreerd, heeft afgeleverd, immers heeft [de B.V.],

aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, telkens feitelijke leiding heeft gegeven.

Partiële vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof in het bijzonder dat het uit het voorhanden bewijs niet de overtuiging heeft bekomen dat in de ten laste gelegde periode de ten laste gelegde middelen zijn afgeleverd aan [betrokkene 1].

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

F.1

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wat betreft de leveringen aan [getuige 7], [getuige 8], [getuige 10] en [getuige 11], aangezien het leveren van een niet-geregistreerd, voor export gereed product aan een dierenarts niet in strijd is met artikel 2 van de Diergeneesmiddelenwet en niet strafbaar is. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

F.2.1

Artikel 2 van de Diergeneesmiddelenwet luidde ten tijde van het bewezen verklaarde als volgt:

“1. Het is verboden een diergeneesmiddel dat niet is geregistreerd, te bereiden, voorhanden of in voorraad te hebben, af te leveren of bij dieren toe te passen.

2. Het verbod van het eerste lid geldt niet ten aanzien van:

a. diergeneesmiddelen die ten behoeve van één dier of een klein aantal dieren bereid worden of bereid zijn door een dierenarts of door een apotheker op recept van een dierenarts, voor zover het geen sera, entstoffen, biologische diagnostica of krachtens artikel 5 aangewezen substanties betreft;

b. diergeneesmiddelen, andere dan sera, entstoffen of biologische diagnostica die bereid zijn uit of met behulp van krachtens artikel 4, onderdeel d, aangewezen substanties, die worden doorgevoerd of die kennelijk bestemd zijn voor uitvoer.”

F.2.2

Artikel 2, eerste lid, van de Kanalisatieregeling diergeneesmiddelen en –gemedicineerde voeders luidde ten tijde van het bewezen verklaarde – voor zover hier van belang – als volgt:

“Als diergeneesmiddelen bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de wet, waarop de bepalingen van hoofdstuk IV van de wet van toepassing zijn worden aangewezen:

a. antimicrobiële diergeneesmiddelen;

(…)”

F.2.3

Artikel 30 van de Diergeneesmiddelenwet luidde ten tijde van het bewezen verklaarde – voor zover hier van belang – als volgt:

“1. Het is verboden diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 29, af te leveren.

2. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor het afleveren aan:

(…)

c. dierenartsen;

(…)”

F.2.4

Artikel 31 van de Diergeneesmiddelenwet luidde ten tijde van het bewezen verklaarde – voor zover hier van belang – als volgt:

“1. Het is verboden diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 29, voorhanden of in voorraad te hebben.

2. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor:

(…)

c. dierenartsen;

(…)”

F.3

De bewezen verklaarde diergeneesmiddelen betreffen antimicrobiële middelen, zodat zij, gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Kanalisatieregeling diergeneesmiddelen en –gemedicineerde voeders, diergeneesmiddelen waren als bedoeld in artikel 29 van de Diergeneesmiddelenwet. Op de onderhavige diergeneesmiddelen waren derhalve de artikelen 30 en 31 van de Diergeneesmiddelenwet van toepassing. Deze artikelen doen evenwel niets af aan het in artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet neergelegde verbod op onder meer het voorhanden hebben, in voorraad hebben en afleveren van niet-geregistreerde diergeneesmiddelen. Van dit verbod waren op grond van artikel 2, tweede lid, van de Diergeneesmiddelenwet enkel magistraal bereide diergeneesmiddelen en diergeneesmiddelen die worden doorgevoerd of kennelijk bestemd zijn voor uitvoer, uitgezonderd. Het verweer vindt in zoverre geen steun in het recht.

F.4

Het afleveren van niet-geregistreerde, gekanaliseerde diergeneesmiddelen aan dierenartsen in Nederland is gelet op het vorenstaande verboden, tenzij zich een uitzondering voordoet als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Diergeneesmiddelenwet. Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat de diergeneesmiddelen bestemd waren voor de export, maar uit het onderzoek ter terechtzitting is geenszins aannemelijk geworden dat de aan [getuige 7], [getuige 8], [getuige 10] en [getuige 11] afgeleverde diergeneesmiddelen ten tijde van de aflevering nog bestemd waren voor uitvoer. Het was verdachte derhalve op grond van artikel 2 van de Diergeneesmiddelenwet verboden deze diergeneesmiddelen af te leveren aan de dierenartsen [getuige 7], [getuige 8], [getuige 10] en [getuige 11].

Het hof verwerpt het verweer.

