GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
Uitspraak: 29 juni 2017
Zaaknummers: 200.214.809/01 en 200.214.809/02
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/290500 / FA RK 15-1001_2
in de zaken in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. F.J.V.H. Stoffels,
tegen
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S. van Reeven-Özer.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] .
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 16 februari 2017 inzake hoofdverblijf, ouderlijk gezag en zorgregeling betreffende de minderjarige dochter van partijen [de minderjarige] .
2. Het geding in hoger beroep
De vader is op 28 april 2017 in hoger beroep gekomen tegen voormelde beschikking. Tevens heeft hij verzocht om schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Uit zijn appelschrift blijkt voorts dat de vader het hof heeft verzocht om verwijzing van zijn appel naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, alwaar reeds voorligt:
Namens de moeder heeft haar advocaat zich bij brief van 12 mei 2017 tegen het verwijzingsverzoek van de vader verzet.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de V6 formulieren van de zijde van de advocaat van de moeder van 31 mei 2017 en de advocaat van de vader van 1 juni 2017.
Partijen hebben het hof schriftelijk medegedeeld dat inzake het verwijzingsverzoek een mondelinge behandeling achterwege kan blijven.
Zoals bepaald in artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie kan het gerechtshof een zaak ter verdere behandeling verwijzen naar een ander gerechtshof, indien naar zijn oordeel door betrokkenheid van het gerechtshof behandeling van die zaak door een ander gerechtshof gewenst is. Het hof is van oordeel dat het verwijzingsverzoek van de vader dient te worden afgewezen. Weliswaar behelst het thans door de vader ingestelde beroep en daarmee samenhangende schorsingsverzoek deels dezelfde geschilpunten als die welke ook eerder aan het hof Arnhem-Leeuwarden zijn voorgelegd, maar het hof ziet in hetgeen is aangevoerd geen reden tot verwijzing van de onderhavige zaken naar het hof Arnhem-Leeuwarden.
3. De beslissing
Het hof:
wijst het verzoek tot verwijzing naar hof Arnhem-Leeuwarden af;
bepaalt dat de vader de volledige processtukken van de eerste aanleg uiterlijk op 21 juli 2017 aan het hof en de moeder dient over te leggen;
bepaalt voorts dat de moeder uiterlijk tot 8 augustus 2017 de gelegenheid heeft een verweerschrift zowel in de hoofdzaak als in het schorsingsincident in te dienen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, P.M.M. Mostermans en J.C.E. Ackermans-Wijn en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.