Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 4 juli 2016 in de strafzaak met parketnummer 02-800237-15 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteland] op [geboortedag] 1980,
thans verblijvende in [penitentiaire inrichting] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van doodslag en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank beslist op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande van slachtoffer] en is verdachte de verplichting opgelegd tot vergoeding van schade aan de benadeelde partij [nabestaande van slachtoffer] tot een bedrag van € 6.274,43, vermeerderd met de wettelijke rente.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
Door de raadsvrouw is primair bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1. impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van moord en van het onder 1. impliciet subsidiair ten laste gelegde medeplegen van doodslag.
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte ter zake de onder 1. impliciet subsidiair aan verdachte ten laste gelegde en door de rechtbank bewezen verklaarde doodslag op [slachtoffer] zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Subsidiair, indien het hof verdachte niet zal ontslaan van alle rechtsvervolging, heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof zich op onderdelen niet met het vonnis kan verenigen. Om reden van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen als volgt.
Tenlastelegging
Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 03 april 2015 te Breda tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen meerdere, althans (een) kogel(s) in het lichaam en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] afgevuurd en/of geschoten, (mede) ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
2.
hij op of omstreeks 3 april 2015 te Breda een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (type Glock), en/of munitie van categorie II en/of III, te weten meerdere in het magazijn van dat vuurwapen aanwezige patronen, voorhanden heeft gehad.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. impliciet subsidiair en onder 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op 3 april 2015 te Breda opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet met een vuurwapen meerdere kogels in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
2.
hij op 3 april 2015 te Breda een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (type Glock), en munitie van categorie III, te weten meerdere in het magazijn van dat vuurwapen aanwezige patronen, voorhanden heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bevindingen en verklaringen in de zaak
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt het volgende naar voren.
i.
Op vrijdag 3 april 2015, omstreeks 13.50 uur, kwamen bij de centrale meldkamer van de politie en bij 112 meldingen binnen van een schietpartij op het parkeerterrein bij winkelcentrum Tuinzigt aan de Cypresstraat in Breda (p. 59-75).
Om 13.57 uur arriveerde de politie (p. 735) en trof in het tweede parkeervak aan de rechterzijde van het parkeerterrein, gezien vanaf de Acaciastraat, een manspersoon aan tussen twee geparkeerde voertuigen, liggend op zijn rug (p. 759). Aan deze man werd eerste hulp verleend door een omstander. Het slachtoffer werd naar het ziekenhuis vervoerd, alwaar hij omstreeks 16.22 uur is overleden als gevolg van verwikkelingen van meerdere, bij leven opgelopen schotverwondingen (p. 719).
Het slachtoffer betrof [slachtoffer] .
Uit het sectierapport bleek het volgende:
Bij sectie waren er als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend perforerend geweld circa 27 perforaties met het aspect van schotverwondingen (p. 723). Bij sectie werden 3 doorschoten door de romp gezien waarvan er twee buiten de buik- en borstholte verliepen. Het derde schotkanaal verliep door de buikholte en daarbij waren onder andere een grote darmslagader en de dunne darm geraakt. Er was daarnaast een inschot in de borstwand links met een schotkanaal naar een projectiel naast de halswervelkolom met verbrijzelen van het linkersleutelbeen en verscheuren van de daarachter gelegen bloedvaten. Er waren doorschoten door weke delen van de linkerflank/heup, de linkerlies en het linkerbovenbeen, de linkeronderarm en de linkerbovenarm, deels het gevolg van ricochetverwondingen. Het overlijden wordt door het massale bloedverlies en de daardoor opgetreden weefselschade zondermeer verklaard. Er was, waarschijnlijk door uitwendig inwerkend botsend geweld tegen de mond, een verwonding aan de lippen en de kaakwal. Deze kan ontstaan zijn door bijvoorbeeld een val, en slag of stoot tegen de mond, aldus het sectierapport (p. 723).
ii.
In de nabijheid van de plaats waar het slachtoffer werd aangetroffen, is sporenonderzoek verricht: er zijn tien hulzen aangetroffen, op grond waarvan de politie heeft geconcludeerd dat er minimaal tien keer is geschoten met een pistool van het kaliber 9 mm Luger. In de onmiddellijke nabijheid van het slachtoffer zijn een machete en een houthakkersbijl aangetroffen (p. 26, Map 1 proces-verbaal Forensisch Onderzoek; p. 759; foto’s p. 747, 753-755).
iii.
