ECLI:NL:GHSHE:2017:3990

ECLI:NL:GHSHE:2017:3990, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15-09-2017, 20-000485-15

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 15-09-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20-000485-15
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBLIM:2015:999
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2019:780
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 3 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0005289

Samenvatting

Gekwalificeerde doodslag te Weert, art. 288 Sr. De verdachte heeft eerst ontkennende verklaringen afgelegd, vervolgens bekend en toen weer ontkend. Het hof heeft kennis genomen van het rapport van prof. dr. R. Horselenberg, rechtspsycholoog, die concludeert dat er meer steun is voor het scenario dat de bekentenissen van de verdachte onjuist dan voor het scenario dat ze juist zijn. Het hof volgt deze conclusie evenwel niet en bezigt de bekennende verklaringen van de verdachte tot het bewijs, nu het van oordeel is dat er geen sprake is van valse bekentenissen. Dat het hof uitgaat van de bekennende verklaringen van de verdachte, hangt in het bijzonder ook samen met het feit dat deze verklaringen steun vinden in de overige door het hof gebruikte bewijsmiddelen. Evenals de rechtbank acht het hof het passend en geboden aan de verdachte de straf op te leggen zoals die is gevorderd door het openbaar ministerie, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 jaren, met aftrek van het voorarrest.

Uitspraak

32. Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris te

’s-Hertogenbosch, opgemaakt d.d. 11 april 2016, los opgenomen in het dossier, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige] :

Ik ben christen. Ik had contact gezocht met [instelling] omdat ik wat wilde betekenen voor drank- en drugsverslaafden. Men heeft mij toen gevraagd in [instelling] ( [adres] ) mijn werk te gaan doen. Ik ben daar nu iedere week op woensdag en op zondag; eens in de maand preek ik in de kerkdienst als voorganger.

Als ik daar op woensdag kom, heb ik gesprekken met de jongens. Als er nieuwe jongens binnen zijn, dan vraag ik of ze behoefte hebben aan een gesprek. Ik heb een gesprek van drie kwartier met die jongens. Dan vraag ik naar de reden waarom ze verslaafd zijn

geraakt en vraag ik naar hun achtergrond. In 2013 was ik zeker al twee jaar aan het werk.

Ik heb tijdens mijn verhoor bij de politie destijds verteld dat ik bij [verdachte] was en dat hij tegen mij zei dat hij met een groot probleem zat, wat hij gedaan had. Ik maak dat best veel mee, de jongens vertellen over inbraken.

Ik heb best een vertrouwensband met de jongens daar met wie ik spreek. Hij zei dat hij met iets zat. Ik ga dan beslist wel heel ver. Ik zei op een gegeven moment, die vraag stel ik wel meer jongens: heb je er een vermoord dan? Toen zei hij ja. Ik heb er niet met hem over gesproken wat de reden was van wat hij gedaan had. Hij maakte zich het meest druk over dat hij die persoon vervolgens had achtergelaten. Normaal praat ik met niemand over wat ik van de jongens in de vertrouwelijkheid van ons gesprek hoor, maar wat ik nu hoorde was daarvoor te zwaar. Ik heb dat aan [getuige] verteld, hij is daarmee verder gegaan. De reden dat ik het tegen [getuige] heb gezegd, als iemand zo’n daad gedaan heeft, dan moet ik daar ook wettelijk iets mee, ik mag dat niet vasthouden. Een levensdelict kan en mag je niet verzwijgen. In dat kader heb ik het aan mijn meerdere, [getuige] , verteld.

33. Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris te

’s-Hertogenbosch, opgemaakt d.d. 13 juli 2016, los opgenomen in het dossier, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige] :

U vraagt mij wat ik weet over [verdachte] . Toen ik in 2013 op [instelling] in [adres] zat, was ik naast bewoner alfa-begeleider. Mijn taak bestond eruit met mensen die net waren aangekomen en die voor twee weken op de alfa-afdeling waren geplaatst te praten en om te gaan. Zo kwam ook [verdachte] bij mij op de afdeling.

Ik had nog nooit iemand meegemaakt die zoveel berouw had als [verdachte] . Hij kon in de groep vrijwel niet spreken omdat hij voortdurend naar mijn indruk als een gebroken man erbij zat en in tranen was. Dat was op de eerste dag dat ik kennis maakte met hem. Ik heb toen aangeboden voor hem te bidden. Dat heb ik toen ook gedaan. In de dagen dat hij er is geweest, heb ik drie keer voor hem gebeden. Twee keer in de kapel en een keer in het bos. Hij was daar bij. In het bos heeft hij zelf ook gebeden. We zijn daarbij op een klimrek dat in het bos stond omhoog geklommen. Toen wij met zijn tweeën boven in dat klimrek zaten, hebben wij een gesprek gevoerd, heb ik voor hem gebeden en heeft hij zelf gebeden. In zijn gebed zei hij ‘vergeef mij voor het vermoorden’ of dergelijke woorden. Hij was continu aan het huilen en zei mij dat hij gruwelijke dingen had aangedaan. Ik weet niet precies meer wat hij verteld heeft. Ik weet wel dat ik bedacht dat ik daarvoor hulp moest vragen. Dat heb ik toen gedaan bij [getuige] .

Het is zo dat [verdachte] , toen hij vertelde dat hij iemand had vermoord, reuze aan het huilen was of aan het snotteren was. Ik weet dan ook niet precies meer welke woorden hij heeft gebruikt, maar wel is het zo dat wat hij mij vertelde reden was om naar [getuige] te gaan en hem in te lichten.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat hij zal worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging, bij gebrek aan voldoende bewijs. Daartoe is het volgende aangevoerd.

De verdachte stelt onschuldig te zijn. De rechtbank heeft zijn bekentenis, die vals is, ten onrechte als waarachtig en geloofwaardig aangemerkt. Mede gelet op de inhoud van het rapport van rechtspsycholoog R. Horselenberg zijn de bekennende verklaringen van de verdachte niet bruikbaar voor het bewijs. Er zijn teveel dingen die niet kloppen.

De overige onderzoeksresultaten, op zichzelf bezien, zijn onvoldoende voor een veroordeling, aldus de raadsman.