G.1

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien zijn handelen dient te worden aangemerkt als een handelen conform artikel 2 van de Vrijstellingsregeling artikel 2 Diergeneesmiddelenwet 1999 (het hof: nader te noemen de Vrijstellingsregeling), zodat het feit niet strafbaar is. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

G.2

Aan de stelling dat sprake is van magistraal bereide middelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, van de Vrijstellingsregeling heeft de verdediging ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven – dat:

G.3.1

Zoals hiervoor weergegeven luidde artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Diergeneesmiddelenwet ten tijde van het bewezen verklaarde als volgt:

“Het verbod van het eerste lid geldt niet ten aanzien van:

diergeneesmiddelen die ten behoeve van één dier of een klein aantal dieren bereid worden of bereid zijn door een dierenarts of door een apotheker op recept van een dierenarts, voor zover het geen sera, entstoffen, biologische diagnostica of krachtens artikel 5 aangewezen substanties betreft;”

G.3.2

Artikel 2, eerste lid, van de Vrijstellingsregeling luidde ten tijde van het bewezen verklaarde – voor zover hier van belang – als volgt:

“In afwijking van artikel 2, eerste lid, van de wet mogen dierenartsen, indien het niet toepassen van diergeneesmiddelen ondraaglijk lijden voor het betrokken dier met zich brengt en voor de toepassing geen diergeneesmiddelen beschikbaar zijn de volgende middelen bij een dier of een klein aantal dieren toepassen:

(…)

c. magistraal bereide diergeneesmiddelen, voor zover geen middelen, als bedoeld in onderdelen a en b beschikbaar zijn.”

G.3.3

Artikel 21, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet luidde ten tijde van het bewezen verklaarde als volgt:

“Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister diergeneesmiddelen te bereiden, te verpakken, te etiketteren of af te leveren.”

G.4

Naar het oordeel van het hof is het ompakken van reeds bereide diergeneesmiddelen niet het bereiden van diergeneesmiddelen in de zin van de Diergeneesmiddelenwet. Daarbij heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op artikel 21 van de Diergeneesmiddelenwet waaruit volgt dat het bereiden van diergeneesmiddelen niet het verpakken en etiketteren van diergeneesmiddelen omvat. Het ompakken van reeds bereide diergeneesmiddelen is dan ook geen magistrale bereiding van die diergeneesmiddelen, zodat verdachte geen beroep toekomt op artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Diergeneesmiddelenwet dan wel artikel 2 van de Vrijstellingsregeling.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

H.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon opzettelijk begaan van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet, meermalen gepleegd.

I.1

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat verdachte als dierenarts heeft gehandeld in noodtoestand. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

I.2

Bij de beoordeling van een beroep op noodtoestand moet worden vooropgesteld dat uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval kunnen meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, onder meer indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen – in het algemeen gesproken – dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren.

I.3

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, in het bijzonder uit de rapporten van professor dr. H. Vaarkamp en professor dr. G.M. Dorrestein alsmede uit de verklaringen van Dorrestein ter terechtzitting in hoger beroep, is aannemelijk geworden dat het registreren en produceren van diergeneesmiddelen voor duiven vanwege de relatieve kleinschaligheid ervan, geen interessante markt was voor de diergeneesmiddelenindustrie. De kosten van registratie beliepen per geneesmiddel 200.000 tot 300.000 euro, terwijl de Nederlandse markt niet groot is. Die bezwaren golden zeker voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel 22 van het Diergeneesmiddelenbesluit in 2006. Sindsdien is het onder omstandigheden toegelaten om diergeneesmiddelen die in een andere lidstaat zijn geregistreerd bij een dier toe te passen.

Vaarkamp en Dorrestein erkennen beiden de zogenaamde “Minor Use, Minor Species”-problematiek: diergeneesmiddelen worden voornamelijk geregistreerd voor veel voorkomende aandoeningen en/of voor veel voorkomende diersoorten.

Gevolg van de destijds bestaande situatie was dat voor aandoeningen van een minor species, waartoe de duivensoort gerekend wordt, weinig geregistreerde diergeneesmiddelen beschikbaar waren.