Kort na de melding van de schietpartij kwam een melding bij de politie binnen dat op de Pijnboomstraat 66 te Breda een man aan het doordraaien was (p. 92). De politie (p. 93) treft op dat adres [broer slachtoffer] aan, die overstuur was en hyperventileerde en schreeuwde dat zijn broer [slachtoffer] was neergeschoten door de [motorclub] . Volgens zijn moeder (p. 95) had [broer slachtoffer] de deur van de kelder ingeslagen, zat hij als een baby te huilen en zat hij onder zijn eigen uitwerpselen.
iv.
Op vrijdag 3 april 2015, omstreeks 14:07 uur arriveerde bij het Amphia Ziekenhuis, locatie Molengracht, in Breda een rode Mini Cooper bij de afdeling Spoedeisende Hulp met daarin twee personen (p. 784, 785, 788). Uit de auto stapte een man met een kledingstuk om zijn hoofd gewikkeld (p. 786), welke man door de politie is herkend als verdachte. De Mini Cooper reed gelijk weg.
De politie werd door het medisch personeel van de afdeling Spoedeisende Hulp in de gelegenheid gesteld de patiënt naar zijn naam te vragen. Hij gaf aan [verbalisant A] op te zijn: [verdachte] , geboren [geboortedag] 1980. Verdachte moest op een verpleegafdeling wachten op een operatie, waarna hij op 3 april 2015 te 19.45 werd overgebracht naar de operatiekamer. Verdachte had een wond van ongeveer 9 centimeter lengte boven op zijn hoofd, die liep van de voorzijde naar de achterzijde van zijn hoofd. Daarnaast had verdachte een diepe wond achterop zijn hoofd tot op het schedelbot van ongeveer 15 centimeter lang (p. 774-775).
v.
Getuigen die in en rondom het winkelcentrum aanwezig waren hebben het volgende waargenomen.
[getuige 1] heeft verklaard op 3 april 2015, zakelijk weergegeven:
[getuige 2] heeft verklaard op 3 april 2015, zakelijk weergegeven:
[getuige 3] heeft verklaard op 3 april 2015, zakelijk weergegeven:
[getuige 4] heeft verklaard op 3 en 7 april 2015, zakelijk weergegeven:
[getuige 5] heeft verklaard op 3 april 2015, zakelijk weergegeven:
[getuige 6] heeft verklaard op 3 april 2015, zakelijk weergegeven:
[getuige 7] heeft verklaard op 3 april 2015, zakelijk weergegeven:
[getuige 8] heeft verklaard op 4 april 2015, zakelijk weergegeven:
[getuige 9] heeft verklaard op 4 april 2015, zakelijk weergegeven:
[getuige 10] heeft verklaard op 4 april 2015, zakelijk weergegeven:
[getuige 11] heeft verklaard op 8 april 2015, zakelijk weergegeven:
vi.
[getuige 12, broer van slachtoffer] , heeft verklaard, zakelijk weergegeven:
vii.
[getuige 13, zus van ex-vriendin] (p. 1169) heeft verklaard, zakelijk weergegeven:
viii.
Verdachte heeft zich na zijn aanhouding aanvankelijk beroepen op zijn zwijgrecht en heeft eerst op 10 februari 2016, ten overstaan van de politie, een verklaring afgelegd; voorts heeft hij ter terechtzitting in eerste aanleg op 20 juni 2016 en ter terechtzitting in hoger beroep op 11 april 2017 over de verdenkingen verklaard.
Uit de verklaringen komt het volgende naar voren, zakelijk weergegeven:
ix.
Door de rechter-commissaris zijn op verzoek van de verdediging op 15 en 22 april 2016 [getuige 17] , [getuige 15] , [getuige 14] , [getuige 18] en [getuige 16] als getuigen gehoord.
De getuigen [getuige 15] en [getuige 18] hebben zich op hun verschoningsrecht beroepen.
[getuige 17] heeft, zakelijk weergegeven, verklaard:
[getuige 16] heeft in gelijke zin verklaard omtrent de toedracht van de geweldshandelingen.