De raadsman heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat het slachtoffer [slachtoffer] op 9 januari 2013 op een tijdstip vóór 17.02.07 uur is doodgeschoten. Het tijdstip van overlijden kan niet, dan wel met volstrekt onvoldoende mate van precisie worden vastgesteld. Daardoor hebben de andere onderzoeksbevindingen geen redengevende betekenis, zo stelt de raadsman.

Het gegeven dat uit het politieonderzoek blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer] tussen 17.02 uur en 17.08 uur zes gemiste oproepen heeft, bewijst niet dat hij op dat moment al dood was. De omstandigheid dat de getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op

9 januari 2013 omstreeks 18.30 uur bij de JOP was en het slachtoffer toen niet heeft zien liggen, duidt erop dat daar op dat moment nog geen stoffelijk overschot aanwezig was. Voor zover het hof bij zijn beraadslagingen onverhoopt tot het oordeel zou komen dat het lichaam van het slachtoffer in de JOP aanwezig was terwijl de getuige [getuige] daar ook was, heeft de verdediging bij pleidooi (voorwaardelijk) verzocht om een reconstructie in de JOP met de getuige [getuige] , om vast te stellen of hij het lichaam destijds had kunnen en/of moeten zien.

De verdachte ontkent op 9 januari 2013 op de plaats delict te zijn geweest. Het tegendeel wordt niet bewezen door de bewijsmiddelen die de rechtbank daartoe heeft gebruikt, te weten een schoenspoor, een dopje van een parfumfles en de resultaten van het onderzoek telecommunicatie. Wat betreft de schoensporen stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet vaststaat dat de schoensporen op de plaats delict zijn veroorzaakt door schoenen van het merk Converse, dat deze zijn veroorzaakt door de Converse schoenen van de verdachte, laat staan dat deze sporen zijn ontstaan op de pleegdatum. De verklaringen die de getuige c.q. medeverdachte [getuige 2] over de schoenen en het schoonmaken daarvan heeft afgelegd zijn niet geloofwaardig, aangezien hij daarover nogal wisselend heeft verklaard.

De verdachte ontkent dat hij voorafgaand aan het delict heeft beschikt over een vuurwapen. Ten aanzien van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , die daarover hebben verklaard, is behoedzaamheid geboden. Deze getuigen waren destijds verslaafd aan harddrugs, kennen elkaar goed en kunnen hun verklaren op elkaar hebben afgestemd. Bovendien bevatten de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] tegenstrijdigheden op cruciale onderdelen; zij spreken zowel zichzelf als elkaar tegen in de diverse verklaringen die zij hebben afgelegd. Zo verklaart [getuige 1] eerst dat verdachte het pistool opborg in een leren bruine tas en vervolgens dat hij dat deed in een plastic Albert Heijn tas. [getuige 2] heeft het in dit verband over een tas die verdachte altijd bij zich droeg; pas tijdens zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris spreekt hij over een plastic tas. Wat betreft de schietsporen in de tas van verdachte is er volgens de raadsman geen bewijs dat die sporen in relatie staan tot het onderhavige delict.

Ook met de verklaringen van de getuigen [getuige] , [getuige] en [getuige] moet behoedzaam worden omgegaan, nu het om verslaafde mannen gaat. Zij hebben verklaard dat verdachte tijdens zijn verblijf in [instelling] in 2013 zou hebben gezegd dat hij iemand heeft vermoord. De verdachte betwist evenwel dat hij tegenover hen een dergelijke uitlating zou hebben gedaan. De verklaringen van genoemde getuigen zijn onvoldoende specifiek en ook daarom niet bruikbaar voor het bewijs, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Betrouwbaarheid verklaringen verdachte

Het hof heeft kennis genomen van het rapport van prof. dr. R. Horselenberg, rechtspsycholoog, d.d. 27 maart 2017 verbonden aan The Maastricht Forensic Institute (hierna: TMFI). De uiteindelijke conclusie is:

‘De omstandigheden tijdens de verhoren in 2014 geven meer aanleiding wijzen meer op een gebrek aan validiteit van de bekennende verklaringen van [verdachte] dan de ook al niet zo gunstige omstandigheden in 2013. Het gehele proces in aanloop tot zijn verklaringen zijn dusdanig ongunstig dat dat leidt tot meer steun aan het scenario dat de bekentenissen van [verdachte] onjuist zijn dan aan het scenario dat ze juist zijn’.

Zoals uit de bovenstaande weergave van de bewijsmiddelen blijkt, zijn door het hof wel de bekennende verklaringen van [verdachte] tot het bewijs gebezigd. Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van valse bekentenissen. Daarbij spelen de volgende overwegingen een rol.

In 2013 is [verdachte] zestien keer verhoord en heeft hij enkele maanden in voorlopige hechtenis verbleven. In deze verklaringen heeft [verdachte] ontkend [slachtoffer] om het leven te hebben gebracht. Op 1 februari 2014 meldde [verdachte] zich bij de politie. Hij is toen direct op 1 februari kort gehoord en daarna nog driemaal verhoord in een bestek van enkele dagen. In drie van deze verhoren heeft hij een bekennende verklaring afgelegd. Op 31 maart 2014 ontkent hij wederom de moord gepleegd te hebben.

Op 1 februari 2014 meldt de verdachte zich bij de politie en legt onmiddellijk een verklaring af, onder andere inhoudend:

‘Hij is door mij om het leven gekomen. Ik heb hem met een pistoolschot gedood. Dat schot is van mij afkomstig. (…) Na de moord heb ik het pistool weg gegooid, volgens mij kwam het aan de overkant van de vijver terecht.’

In de literatuur omtrent valse bekentenissen wordt bij de totstandkoming van valse verklaringen een belangrijke betekenis toegekend aan druk die uitgaat van de verhoorsituatie. Zo betoogt prof. mr. E. Rassin in Trema in een artikel waarin een overzicht wordt gegeven van het wetenschappelijk onderzoek naar valse bekentenissen dat (sociale) druk die wordt uitgeoefend tijdens het politieverhoor een rol speelt bij het ontstaan van valse bekentenissen (Trema, juni 2013, p. 203). Uit dit artikel komt naar voren dat verhoortechnieken, zoals het doen van beloftes of het minimaliseren van de feiten, tot gevolg heeft dat het aantal valse bekentenissen stijgt (Trema, juni 2013, p. 205).