Verdachte, die bekend staat als een van de weinige dierenartsen ter wereld die zich als specialist bezighouden met de duivengeneeskunde, werd door grote aantallen duivenmelkers van over de gehele wereld en dus ook uit Nederland, benaderd als een ziekte was uitgebroken of dreigde uit te breken. In Nederland geregistreerde middelen hadden veelal geen effect of door ontwikkelde resistentie geen effect meer. In opdracht van verdachte waren echter geneesmiddelen voor de export gefabriceerd, waarmee de ziekten wel konden worden bestreden. Dat deze middelen in Nederland niet waren geregistreerd had niet alleen te maken met de financiële aspecten daarvan – verdachte heeft immers in het verleden bepaalde medicijnen wel degelijk laten registreren – maar ook, zo blijkt uit de verklaring van Dorrestein, met het feit dat het Bureau Registratie Diergeneesmiddelen weinig of geen bereidheid toonde om combinatiemiddelen als waarom het hier ging toe te laten.

De door de wetgever in bepaalde omstandigheden en onder strikte voorwaarden toegelaten ambachtelijke, magistrale bereiding door de dierenarts zelf was, aldus ook Dorrestein, geen alternatief, gelet op de hoeveelheden duiven in besmette koppels, het epidemisch karakter van een aantal ziektes, de snelle incubatietijd en het contaminatiegevaar dat wekelijks optreedt bij het transport van de duiven voor de wedstrijden, waarbij grote aantallen duiven afkomstig uit meerdere kolonies bij elkaar komen en over lange afstanden gezamenlijk vervoerd worden. Zowel preventief als repressief moet dan worden opgetreden, vaak het gehele jaar door. Een dergelijke omvang maakt magistrale bereiding niet alleen praktisch onrealiseerbaar, maar ook risicovol. De kans op kwaliteitsfouten, zoals mengfouten, is bij een dergelijke omvang groot.

Vaarkamp merkt in dit verband op: “Als u mij de vraag stelt wat – even los van de wettelijke legitimiteit van de beide opties – de voorkeur geniet: het in grotere hoeveelheden magistraal bereiden en in voorraad houden (wat dus wettelijk niet is toegestaan) of het zelfde product dat al GMP is geproduceerd en voor de export is bestemd, van de stapel pakken, dan kies ik voor de laatste optie, omdat dit vanuit kwaliteitsoogpunt meer waarborgen geeft”.

De situatie waarmee verdachte werd geconfronteerd kan – aldus Dorrestein – gezien de aard van de duivensport en de grote inspanningen die de duiven verrichten, alsmede het feit dat de ziekten zich zeer frequent voordoen enerzijds en het ontbreken van voldoende werkzame geregistreerde geneesmiddelen anderzijds, omschreven worden als een “chronische noodsituatie”.

Verdachte heeft herhaaldelijk pogingen ondernomen bij de daarvoor aangewezen instanties om verandering te brengen in de situatie. Dat wordt bevestigd in de brief d.d. 3 december 2008 van [naam], voormalig coördinator vergunningen van het Bureau Registratie Diergeneesmiddelen. In de jaren 2001 tot en met 2005 heeft hij samen met verdachte diverse malen contact opgenomen c.q. gesprekken gevoerd met de overheid in verband met het versoepelen van de diergeneesmiddelenwetgeving ten behoeve van de minor species. De overheid is niet bereid geweest in te gaan op deze verzoeken. Pas met de inwerkingtreding van artikel 22 van het Diergeneesmiddelenbesluit is de wetgeving versoepeld en is daarmee tegemoetgekomen aan het nijpende probleem.

Het vorenstaande brengt evenwel nog niet met zich dat verdachte bij zijn bewezen verklaarde handelen heeft gehandeld in noodtoestand. Bij een beroep op noodtoestand moet gelet op hetgeen hiervoor onder I.2 voorop is gesteld, immers worden nagegaan of uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval meebrengen dat overtreding van het wettelijk verbod gerechtvaardigd is. Dat brengt mee dat het hof per bewezen verklaarde levering dient te beoordelen of verdachte heeft gehandeld in noodtoestand.

I.4

Blijkens de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [getuige 1], [getuige 5], [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9], [getuige 10] en [getuige 11] hebben zij de door verdachte geleverde diergeneesmiddelen aan derden geleverd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat verdachte wist aan wie de door verdachte geleverde diergeneesmiddelen door [getuige 1], [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9], [getuige 10] en [getuige 11] werden geleverd. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat aan deze leveringen een concreet (dreigend) geval van ziekte onder een of meer duiven ten grondslag lag en dat het noodzakelijk was die duiven te behandelen met de bewezen verklaarde diergeneesmiddelen.