[getuige 14] heeft nog verklaard, zakelijk weergegeven:
Vrijspraak van medeplegen en plegen moord (geen ‘voorbedachten rade’) en van medeplegen doodslag
Het hof is – met de advocaat-generaal en de verdediging, en in navolging van de rechtbank – van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte de onder 1. impliciet primair ten laste gelegde (medeplegen van) moord heeft begaan, aangezien het ten laste gelegde bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ niet kan worden bewezen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Het hof is van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de onder 1. impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag heeft gepleegd.
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is het hof (met de advocaat-generaal, de verdediging en de rechtbank) van oordeel dat het bewijs ervoor tekortschiet om vast te stellen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd, zodat verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging (medeplegen) zal worden vrijgesproken.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
De verdachte heeft verklaard dat hij degene is geweest die heeft geschoten met een vuurwapen op het slachtoffer. De verdediging heeft zich (ten aanzien van het onder 1. (impliciet subsidiair) bewezen verklaarde) echter op het standpunt gesteld dat verdachte geen ‘kwade’ opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . De raadsvrouw heeft in dit verband aangevoerd dat het bewijs voor directe opzet ontbreekt, maar dat voorwaardelijk opzet bewezen kan worden.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het bewezen verklaarde handelen van verdachte, namelijk het met een vuurwapen schieten van meerdere (tien) kogels op het latere slachtoffer, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer is gericht op het veroorzaken van de dood van het slachtoffer, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte met zijn handelen de dood van [slachtoffer] voor ogen heeft gehad en derhalve opzettelijk heeft gehandeld.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte met betrekking tot feit 1 zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsvrouw - zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd:
Betrouwbaarheid van de verklaringen
De raadsvrouw heeft bepleit dat het hof voor wat betreft de loop van de gebeurtenissen zal uitgaan van de verklaring van verdachte, zoals bevestigd door de getuigen [slachtoffer en zijn broer] , [getuige 17] en [getuige 16] .
De verklaringen van de ooggetuigen hebben voor het merendeel betrekking op wat zij gezien hebben nadat zij schoten hebben gehoord. De [getuige 1] kan volgens de raadsvrouw niet alles hebben gezien omdat hij in en uit de winkel liep; hij heeft voorts allerlei informatie gehoord voordat hij zijn verklaring aflegde. Zijn verklaring dient volgens de raadsvrouw met de nodige behoedzaamheid te worden gelezen.
De verklaring van [getuige 2] kan voor wat betreft de toedracht van het schieten niet tot bewijs dienen omdat zij niet keek toen er geschoten werd, aldus de raadsvrouw.
De verklaring van [getuige 4] is onbetrouwbaar omdat hij heeft verklaard over aspecten die niemand anders gezien heeft, te weten dat de schutter schoot met zijn handpalm naar boven.
Voorts heeft geen enkele getuige gezien dat verdachte het wapen heeft overgedragen.
De verklaringen van [getuige 12, broer van slachtoffer] zijn dusdanig verschillend dat zij ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn, aldus de raadsvrouw.
Dat verdachte pas laat is gaan verklaren kan hem niet worden tegengeworpen; dit hangt samen met de clubcultuur en het vaste gebruik binnen de [motorclub] om geen namen te noemen.
Het hof overweegt het volgende.
Voor wat betreft de loop der gebeurtenissen zal het hof uitgaan van de verklaringen van getuigen en de verklaringen van [getuige 12, broer van slachtoffer] zoals hiervoor opgenomen onder “Bevindingen en verklaringen in de zaak”, onder respectievelijk v. en vi.
Aanvankelijk heeft [getuige 12, broer van slachtoffer] verklaard dat hij niet aanwezig was toen zijn broer werd neergeschoten (eerste en tweede verklaring). In het derde verhoor (p. 198) geeft hij aan dat hij inmiddels rustiger is geworden, medicijnen heeft en dat hij een nieuwe verklaring wil afleggen. In het vierde verhoor op 20 april 2015 (p. 201) geeft hij aan dat hij openheid van zaken wil geven. In de verklaringen die daarop volgen (tot en met het negende verhoor) is in de visie van het hof [getuige 12, broer van slachtoffer] – in de kern – bij zijn lezing van de gebeurtenissen ten tijde van en rondom de schietpartij gebleven. In zijn lezing omtrent de gebeurtenissen heeft hij bovendien ook belastend verklaard over zijn eigen aandeel, het slaan met de bijl.