In 2013 is er sprake geweest van het veelvuldig verhoren over een langere periode. Het kan niet anders zijn dan dat er alleen al door het aantal verhoren door de verdachte daarbij een druk is ervaren. Dit heeft er echter niet toe geleid dat verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd met betrekking tot de dood van [slachtoffer] . De verdachte werd op 3 juni 2013 in vrijheid gesteld.

Op 1 februari 2014 wendt de verdachte zich tot de politie en legt onmiddellijk een bekentenis af. Druk van de zijde van de verhoorders kan daarbij volgens het hof dus geen rol hebben gespeeld. Ook kan daarbij geen rol hebben gespeeld het al dan niet voorhouden van aanwezig bewijsmateriaal, of de wijze van vraagstelling, dan wel andere verhoortechnieken. Wat niet in de overwegingen van de deskundige Horselenberg wordt meegenomen maar wat zich wel kan voordoen, is het feit dat een persoon niet kan leven met hetgeen er is voorgevallen en zich daarom tot de politie wendt om schoon schip te maken.

Het zich tot de politie wenden om een verklaring af te leggen omdat de betrokkene niet meer kan leven de dood van een ander op zijn geweten, is niet uniek en komt vaker voor in zeer ernstige strafzaken. Het hof heeft daarom geen reden om te twijfelen aan de verklaring die de verdachte ‘spontaan’ en duidelijk en ondubbelzinnig tegenover de politie aflegt, nu dit optreden daar het gevolg van kan zijn geweest, te meer nu verdachte in de daarop volgende dagen de bekentenis heeft herhaald.

Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking. In 2013 was de verdachte opgenomen in [instelling] . [instelling] is een laagdrempelige en christelijke woon- en leefgemeenschap in [adres] en is een locatie van ggz-instelling [instelling] . De verdachte is eind januari 2013 bij [instelling] gekomen. Vanuit deze leefgemeenschap heeft een tweetal personen onafhankelijk van elkaar contact opgenomen met de leiding van de leefgemeenschap in verband met uitlatingen die door de verdachte zijn gedaan. De eerste persoon die hierover heeft verklaard is [getuige] . Hij is een gepensioneerd ondernemer die als vrijwilliger naar [instelling] gaat om contact te leggen met de bewoners. [getuige] is onder ede door de raadsheer-commissaris gehoord, waarbij hij zijn eerdere verklaring bij de politie bevestigde, zijnde dat hij van [verdachte] had gehoord dat hij een groot probleem had, dat hij iemand had vermoord en hij die persoon had achtergelaten. De getuige [getuige] bracht naar voren dat hij normaal de vertrouwelijkheid van de bewoners niet wilde schenden, maar dat hij dit zodanig ernstig vond dat hij dit gemeld had aan de heer [getuige] . De tweede getuige die hierover bij de politie heeft verklaard is [getuige] . Onder ede is deze verklaring bij de raadsheer-commissaris bevestigd en heeft hij verklaard dat [verdachte] vertelde dat hij iemand had vermoord en daarbij reuze aan het huilen of aan het snotteren was.

Naar het oordeel van het hof zijn deze twee verklaringen om tweeërlei redenen van belang. Uit deze verklaringen komt naar voren dat de verdachte worstelde met het feit dat hij een moord had gepleegd. Het zich een jaar later tot de politie wenden om van deze last bevrijd te zijn, past binnen deze gewetensnood. Ten tweede zijn deze verklaringen van belang omdat hieruit naar voren komt dat verdachte niet alleen jegens de politie, maar ook jegens anderen een levensdelict heeft erkend.

Dat een verdachte na bekentenissen te hebben afgelegd weer ontkent, is ook geen onbekend gegeven. Een ander aspect waarom het hof geen acht slaat op de ontkennende verklaringen van verdachte is het feit dat hij stelt in de namiddag van de dag waarop [slachtoffer] is overleden een persoon te hebben ontmoet, dan wel met een of meer personen een afspraak te hebben gehad, maar vervolgens de naam of namen van die persoon of personen niet wil noemen. Het gaat daarbij om de cruciale tijd waarin het slachtoffer om het leven is gekomen en om de cruciale vraag of de wegen van de verdachte en [slachtoffer] zich hebben gescheiden voor het overlijden van [slachtoffer] . Het hof gaat ervan uit dat wanneer de verdachte daadwerkelijk onschuldig zou zijn hij deze gegevens – die hem immers een alibi zouden kunnen verschaffen – aan het hof zou meedelen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de betrokkene er niets mee te maken heeft dan wel dat hij die persoon of personen niet in moeilijkheden wil brengen. Dit antwoord overtuigt het hof niet. Het hof ziet niet in hoe de enkele vraag aan de betrokkene(n) of zij de verdachte die middag hebben getroffen, deze persoon of personen in moeilijkheden zouden kunnen brengen. Ook het feit dat de betrokkene(n) niets met deze zaak te maken hebben overtuigt niet als verklaring van het niet willen noemen van de namen, maar zou eerder een reden zijn om dat juist wel te doen. Het hof is dan ook van oordeel dat de persoon of personen die verdachte getroffen zou hebben, dan wel waarmee hij een afspraak had, niet bestaan. Er ligt een aanklacht van een levensdelict jegens verdachte, het hof gaat ervan uit dat onder die omstandigheden, wanneer de verdachte daadwerkelijk onschuldig zou zijn, hij op dit punt openheid van zaken zou geven. Het deskundigenrapport betrekt dit punt naar het oordeel van het hof ten onrechte niet in de beoordeling.

In de algehele conclusie van de deskundige is het volgende opgenomen:

‘In zijn bekennende verklaringen ging [verdachte] steeds dichter naar het verhaal van de politie. De verhoorders moedigen hem daar ook toe aan door hem veelvuldig feedback te geven op de inhoud van zijn verklaringen. Hetgeen hij uiteindelijk inhoudelijk verklaarde, is waarschijnlijk tot stand gekomen op basis van die feedback, in combinatie met informatie uit het dossier, dat [verdachte] zowel in 2013 als in 2014 tot zijn beschikking had. Alle informatie die [verdachte] in zijn bekennende verklaringen gaf, kan op andere plaatsen – het dossier of de verhoren – worden teruggevonden.’