I.5

Ook ten aanzien van de leveringen aan [getuige 2], [getuige 4] en [getuige 6] kan gelet op hun verklaringen, zoals gebezigd tot het bewijs, niet worden vastgesteld dat aan de bewezen verklaarde leveringen een concreet (dreigend) geval van ziekte onder een of meer duiven ten grondslag lag en dat verdachte als dierenarts heeft beoordeeld of het noodzakelijk was om die duiven te behandelen met de geleverde diergeneesmiddelen. De andersluidende verklaring van verdachte is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.

I.6

Blijkens de tot het bewijs gebezigde verklaring van [getuige 3] heeft hij de door verdachte geleverde diergeneesmiddelen aan derden geleverd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat verdachte wist aan wie [getuige 3] de door verdachte geleverde diergeneesmiddelen leverde. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat aan de leveringen aan [getuige 3] een concreet (dreigend) geval van ziekte onder een of meer duiven ten grondslag lag en dat het noodzakelijk was die duiven te behandelen met de bewezen verklaarde diergeneesmiddelen. De schriftelijke verklaring van [betrokkene 4] kan aan het voorgaande niet afdoen, aangezien uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat van de bewezen verklaarde leveringen aan [getuige 3] enig diergeneesmiddel door [getuige 3] is geleverd aan [betrokkene 4].

I.7

Gelet op het vorenstaande is het hof ten aanzien van de bewezen verklaarde leveringen aan [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9], [getuige 10] en [getuige 11] van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat aan deze leveringen uitzonderlijke omstandigheden ten grondslag lagen die meebrengen dat overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet gerechtvaardigd is. Het beroep op noodtoestand faalt in zoverre.

I.8

Uit de verklaring van [getuige 12], zoals gebezigd tot het bewijs, leidt het hof af dat in het geval van de bewezen verklaarde leveringen van diergeneesmiddelen aan [getuige 12] telkens sprake was van een of meer zieke duiven. Voorts leidt het hof uit die verklaring, bezien in samenhang met de verklaring van [medeverdachte] dat hij werkte in opdracht en onder verantwoording van verdachte alsmede met de verklaring van verdachte dat het een stilzwijgende afspraak was dat [medeverdachte] in overleg met hem de diagnose stelde en de te gebruiken middelen voorschreef, af dat verdachte van geval tot geval heeft beoordeeld of het noodzakelijk was de duiven van [getuige 12] te behandelen met de onderhavige diergeneesmiddelen. Gelet daarop alsmede gelet op het hiervoor onder I.3 overwogene is het hof van oordeel dat bij de leveringen aan [getuige 12] sprake was van uitzonderlijke omstandigheden die meebrengen dat overtreding van artikel 2 van de Diergeneesmiddelenwet gerechtvaardigd was, zodat verdachte in zoverre heeft gehandeld in noodtoestand.

I.9

Gelet op het voorgaande zal het hof het bewezen verklaarde ten aanzien van het afleveren van diergeneesmiddelen aan [getuige 12] niet strafbaar verklaren en de verdachte te dier zake ontslaan van alle rechtsvervolging. Voor het overige verwerpt het hof het beroep op noodtoestand.

J.1

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat het feit niet strafbaar is nu de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

J.2

Doel van de registratieverplichting van artikel 2 van de Diergeneesmiddelenwet is te bewerkstelligen dat slechts diergeneesmiddelen worden gebruikt waarvan, op basis van wetenschappelijk onderzoek, mag worden aangenomen dat zij werkzaam zijn, geen gevaren opleveren voor de gezondheid van de mens en niet schadelijk zijn voor de gezondheid van dieren.

J.3

Het hof heeft hiervoor onder I. reeds overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat:

J.4

Gelet op het hiervoor onder J.3 weergegevene is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat het voor verdachte noodzakelijk was om artikel 2 van de Diergeneesmiddelenwet te overtreden en evenmin dat verdachte het doel van de registratieverplichting beter heeft gediend door te handelen in strijd met dit artikel. Verdachte komt derhalve geen beroep toe op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

K.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Het hof acht het raadzaam om te bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Daarbij heeft het in het bijzonder acht geslagen op:

d.d. 24 november 2014, waaruit blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 2 van de Diergeneesmiddelenwet, de artikelen 9a, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verstaat dat het hof ter terechtzitting van 27 maart 2014 de inleidende dagvaarding nietig heeft verklaard wat betreft het onder 2. ten laste gelegde.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor vermeld.

Verklaart het bewezen verklaarde ten aanzien van het afleveren aan [getuige 12] niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het bewezen verklaarde voor het overige strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Aldus gewezen door

mr. H. Eijsenga, voorzitter,

mr. E.A.A.M. Pfeil en mr. P.M. Frielink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 17 februari 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?