Voorts kan vastgesteld worden dat de verklaring van [getuige 12, broer van slachtoffer] op onderdelen bevestiging vindt in verklaringen van objectieve getuigen dan wel forensisch onderzoek. Zo vindt zijn verklaring dat hij heeft gepind nadat hij en zijn broer [slachtoffer] al bij het winkelcentrum waren aangekomen, steun in de gegevens van de bank omtrent de ING-geldautomaat aan de Cypresstraat 3 te Breda (p. 926). Ook vindt zijn verklaring over de gang van zaken op belangrijke onderdelen steun in de waarneming van het hof van de ter terechtzitting in hoger beroep op 11 april 2017 getoonde camerabeelden van [naam winkel B] : de persoon aangewezen als [slachtoffer] heeft eerst enkele minuten op en neer gelopen (hof: lopen ijsberen) langs/bij de brievenbus voor [naam winkel B] , en voorts is te zien dat die persoon een handgebaar maakt naar een persoon buiten beeld. De persoon aangewezen als [slachtoffer] verdwijnt dan korte tijd uit beeld en komt dan, enigszins wankelend en achteruit stappend, terug in beeld. Een en ander past bij de verklaring van [getuige 12, broer van slachtoffer] dat diens broer [slachtoffer] de eerste klap van verdachte kreeg en daardoor even achteruit deinsde.
Het aantreffen van de bijl bij het slachtoffer met daarop bloed van het slachtoffer (p. 277-279 proces-verbaal Forensisch Onderzoek) ondersteunt de verklaring van [getuige 12, broer van slachtoffer] dat een ander met de bijl naar zijn broer [slachtoffer] is gegaan. De plaats waar de hulzen zijn aangetroffen, te weten in de (onmiddellijke) nabijheid van de plaats waar het slachtoffer door de politie is aangetroffen, geeft voorts ondersteuning aan de verklaring van [getuige 12, broer van slachtoffer] dat het treffen tussen verdachte en de zijnen en [slachtoffer en zijn broer] zich verplaatst heeft richting de plek waar het slachtoffer (door de politie, liggend) is aangetroffen (Map Forensisch Technisch Onderzoek, p. 93). Getuigen geven ook ondersteuning aan de verklaring van [getuige 12, broer van slachtoffer] over het gedrag van de schutter en de personen die bij hem waren tijdens het weglopen.
[getuige 1] heeft verklaard, evenals [getuige 12, broer van slachtoffer] , dat verdachte als eerste sloeg. Ook bevestigt [getuige 1] de manier waarop [getuige 12, broer van slachtoffer] de bijl heeft gehanteerd (met de stompe kant). [getuige 1] heeft naar het oordeel van het hof op de dag van het dodelijke schietincident een gedetailleerde en consistente verklaring afgelegd. Dat [getuige 1] in en uit de winkel liep dan wel informatie van elders heeft ontvangen, maakt dat niet anders. Uit zijn verklaring is duidelijk wat hij wel en niet zelf heeft waargenomen.
[getuige 2] ondersteunt de verklaring van [getuige 12, broer van slachtoffer] , zowel op het punt dat toen er geschoten werd de man met de bijl reeds weggegaan was, als op het punt dat meerdere personen bij de vechtpartij tegen [slachtoffer] betrokken waren. Voorts heeft de getuige verklaard dat “de donkere man met de hanenkam” het zwarte pistool pakte (het hof begrijpt: verdachte) en daarbij tevens beschreven welke personen zij op dat moment zag. Dat zij zich heeft omgedraaid op het moment dat er geschoten werd, doet aan de bruikbaarheid van haar verklaring omtrent de toedracht van het schieten daaraan voorafgaand niets af.
[getuige 4] heeft een man zien schieten, die hij daarna zag lopen in de richting van de [naam winkel A] , en met hem in elk geval nog twee personen. De personen liepen heel rustig weg langs de [naam winkel A] . Het hof is van oordeel dat de verklaring van [getuige 4] op diverse onderdelen bevestiging vindt in verklaringen van andere getuigen. Het hof acht de verklaring van [getuige 4] dan ook betrouwbaar.
Een en ander leidt het hof tot de conclusie dat de verklaringen van [getuige 12, broer van slachtoffer] (afgelegd ten overstaan van de politie, in het vierde tot en met negende verhoor), alsmede de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 4] , betrouwbaar zijn.