Het hof deelt deze conclusie met betrekking tot de bekennende verklaringen niet en wijst daarbij bijvoorbeeld op het volgende onderdeel.

In de bekennende verklaringen van verdachte wordt gesproken over het weggooien van een tas en van een wapen, hetgeen een aantal malen terugkomt; het ene zou links, het ander rechts zijn weggegooid en allebei in het water.

Op p. 330 van deeldossier A staat hierover:

‘Aan [verdachte] wordt een foto van een luchtopname getoond met daarop de diverse vijvers gelegen langs het looppad waarover [verdachte] zou zijn weggelopen.

[verdachte] tekent vervolgens in dat hij in het water aan de rechterzijde van het pad het wapen heeft weggegooid. [verdachte] zegt verder: Hier ligt ook water (…), maar als je dan verder loopt heb je aan de linkerkant ook water meen ik. Dat weet ik zeker. Aan de linkerkant moet ook water zijn. En daar heb ik die tas gegooid. (…)

En hier zo vooraan vrij vooraan heb ik het wapen gegooid. Ik wilde het in de plomp gooien maar het kwam op de kant. Ik wilde teruglopen maar was bang dat iemand het zag, dus ik dacht, nee, loop maar door. Ik had die tas ook nog in mijn hand en daar zat allemaal rotzooi in. Ik heb ook nog handschoenen weggegooid. Die zaten in de tas. Die heb ik ook weg gegooid. (…)

En toen had ik die tas van [slachtoffer] en die heb ik daar weggegooid aan de linkse kant in het water.

V: In welke volgorde heb je de spullen weggegooid. Weet je dat nog?

A: Ja, eerst het wapen en toen de handschoenen. Die heb ik in elk geval aan de rechter kant weggegooid. Die zaten in de tas. Die heb ik ook weggegooid.

En toen had ik die tas van [slachtoffer] en die heb ik daar weggegooid aan de linkse kant van het water.

V: In welke volgorde heb je de spullen weggegooid. Weet je dat nog?

A: Ja eerst het wapen en toen de handschoenen. Die heb ik in elk geval aan de rechterkant weggegooid. Eén is volgens mij in het water terecht gekomen. Ik weet het niet meer. Die heb ik dezelfde kant uitgegooid als het wapen maar dan misschien ietsjes verder op. Daarna heb ik de tas weggegooid in elk geval aan de linkerkant. Daar moet ook ergens een vijvertje zijn of een water. Daar heb ik die tas zo in geflikkerd.

V: Daar waar ik de tas weg heb gegooid was aan twee kanten water. Zeg ik dat zo goed?

A: Dat weet ik niet meer zeker maar links was in elk geval water en daar heb ik die tas gegooid. Dat weet ik zeker. Aan de linkse kant. Niet aan de rechterkant waar ik dat wapen en die handschoenen heb gegooid.

V: Ik heb hier nog een klein stukje uitvergroot voor me liggen, maar dan van een andere hoek uit.

Opmerking verbalisant: [verdachte] kijkt mee op de luchtopname en zegt: Aan de linkse kant moet ook water zijn. Als je hier loopt moet er aan de linkerkant ook water zijn. Dat weet ik zeker. Vooraan heb ik dat wapen gegooid maar verderop aan de linker ook zo’n slootje of zo waar water was. Of ben ik nu gek aan het worden. Nee dat weet ik zeker. Aan de linkerkant moet je ook water hebben.’

Het verhoor gaat verder over andere kwesties maar komt later terug op het weggooien van de goederen, op p. 334 van deeldossier A:

‘V: Ik heb nog een luchtfoto. We zijn aan het kijken of we de plek kunnen zien waar aan twee kanten water is. Maar dat kunnen we op deze foto niet zien.

(Opmerking verbalisant: [verdachte] kijkt mee op de foto.)

A: Ik ben echt in de veronderstelling [naam] , dat ik aan de linkse kant die tas heb gegooid en aan de rechterkant het wapen.

Het kan niet zijn, dat ik zeg maar zo of is hier nog een pad tussen het waar daar en? Als ik van het Job af kom ligt aan de rechtse kant water waar ik het wapen heb gegooid, niet direct aan het begin, maar verder door, daar is aan de linkerkant ook water.

V: Dat is op deze kaarten niet te zien.

A: Dat weet ik zeker dat daar water is. Daar heb ik hem ingegooid. Jawel, weet ik zeker. Ik ben toch niet gek.

V: Ben je het wapen ooit gaan zoeken?

Nee, Ik zeg toch, toen ik het wapen gooide en aan de kant kwam wou ik eigenlijk, [naam] , terug, maar omdat ik dan helemaal terug moest lopen, dacht ik nee laat maar, ik loop door. Want voor hetzelfde geld, het was schemerig dit en dat, mensen kunnen je zien of wat dan ook, ben ik door gelopen. De afstand was niet zo groot, dus in paniek gooide ik het wapen weg, Ik dacht die komt in die plomp, maar hij kwam aan de zijkant. Maar als ik hier zo dinge, moest ik helemaal terug lopen. Maar hier moet ook water zijn. Hier zo.

Opmerking verbalisant: [verdachte] wijst op een luchtopname naar een gebied aan het einde van de drie driehoekige vijvers. Hij is er stellig van overtuigd dat daar aan de linkerkant ook water moet zijn.

[verdachte] wijst aan en zegt:

A: Hier zo, hier moet aan de linkerkant ook water hebben gestaan. Maar jullie kunnen toch na kijken waar jullie die tas hebben gevonden.

V: Ja daar zijn foto’s van maar die moeten we nog nakijken.

A: Ja moet aan de linkse kant gevonden zijn. Of ik moet me zo vergissen dat ik die ook aan de rechtse kant heb gegooid. Nee. Ik heb die aan de linkse kant gegooid.’

