Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 11 juni 2015, parketnummer
96-009749-15 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer
96-181275-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1986,
wonende te [adres].
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – kort gezegd – het besturen van een motorrijtuig, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem daartoe de bevoegdheid was ontzegd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week. Ook is de vordering tot tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van 7 dagen toegewezen.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Namens verdachte is betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust.
In hoger beroep is namens de verdachte nog aangevoerd dat de verdachte van het feit dient te worden vrijgesproken. De verdachte ontkent het feit en slechts één van de twee verbalisanten die de verdachte zouden hebben zien rijden is tot een herkenning van de verdachte gekomen, te weten [verbalisant 1]. Volgens de raadsman staat daarmee niet met voldoende zekerheid vast dat de verdachte op 16 januari 2015 een auto heeft bestuurd, temeer nu tussen de auto waarin de verdachte gesignaleerd zou zijn en de verdachte geen verband bestaat.
Het hof is van oordeel dat geen reden bestaat om te twijfelen aan de waarneming van [verbalisant 1], aangezien deze verbalisant de verdachte ambtshalve kent. Het enkele gegeven dat de andere verbalisant de verdachte niet heeft herkend en dat de verdachte het feit ontkent acht het hof van onvoldoende gewicht om te concluderen dat de waarneming van [verbalisant 1] onjuist is.
Voor het geval het hof tot strafoplegging aan de verdachte zou komen, heeft de raadsman nog verzocht om de door de eerste rechter opgelegde straf voorwaardelijk op te leggen en de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. De raadsman heeft erop gewezen dat het rijbewijs van de verdachte in Frankrijk is ingenomen en de verdachte zijn rijbewijs sinds 2008 kwijt is geweest. Voor de verdachte was lange tijd onduidelijk tot wanneer de opgelegde rijontzeggingen liepen. Uiteindelijk heeft de raadsman achterhaald dat het rijbewijs van de verdachte op 22 augustus 2014 in Nederland terecht is gekomen.
Het hof stelt vast de oriëntatiepunten van het LOVS uitgaan van het opleggen van een gevangenisstraf van 2 weken voor een feit als thans bewezenverklaard. Ook constateert het hof dat de verdachte, blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 maart 2016, reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het plegen van soortgelijke feiten. In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat de eerste rechter bij de strafoplegging in voldoende mate rekening heeft gehouden met de door de raadsman naar voren gebrachte omstandigheden. Dat de verdachte enige tijd niet wist waar zijn rijbewijs was, rechtvaardigt op zichzelf niet het opleggen van een andere of lagere straf. Het hof zal om die reden ook de door de eerste rechter opgelegde straf en de beslissing omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van 7 dagen bevestigen.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Aldus gewezen door
mr. H. Eijsenga, voorzitter,
mr. F. van Es en mr. H.D. Bergkotte, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.G. Verhaeg, griffier,
en op 10 mei 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. H.D. Bergkotte is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.