Daar staat tegenover dat de verklaringen van verdachte op diverse onderdelen geen steun vinden in de verklaringen van de onder v. genoemde getuigen en de onder vi. genoemde verklaringen van [getuige 12, broer van slachtoffer] . De onder v. genoemde getuigen noch [getuige 12, broer van slachtoffer] hebben verklaard:
Het hof leidt uit de verklaringen van de getuigen af dat zij slechts één salvo van schoten hebben gehoord en dat verdachte die schoten vanuit een staande houding heeft afgevuurd op [slachtoffer] . Op de plek waarvandaan volgens de verdachte door hem is geschoten, te weten waar hij volgens zijn verklaring gevallen was over de stoep of een parkeerbol, zijn geen hulzen aangetroffen.
Hierdoor heeft het hof twijfel gekregen ten aanzien van de geloofwaardigheid van de verklaringen van verdachte waar het gaat om de beschrijving van de gebeurtenissen, die hij ten grondslag heeft gelegd aan het beroep op (putatief) noodweer(exces).
Daar komt bij dat, nadat verdachte zijn vuurwapen heeft gedumpt en hij zich vervolgens heeft laten afzetten bij het ziekenhuis, hij zich vanaf zijn aanhouding op 3 april 2015 op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Verdachte heeft voor het eerst verklaard over (de aanloop naar) het schietincident op 10 februari 2016, derhalve 10 maanden na het feit en eerst nadat het onderzoek door de politie was gesloten op 8 december 2015 (tactisch) respectievelijk 18 december 2015 (forensisch). Bij die gelegenheid heeft hij ook de namen genoemd van de vijf personen die bij hem waren bij het winkelcentrum. Met betrekking tot [getuige 14] en [getuige 16] geldt dat zij zich bij hun verhoren ten overstaan van de politie op 14 en 15 oktober 2015 hebben beroepen op hun zwijgrecht. Pas bij de rechter-commissaris, ruim een jaar na het feit en eveneens na sluiting van het politieonderzoek, zijn zij (als getuige) gaan verklaren over het incident.
Naar het oordeel van het hof kan het (vaste) gebruik of de clubcultuur om geen namen te noemen in dit geval geen afdoende verklaring geven voor het zwijgen van verdachte. Naar het oordeel van het hof vindt het lange wachten alvorens inhoudelijk over het incident te verklaren veeleer zijn oorzaak in het kunnen afstemmen van verdachtes verklaring op de bevindingen uit het onderzoek. Datzelfde geldt voor [getuige 14] , [getuige 16] en [getuige 17] , die allen pas een verklaring hebben afgelegd na verdachte, waarbij [getuige 17] niet heeft verklaard over zijn eigen aandeel. Het hof zal aan al deze verklaringen derhalve geen doorslaggevende betekenis toekennen en gaat daaraan voorbij.
Het hof verwerpt de gevoerde betrouwbaarheidsverweren en acht op grond van bovenstaande de door verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden.
Vaststellingen van het hof voor de beoordeling van het beroep op (putatief) noodweer(exces)
Het hof stelt op grond van het vorenstaande het volgende vast met betrekking tot de toedracht voorafgaand aan het schieten:
Ad 1) noodweer
Het hof stelt het volgende voorop.
Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.
De enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van art. 41 Sr.
In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is “geboden door de noodzakelijke verdediging” worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was. Zeker bij deze eisen kan de persoon van degene die zich op noodweer beroept, van belang zijn. Van de ene persoon mag bijvoorbeeld op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander.
Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Daarvan is sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Het komt daarbij aan op de omstandigheden van het geval. Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte de hem verweten gedraging (schieten met een vuurwapen) niet verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed of dat van een ander tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.
Het hof is van oordeel dat aan de subsidiariteitseis niet is voldaan. Verdachte behoefde zich niet meer te verdedigen en er bestond geen noodzaak meer tot verdediging.