Uit deze verklaring van verdachte komt niet naar voren dat hij gesouffleerd wordt door de verbalisanten of uit eerdere kennis uit het dossier citeert. Hij vraagt nog aan de verbalisanten om het na te kijken waar de tas gevonden is. De verbalisanten merken op dat de bekeken luchtfoto’s zich niet eerder in het dossier hebben bevonden. Wanneer de verbalisant samenvat dat er dus aan beide kanten water was, wordt dat door de verdachte niet beaamd. Hij stelt: ‘ik weet zeker, dat er links water was.’

Uit een opmerking van de verbalisanten in het proces-verbaal blijkt dat het inderdaad klopt wat de verdachte naar voren brengt. Er wordt namelijk opgemerkt dat als het pad eerst gevolgd wordt aan de linkerzijde van de drie driehoekige vijvergedeelten, het pad daarna over een duiker verder loopt en zich vervolgens vervolgd aan de rechterzijde van het water. Het water bevindt zich dan dus links van de verdachte, gezien zijn looprichting.

Met betrekking tot het rapport merkt het hof het volgende op:

In het rapport van Horselenberg wordt niet alleen een oordeel gegeven over de verklaringen van verdachte, maar wordt ook een oordeel gegeven over het optreden van de politie en de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Niet alleen strekt de vraagstelling zoals deze aan de deskundige is gesteld, zich daar niet toe uit, de expertise van de deskundige ligt ook niet op het vlak van de beoordeling van deze bewijsmiddelen of het al dan niet juist functioneren van de politiefunctionarissen. Het lijkt erop dat de deskundige zich gaandeweg het rapport meer tot zijn taak heeft gezien aan te tonen dat de politie in het onderzoek van deze zaak broddelwerk heeft verricht, dan zich te concentreren op de vraagstelling van het gevraagde onderzoek.

Het hof geeft hiervan een – niet uitputtend – overzicht van enkele in het rapport genoemde punten. Hierbij moet in het achterhoofd worden gehouden dat de opdracht van het onderzoek, zoals door de raadsheer-commissaris geformuleerd is: “te rapporteren over de geloofwaardigheid c.q. betrouwbaarheid van de door verdachte afgelegde verklaringen, zowel de bekennende als de ontkennende”.

Door de deskundige Horselenberg wordt kritiek geleverd op het optreden van de politie in 2013. Zoals gezegd de verdachte heeft in 2013 steeds ontkend.

In het rapport staat op p. 20 met betrekking tot de verklaring van de getuige [getuige] het volgende:

‘De politie gaat er van uit dat het verhaal van de getuigen klopt. Het verhoor van [getuige] , de bron van polities kennis over [verdachte] daderschap, verliep echter als volgt:

“V: Wat zei [verdachte] tegen jou toen hij bij je kwam?

A: Hij zei dat hij niet kon bidden. Toen zat hij daar en toen hoorde ik dat in mijn geest. Zo helder als u tegen mij praat.

V: Wat hoorde jij?

A: ‘Hij heeft iemand vermoord.’

V: Is hetgeen jij gehoord hebt eerder besproken in woorden?

A: Met niemand.”

Die verklaring vergt veel additionele vragen die door de politie niet zijn gesteld. Blijkbaar hoorde de getuige stemmen in zijn hoofd en legde [verdachte] niet daadwerkelijk een bekentenis tegen hem af. Dat was voor de politie geen probleem. Ze beoordeelden de getuige zelfs als eerlijk. Dat is wederom een aanwijzing dat de verhoorders ervan overtuigd zijn dat belastende getuigen de waarheid spreken en [verdachte] liegt.’

De getuigenverklaring van [getuige] wordt daarmee enigszins in het belachelijke getrokken en de mening dat de politie toch wel erg dom is om dit te geloven, komt duidelijk naar voren. Echter uit de weergave van het verhoor p. 419 tot 421 (deeldossier B) van [getuige] komt naar voren dat wel degelijk is doorgevraagd en is op p. 420 het volgende opgenomen:

“Toen brak hij en begon te huilen. En dat ik tegen hem zij “Zullen we bidden” en dat hij had beleden. Ik hoorde dat hij zei: “Vader vergeef me dat ik die persoon heb vermoord”. Toen begon hij te huilen en brak hij nog meer. Ik heb hem niet meer vragen daarover gesteld, behalve dat ik daarna met hem heb gebeden.”

Bovendien is de stelling van de deskundige dat verdachte niet daadwerkelijk een bekentenis jegens [getuige] heeft afgelegd gezien bovenstaande tekst, niet juist. Deze verklaring heeft [getuige] bovendien onder ede bij de raadsheer-commissaris bevestigd.

Daarnaast lag er nog de hierboven aangehaalde verklaring van [getuige] , dat verdachte in een gesprek tegenover hem eveneens tijdens het verblijf in [instelling] had meegedeeld dat hij een moord had gepleegd. Een verklaring die eveneens onder ede tegenover de raadsheer-commissaris is herhaald.

Over het optreden van de politie wordt vervolgens op p. 20 van het rapport gezegd:

‘De overtuiging van de verhoorders blijkt ook uit hoe ze omgaan met het andere bewijs in de zaak. Ze presenteren de belastende waarde van het bewijs te stellig. Zo zeggen ze tegen [verdachte] dat collega’s uit Weert hem met 100% zekerheid op camerabeelden hebben herkend. Uit het proces-verbaal van bevindingen van die herkenning blijkt echter een meer genuanceerde formulering:

“Aan collega [naam] werd gevraagd of hij de persoon die in gezelschap was van [slachtoffer] kende. Collega [naam] verklaarde daarop dat hij de persoon die in gezelschap was van [slachtoffer] niet herkende. Na het bekijken van de beelden verklaarde [naam] dat hij wel kon zeggen dat de bedoelde persoon op de beelden vermoedelijk een Aziatisch uiterlijk had en dat hij 1 persoon uit het Weert kende uit de drugscene met een Aziatisch uiterlijk. [naam] noemde daarbij de naam van [verdachte] . [naam] kon echter niet zeggen of de bedoelde persoon op de camerabeelden [verdachte] was omdat hij [verdachte] al bijna een jaar niet meer gezien had en hem ook niet meer goed voor de geest kon halen.”

