8. De beschikking d.d. 1 december 2016
Bij die beschikking heeft het hof:
partijen in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na de datum van die beschikking hun schriftelijke opmerkingen, uitsluitend met het onder 7.19.1 en 7.19.2 bedoelde doeleinde, aan het hof te zenden, met afschrift daarvan aan de wederpartij;
partijen in de gelegenheid gesteld binnen drie weken na die eerste termijn op de schriftelijke opmerkingen van de wederpartij te reageren en deze reactie aan het hof te zenden, met afschrift aan de wederpartij;
iedere verdere beslissing aangehouden.
9. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:
- het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de vrouw d.d. 29 december 2016;
- het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de man d.d. 11 januari 2017;
- het V8-formulier met bijlage van de advocaat van de man d.d. 30 januari 2017;
- de antwoordakte naar aanleiding van tussenbeschikking d.d. 1 december 2016 van de advocaat van de vrouw d.d. 31 januari 2017.
10. De verdere beoordeling
Op 17 februari 2017 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen (ECLI:NL:HR:2017:276) waarin de Hoge Raad als volgt heeft overwogen:
“Tussen partijen is niet in geschil dat zij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren. Terecht heeft het hof dan ook voor de bepaling van de omvang van die gemeenschap art. 1:94 lid 1 (oud) BW (thans art. 1:94 lid 2 BW) tot uitgangspunt genomen. Voorts heeft het hof terecht onderzocht of toepassing van die bepaling met betrekking tot de Italiaanse onroerende zaken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, gelet op de omstandigheid dat op de erfrechtelijke verkrijging van die zaken door de vrouw Italiaans recht van toepassing is, dat op het punt van het huwelijksvermogensrecht anders luidt dan het Nederlandse recht. In dat verband is onder meer van belang of de buitenlandse erflater bedacht kon zijn geweest op de toepasselijkheid van Nederlands huwelijksvermogensrecht en de gevolgen daarvan en of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat hij niet heeft gewenst dat die zaken door huwelijk zouden komen te vallen in een gemeenschap van goederen waarin de verkrijger is gehuwd of gaat huwen. Voorts kan van belang zijn of de echtgenoot die voor het huwelijk krachtens erfrecht naar buitenlands recht goederen heeft verkregen, redelijkerwijs in staat is geweest om door het opmaken van huwelijkse voorwaarden te zorgen dat die goederen overeenkomstig de (veronderstelde) wil van de erflater niet door boedelmenging in een huwelijksgemeenschap vallen. Op de echtgenoot die zich op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid beroept, rust de stelplicht en bewijslast van de daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De enkele omstandigheid dat het op de erfrechtelijke verkrijging toepasselijke buitenlandse recht niet een algehele gemeenschap van goederen als huwelijksvermogensregime kent of tot uitgangspunt neemt, volstaat in dat verband niet.”
Het hof ziet hierin aanleiding partijen in de gelegenheid te stellen om het hof binnen vier weken na de datum van deze beschikking te berichten of en zo ja, in hoeverre de uitspraak van de Hoge Raad aanleiding geeft tot aanpassing van hun eerder aan het hof toegezonden standpunten ten aanzien van het voorlopig oordeel van het hof zoals weergegeven in rechtsoverweging 7.19.1. en 7.19.2. van de beschikking van 1 december 2016.
Op grond van het vorenstaande zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.
11. De beslissing
Het hof:
op het principaal en incidenteel appel:
stelt partijen in de gelegenheid om binnen vier weken na de datum van deze beschikking hun schriftelijke opmerkingen, uitsluitend met het hiervóór onder 10.2. bedoelde doeleinde, aan het hof te zenden, met afschrift daarvan aan de wederpartij;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, M.J. van Laarhoven en H.J.M. van Arkel-van Gasselt en is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2017.