Aanvankelijk is door verdachte de aanval geopend door het [slachtoffer] te slaan. Daarop is een tegenaanval gevolgd van het slachtoffer door met een mes in de richting van verdachte te lopen, waarop door verdachte en de twee personen in zijn onmiddellijke nabijheid is gereageerd richting het slachtoffer. In die confrontatie heeft zich vervolgens ook [getuige 12, broer van slachtoffer] gemengd met een aanval met een bijl op verdachte. Vervolgens heeft [getuige 12, broer van slachtoffer] zich (zonder bijl, die was gevallen) verwijderd van het parkeerterrein. [slachtoffer] bevond zich toen nog op de (openbare) parkeerplaats. Hij had weliswaar, naar mag worden aangenomen, nog de beschikking over een mes, maar hij kwam op dat moment niet op verdachte af, hij stond. [slachtoffer] was alleen. Verdachte was met minimaal twee andere personen, van wie één de bijl van [getuige 12, broer van slachtoffer] had opgepakt, en hij was het slachtoffer genaderd. Verdachte had een pistool gepakt. Verdachte had zich naar het oordeel van het hof op dat moment kunnen en ook moeten onttrekken aan het (verdere) dreigende gevaar van aanranding van zijn lijf door [slachtoffer] (aannemende dat die dreiging er nog was). Daartoe bestond ook een reële en redelijke mogelijkheid. In de gegeven omstandigheden kon van verdachte ook worden gevergd dat hij zich onttrok aan een dreigend gevaar voor aanranding. De situatie was niet zodanig dat onttrekken geen reëel alternatief was. In plaats van met zijn medeclubleden de aftocht te blazen heeft hij er voor gekozen tien keer te schieten op het slachtoffer.
Het verweer wordt verworpen.
Ad 2) noodweerexces
Het hof stelt het volgende voorop.
Noodweerexces kan in beeld komen bij een “overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging”, dus wanneer aan alle eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest.
Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien (intensief noodweerexces);
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding (extensief noodweerexces).
Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het onmiddellijk gevolg moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde “onmiddellijk gevolg”, kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.
Het hof overweegt als volgt.
Ad a, intensief noodweerexces:
Zoals het hof hiervoor heeft overwogen was er op het moment dat verdachte zijn wapen ter hand had genomen en schoot op [slachtoffer] geen noodzaak tot verdediging. Daarom kan het beroep op noodweerexces op deze grond niet slagen.
Ad b, extensief noodweerexces:
Het hof neemt aan dat op het moment dat verdachte werd geslagen door [slachtoffer en zijn broer] met een mes en een bijl er nog een noodzaak tot verdediging bestond. Die noodzaak bestond op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden daarna evenwel niet meer. Het hof acht het niet aannemelijk dat de gedraging van verdachte, het schieten op [slachtoffer] , het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging, die van doorslaggevend belang is geweest bij het schieten, veroorzaakt door de daaraan voorafgaande aanranding door [slachtoffer en zijn broer] .
Naar de uiterlijke verschijningsvorm bezien heeft verdachte, ondanks dat hij twee ernstige verwondingen had opgelopen aan zijn hoofd, zijn pistool ter hand genomen, doorgeladen en een serie van tien kogels op [slachtoffer] afgeschoten. Na afloop heeft verdachte zich, vergezeld van zijn begeleiders, op rustige en normale wijze richting zijn auto begeven (meerdere getuigen hebben hierover verklaard), is een kledingstuk om zijn hoofd gewikkeld, is onderweg het wapen weggegooid en heeft de bestuurder van de Mini verdachte bij de spoedeisende hulp afgezet waar verdachte zelfstandig naar toe is gelopen. Hij heeft zich vervolgens gedurende lange tijd op zijn zwijgrecht beroepen. Het hof acht op grond van het dossier derhalve niet aannemelijk geworden dat voor verdachte paniek en/of angst in de zin van een hevige gemoedsbeweging doorslaggevend is geweest bij de keuze om te schieten.
Het verweer wordt verworpen.
Ad 3) putatief noodweer en ad 4) putatief noodweerexces
Het hof stelt het volgende voorop.
Van putatief noodweer of putatief noodweerexces kan gesproken worden indien sprake is van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Daarbij gaat het om hetgeen de gemiddelde persoon in de gegeven omstandigheden zal hebben ervaren, niet om de puur subjectieve beleving van de verdachte ten tijde van het gebeuren. Ook voor derden moet in de gegeven omstandigheden de onmiddellijke dreiging van een aanranding aannemelijk zijn geweest.
Het hof overweegt dat uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat er - anders dan de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd - geen sprake is geweest van twee schietmomenten. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen, te weten dat in de beleving van verdachte op het moment dat (volgens verdachte) [slachtoffer] naar het mes kroop en wilde pakken, sprake was van een overlevingsdrang, omdat hij meende opnieuw te worden aangerand, wordt uitgesloten door de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden. Het hof acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden. Derhalve mocht noch kon verdachte menen dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding vanuit [slachtoffer] op het moment dat hij ervoor koos om zijn wapen te pakken, het door te laden en op [slachtoffer] te schieten.