Ik heb ik zelf de betreffende camerabeelden bekeken en daarbij gezien dat het lastig is om daarop een persoon te herkennen, zelfs als van tevoren een signalement bekend is. De vermeende herkenning van de agenten uit Weert is derhalve eerder gebaseerd op het feit dat [verdachte] de enige bij de politie bekende Aziatische persoon in Weert is, dan op een daadwerkelijke herkenning.’

Waar het echter voor wat betreft het onderzoeksrapport en het beoordelen van de afgelegde verklaringen door de verdachte om gaat, is de vraag of de politie de verdachte door het presenteren van het bewijsmateriaal al dan niet op het verkeerde been heeft gezet en vervolgens de vraag of die wijze van verhoren de verdachte bij het afleggen van zijn verklaringen heeft beïnvloed en al dit al dan niet heeft geleid tot een valse bekentenis. Het is niet de taak van de deskundige om te beoordelen of het koppelen van de beelden aan een persoon al dan niet terecht is en of de wijze waarop dat proces-verbaal wordt voorgehouden aan de verdachte wel op een juiste wijze is geschied nu deze niet overeenkomstig de tekst is van het proces-verbaal.

Het gaat erom dat wordt voorgehouden aan de verdachte dat hij op het station in Venlo op de camerabeelden staat samen met [slachtoffer] . Dit is juist. Uit het gehele procesdossier weet het hof dat die mededeling van de politie juist is geweest. Verdachte heeft samen met [slachtoffer] in Venlo een kaartje gekocht en is naar Weert gereisd. Daar hebben zij samen een taxi genomen. Dit is door de verdachte ook bij de politie verklaard en ter terechtzitting in hoger beroep herhaald.

Ook in de volgende passage gaat de deskundige in op de kwaliteit van het politie onderzoek en de conclusies die de politieambtenaren trekken:

‘De politie had kennelijk geen probleem met de matige kwaliteit van de camerabeelden en meende daarop te zien welke schoenen [verdachte] die dag aanhad. De verhoorders gaan er op basis van de beelden vanuit dat [verdachte] die dag schoenen van het merk Converse aan had. Ze proberen [verdachte] dat te laten toegeven door hem te confronteren met een foto van de zool van zijn Converse schoen. Die zool is echter niet op de camerabeelden te zien. Dat het Converse-schoenen zijn, kan alleen worden afgeleid uit een witte rand op de beelden. De verhoorders gaan daarbij voorbij aan de mogelijkheid dat andere (sport)schoenen ook een dergelijke witte rand hebben.’

Het hof benadrukt nogmaals: het is niet de taak van de deskundige om het politieonderzoek over te doen en zelf te gaan speuren of datgene wat de politie opschrijft wel klopt met hetgeen op de beelden te zien is. Het is niet de bedoeling dat de deskundige al het bewijsmateriaal nog eens onder de loep neemt. Het dient blijkens de opdracht van de raadsheer-commissaris in het rapport te gaan om de beoordeling van de verklaringen van de verdachte.

In de verklaring van de verdachte bij de politie d.d. 28 februari 2013 staat hierover het volgende (p. 69 van deeldossier A).

‘V: [verdachte] , jij hebt ons verklaard dat jij op woensdag 9 januari 2013 schoenen droeg. Wij hebben schoenen bij jou in beslag genomen van het merk Converse. Droeg jij die schoenen op woensdag 9 januari 2013?

A: Ik weet zeker dat die ik die dag die schoenen niet aanhad. U laat mij een foto zien en ik weet niet of dat mijn schoen is. Ik heb zeker schoenen van het merk Converse.

V: Waar zijn jouw Converse schoenen?

A: Weet ik niet. Ik maak gebruik van mijn zwijgrecht. Zoek het maar allemaal uit.

V: Ik deel jou mede dat die schoenen bij jou in beslag genomen zijn? Wat heb jij daarop te zeggen?

A: Als het mijn schoenen zijn dan zijn het mijn schoenen. Ik maak gebruik van mijn zwijgrecht.

V: Jij gaf gisteren aan dat jij een keer van de zomer bent geweest bij de Jongeren opvang plek (JOP), klopt dat?

A: Ik ben het niet geweest bij [slachtoffer] . Ik heb daarop niets toe te voegen. Ik heb niets te doen met de moord van [slachtoffer] . Gisteren heb ik verklaard dat ik maar een keer bij het Job ben geweest. Misschien ben ik er vaker geweest. In bijzin van [naam] en noem maar op. Ik maak gebruik van mijn zwijgrecht. Andere mensen kunnen dat ook bevestigen.

M: Deze schoenen worden op het laboratorium onderzocht. Ook vindt er een vergelijkend schoenspoor onderzoek plaats.

Jij hebt ons ook verklaard dat jij niet meer hebt omgekleed die middag. Jij hebt ons ook verklaard dat je slechts een keer in het Job in Weert bent geweest, alwaar het stoffelijk overschot is gevonden van [slachtoffer] Cremers en dat dit in de zomer was.

Op de plaats waar [slachtoffer] is gevonden heeft uitgebreid sporenonderzoek plaats gevonden. Uit dit onderzoek is vast komen te staan dat zich in het bloedspoor wat zich bij het hoofd van [slachtoffer] bevond een schoenspoor staat afgedrukt

Uit de eerste optische onderzoeken lijkt het hier te gaan om een schoenafdruk gelijkend op de schoenen die jij op dat moment droeg. Ik toon je nu een foto van de onderzijde van jouw schoen. Je kan hierop duidelijk het profiel zien. Ik toon je nu ook een foto van het schoenspoor wat gevonden is in het bloedspoor van [slachtoffer] .

V: Wat kan jij daarop verklaren?

A: Mooi maar het kan niet mijn schoen zijn geweest. Ik ben daar niet geweest. Het kan niet van mij zijn. Ik ben het niet geweest.

V: Jij zegt als deze schoen onderzocht wordt dan is het onmogelijk dat die gelijkend is aan de afdruk gevonden op de plaats waar [slachtoffer] dood aangetroffen werd? Wat heb jij daarop te zeggen?

