5. Het verdere verloop van de procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
Het hof heeft bij de meervoudige comparitie een datum voor arrest bepaald.
6. De beoordeling
Voordat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak, dient eerst het volgende te worden opgemerkt.
De comparitie in deze zaak heeft plaatsgevonden op 10 december 2015 ten overstaan van de raadsheren mr. G.J. Vossestein, mr. W.Th.M. Raab en mr. M.J. van Laarhoven.
Mr. Raab is thans niet meer werkzaam bij het hof. Het arrest zal nu worden gewezen door mr. Vossestein en mr. M.J. van Laarhoven (beiden reeds genoemd) en mr. P.P.M. van Reijsen (in de plaats van mr. Raab).
Ingevolge de arresten van de Hoge Raad van 31 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3076) en 15 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:662) zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de vraag of zij in deze situatie (opnieuw) een mondelinge behandeling wensen ten overstaan van de raadsheren die het arrest zullen wijzen.
Indien partijen niet opnieuw een mondelinge behandeling wensen, zal het hof uitspraak doen op 27 december 2016.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
7. De beslissing
Het hof:
stelt partijen in de gelegenheid om binnen één week na de datum van dit arrest schriftelijk aan het hof te laten weten of zij een nieuwe mondelinge behandeling wensen, met afschrift van deze reactie aan de wederpartij;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, M.J. van Laarhoven en P.P.M. van Reijsen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 november 2016.
griffier rolraadsheer