Het verweer wordt verworpen.
Concluderend: het verweer van de verdediging wordt in al zijn onderdelen verworpen. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten of de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De feiten zijn strafbaar en verdachte is strafbaar voor het bewezen verklaarde.
Het onder 1. (impliciet subsidiair) bewezen verklaarde levert op:
doodslag.
Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Op te leggen straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ten aanzien van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft op klaarlichte dag op een parkeerterrein bij een winkelcentrum een tiental patronen afgeschoten op [slachtoffer] , die daardoor is overleden. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan doodslag. De verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. Aan de nabestaanden is door verdachtes handelen onherstelbaar leed en verdriet toegebracht, zo blijkt ook uit de slachtofferverklaring van de moeder van [slachtoffer] , die zij ter terechtzitting in hoger beroep heeft voorgedragen: de datum 3 april 2015 staat in het geheugen van de nabestaanden gegrift en er gaat geen dag voorbij dat ze niet aan die traumatische dag denken. Het zoontje van het slachtoffer zal zonder zijn vader opgroeien.
Het opzettelijk iemand van het leven beroven behoort tot de zwaarste categorie feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. Zo’n misdrijf is zeer schokkend voor de rechtsorde. Het brengt bij burgers gevoelens van angst onveiligheid teweeg, in het bijzonder nu de verdachte schoten heeft gelost op de openbare weg nabij een winkelcentrum, terwijl er zich op dat moment veel winkelend en werkend publiek in de onmiddellijke nabijheid van de schietpartij bevond.
Daarnaast heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte een pistool voorhanden heeft gehad, een vuurwapen geschikt dan wel bestemd tot het doden van personen, waardoor een risico voor de algemene veiligheid van personen is veroorzaakt. Het hof constateert dat het genoemde risico zich in deze zaak heeft gerealiseerd. Het illegale bezit van vuurwapens en munitie vormt vanwege de daaraan verbonden gevaarzetting een maatschappelijk kwaad dat streng dient te worden bestraft.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 maart 2017, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten, aan geweld gerelateerde delicten en verboden wapenbezit.
Het nemen van het leven van een ander kan niet anders worden bestraft dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft het hof het doorgaans door dit hof gehanteerde uitgangspunt voor straftoemeting ingeval van doodslag in ogenschouw genomen. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft het hof in matigende zin rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte ook zelf flink gewond is geraakt bij het eerdere treffen met het slachtoffer en diens broer.
Alles afwegende komt het hof tot het oordeel dat oplegging van de door de advocaat-generaal gevorderde en door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.
Vordering van de benadeelde partij [nabestaande van slachtoffer]
De benadeelde partij [nabestaande van slachtoffer] , heeft in eerste aanleg een vordering ingediend, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van in totaal
€ 6.274,43, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering van de benadeelde partij [nabestaande van slachtoffer] bestaat uit kosten voor de uitvaart van [slachtoffer] (€ 4312,43, nota d.d. 16 juni 2015) en kosten voor het grafmonument (€ 1.962,-, nota d.d. 4 juni 2016). De vordering is bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [nabestaande van slachtoffer] als gevolg van verdachtes (onder 1.) bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die hij door het strafbare feit heeft toegebracht. Hij is derhalve tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zijn geheel toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1. (impliciet) primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. (impliciet) subsidiair en 2. ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [nabestaande van slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande van slachtoffer] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.274,43 (zesduizend tweehonderdvierenzeventig euro en drieënveertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente voor wat betreft het bedrag van € 4312,43 vanaf 16 juni 2015 en voor wat betreft het bedrag € 1.962,- vanaf 4 juni 2016, tot aan de dag der algehele voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [nabestaande van slachtoffer] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.274,43 (zesduizend tweehonderdvierenzeventig euro en drieënveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 66 (zesenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente voor wat betreft het bedrag van € 4312,43 vanaf 16 juni 2015 en voor wat betreft het bedrag € 1.962,- vanaf 4 juni 2016, tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Aldus gewezen door
mr. P.J. Hödl, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. J.J.M. Gielen-Winkster, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R. Dieleman, griffier,
en op 23 mei 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.