A: Ik zou niet weten hoe dat kan. Nee dat kan gewoon echt niet.’

De stelling van de onderzoeker is dat de conclusies door de verbalisanten te snel zijn genomen en zij niet zorgvuldig met het bewijs omspringen. Daarom rijst de vraag of de mededeling van de verbalisant met betrekking tot de schoenen juist is geweest. Het hof is van oordeel dat uit het voorhanden zijnde procesdossier inderdaad kan worden afgeleid dat verdachte de betreffende schoenen droeg op de bewuste dag.

Uit het proces-verbaal van verhoor (p. 145 van deeldossier A) komt naar voren dat verdachte een beperkt aantal schoenen bezat.

‘V: Wij tonen jou een foto van 3 paar schoenen. Deze foto wordt als bijlage 8 bij dit proces-verbaal gevoegd. Deze schoenen stonden onder jouw bed. Van wie zijn deze schoenen?

A: Er moet nog een paar schoenen zijn toch? Alle drie de paren zijn van mij.

V: En welke schoenen mis je hier dan op?

A Zwarte bergschoenen. Die stonden onder het bed of in de kast.

V: We laten jou even bijlage 20 zien. In die kast zien we ene paar bergschoenen staan. Bedoel je deze?

A: Ja die bedoel ik. En die hebben jullie ook niet leeggehaald?

V: Welke andere schoenen heb je nog meer?

A: Die ik aan had, maar die hebben ze toch ook? Zwart met groene strepen. Nike airmax of zo.’

Door de verdachte is niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat hij op de betreffende dag een paar schoenen van een andere persoon zou hebben gedragen. De vraag is dus niet of een willekeurig paar sportschoenen er op de camera eveneens zo uitziet, maar of je uitgaande van de vijf paren schoenen die de verdachte had, de conclusie kan trekken dat verdachte deze schoenen droeg, mede in het licht van het overige bewijsmateriaal zoals hierboven aan de orde gekomen.

De vraag of de deskundige vindt dat de politie op basis van het beschikbare materiaal al dan niet een bepaalde conclusie mag trekken, is geen onderdeel van de onderzoeksvraag en bovendien wordt de conclusie naar het oordeel van het hof door de deskundige op bovenstaande gronden ten onrechte getrokken.

Dit geldt ook voor het volgende onderdeel van het rapport. De deskundige (p. 21 van het rapport) heeft het volgende opgenomen:

‘Een ander bewijsmiddel dat de verhoorders wel erg stellig presenteren, zijn de telecomgegevens. Tijdens een confrontatie met de gebeurtenissen van de bewuste middag zeggen ze tegen [verdachte] dat zijn telefoon zich onder de mast van de plaats delict bevond. Daarmee wordt geïmpliceerd dat hij op de plaats delict is geweest. [verdachte] beweert echter dat hij op een andere plaats in Weert was. Uit een plattegrond die het bereik van de verschillende zendmasten rondom de plaats delict weergeeft met cirkels, blijkt dat de plaats delict onder twee verschillende cirkels valt, waarvan één meer dan drie keer zo groot is als de andere vier cirkels op de kaart. Daarnaast blijkt uit een onderzoek dat op de plaats delict via alle op de kaart weergegeven masten een gesprek gevoerd kon worden. De aanstraling, die de politie gebruikt als ondersteuning voor de aanwezigheid van [verdachte] op de plaats delict, lijkt niet aan te duiden waar [verdachte] zich daadwerkelijk bevond. De stelligheid waarmee die bevinding aan [verdachte] wordt gepresenteerd, kan niet worden verantwoord en past niet bij de conclusies in het proces-verbaal van bevindingen van de technische recherche. Daar valt het volgende te lezen:

“Tijdens de door mij gehouden test en uit de opgevraagde verkeersgegevens van deze test is gebleken dat op de plaats delict (A) er via cell id 49712, 12747, 12746 en 12740 een gesprek gevoerd kon worden. Kortom rondom deze plaats delict is sprake van kleine overlappingen van cellen waarover een verbinding ontvangen kan worden of worden opgebouwd.”

Zoals reeds hiervoor opgemerkt: het gaat er in het rapport niet om of de politie wel of niet uit het proces-verbaal bepaalde conclusies mocht trekken, maar om de vraag van de waardering van de verklaringen van [verdachte] . In het kader daarvan kan een rol spelen of de politie de verdachte al dan niet van onjuiste informatie heeft voorzien, of daar onzorgvuldig mee is omgegaan. Vandaar dat op deze passage van de deskundige wordt ingegaan.

Het proces-verbaal onderzoek telecommunicatie ( [verdachte] ), opgenomen op p. 466 en verder van deeldossier C, is veel uitgebreider dan de enkele zinnen die de rapporteur hieruit aanhaalt. Met betrekking tot de plaatsbepaling in relatie tot het gebruik van een mobiele telefoon wordt op p. 466 en 467 het volgende opgemerkt.

“Het signaal van een mobiele telefoon wordt opgevangen door een zendmast. Een zendmast bestaat hoofdzakelijk uit drie antennes. Een antenne wordt Cell id genoemd. Een Cell id bestrijkt over het algemeen een gebied van 120 graden, de drie Cell id’s samen zijn altijd 360 graden. Het gebied dat een Cell id bestrijkt wordt een sector genoemd. De richting van de Cell id is bepalend welk gebied (sector) deze cel lid bedekt. De drukte van het te verwachten telefoonverkeer in een gebied is bepalend hoe groot deze sector is. In een stedelijk gebied is dat vaak enkele honderden meters en in een landelijk gebied enkele kilometers. De zendmasten staan zodanig opgesteld dat de sectoren van de Cell id’s elkaar overlappen zodat er altijd sprake is van een dekking.

Per provider heeft elke Cell id een uniek nummer. De nummers zijn opgeslagen bij het ULI (Unit Landelijke Interceptie) zodat naar aanleiding van een Cell id nummer de plaats van de zendmast bekend is en de richting van de Cell id.“

Er is onderzoek gedaan naar de zendmastgegevens van het GSM-nummer dat destijds werd gebruikt door [verdachte] . Voor zover relevant is hierover het volgende in het dossier opgenomen (p. 468 en verder van deeldossier C):

[verdachte] verplaatste zich nadat hij samen met [slachtoffer] was uitgestapt, te voet. Uit de bijlage bij het proces-verbaal is op p. 482 van deeldossier C een kaart opgenomen waarop is ingetekend onder andere de plaats delict en de plaats waarop verdachte en [slachtoffer] uit de taxi zijn gestapt. Op deze kaart is te zien dat de plaats delict zich bevindt op een plaats die kan worden aangestraald met een Cell id met de nummers 12747, 12746 en 49712.

Uit het bovenstaande komt naar voren dat binnen een tijdsbestek van één minuut (16.06/16.07) de telefoon van verdachte de mast 12746 heeft aangestraald en de mast met Cell id 49712. Op de kaart is tevens te zien dat het gebied waarop de telefoon zowel de mast met Cell id 12746 en 49712 kan hebben aangestraald, maar een beperkt gebied is, waarbinnen de plaats delict valt. Gezien het tijdsbestek tussen beide telefonische contacten kan de verdachte zich in dat korte tijdsbestek en te voet niet over een groot gebied hebben verplaatst. Om 16.32 uur straalt de telefoon de mast met cell id 12746 aan en om 16.39 uur de mast met cell id 12747. De plaats delict valt in het gebied dat door beide masten kan worden aangestraald. Duidelijk is dat de telefoon zich in ieder geval moet bevinden in het grensgebied dat door beide masten wordt bestreken.

De politie houdt de verdachte voor (p. 228 van deeldossier A):

‘De plaats delict. Jij bent bekend met die plek. Jouw telefoon komt onder de mast van de plaats delict voor.’

Uit het bovenstaande kunnen we concluderen dat deze mededeling juist is. De deskundige merkt op dat de verdachte heeft verklaard dat hij op een andere plaats in Weert was (p. 82 van deeldossier A). Uitgaande van de telefoongegevens kan worden geconcludeerd dat hetgeen verdachte daar over verklaart, inderdaad niet te verenigen is met de mastgegevens zoals hierboven vermeld; in het bijzonder is het aanstralen van de mast met cell id 49712 dan niet begrijpelijk. Deze cell idd straalt in het bijzonder het buitengebied aan en voor wat betreft de gemeente Weert, slechts een klein gebied, waarin de plaats delict is gelegen, en niet de plekken waar verdachte op p. 82 zegt te zijn geweest.

Ook hier merkt het hof op dat het beoordelen van de bewijsmiddelen niet een taak is van de deskundige. Ook hier is het hof van oordeel dat het oordeel dat de deskundige hierover velt, niet juist is.

Met betrekking tot het bezigen tot het bewijs van de bekennende verklaringen van verdachte overweegt het hof voorts nog het volgende:

In 2013 heeft de verdachte ontkennende verklaringen afgelegd. Verdachte heeft op de 9de januari 2013 opgetrokken met [slachtoffer] , ze hebben elkaar gesproken, ze hebben met elkaar gereisd, ze hebben samen een taxi genomen.

Wanneer verdachte onschuldig zou zijn geweest, zou het naar het oordeel van het hof in de rede hebben gelegen dat verdachte naar de politie zou zijn gestapt en de politie zou hebben geïnformeerd over het verloop van de dag. Niets is minder waar. De verdachte wordt op 26 februari 2013 aangehouden. Voor die datum heeft hij niet het initiatief genomen om aan de politie mee te delen dat hij degene is geweest die met [slachtoffer] op de dag van zijn overlijden heeft opgetrokken en wanneer hij is aangehouden liegt hij in zijn eerste verklaringen op onderdelen aantoonbaar over de gang van zaken. De deskundige verwijt de politie dat de verdachte is meegedeeld dat hij in zijn verklaringen van 2013 op onderdelen liegt. Maar het is juist dat hij liegt. Wanneer verdachte zegt dat zij op het station in Weert uit elkaar zijn gegaan en achteraf blijkt dat er een gezamenlijke taxirit is geweest, dan is die eerdere verklaring inderdaad gelogen. De opstelling van de verdachte waarbij hij de politie tijdens de verhoren van 2013 herhaaldelijk op het verkeerde been heeft gezet, past niet in het scenario van een onschuldige verdachte. Een onschuldige verdachte zou de politie juist hebben geïnformeerd en hebben meegedeeld wanneer en waar hij het slachtoffer voor het laatst in levende lijve had gezien.

Dat het hof uitgaat van de bekennende verklaring van verdachte, hangt tenslotte in het bijzonder samen met het feit dat deze verklaring steun vindt in de hierboven gegeven bewijsmiddelen.

Ook hetgeen de verdediging overigens heeft aangevoerd ten aanzien van de bekennende verklaringen van de verdachte vormt voor het hof geen reden om deze geheel terzijde te stellen. Het hof bezigt de verklaringen van de verdachte d.d. 1 en 4 februari 2014 voor het bewijs, op de wijze zoals hierboven bij het bewijs is weergegeven.

Het verweer wordt verworpen.

Betrouwbaarheid getuigenverklaringen

Het hof acht de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] voldoende betrouwbaar en bezigt deze tot het bewijs. De verklaringen zijn betrekkelijk kort na 9 januari 2013 afgelegd en stemmen in de kern overeen. Beiden verklaren dat verdachte vóór 8 januari 2013 een pistool aan hen liet zien, dat hij uit zijn tas haalde. De omstandigheid dat [getuige 1] en [getuige 2] drugsverslaafd zijn, maakt niet dat hun verklaringen niet gebezigd kunnen worden tot het bewijs. Het hof heeft in het dossier ook geen aanwijzingen aangetroffen dat [getuige 1] en [getuige 2] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. De door de verdediging aangehaalde verschillen op detailniveau pleiten juist tegen deze suggestie van de raadsman.

Het hof betrekt bij zijn oordeel omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] de omstandigheid dat die verklaringen niet alleen steun vinden in elkaar, maar ook worden ondersteund door ander bewijs, te weten de bevindingen van de politie ten aanzien van de camerabeelden op het station te Venlo – waarop onder meer is waar te nemen dat verdachte zwarte schoenen met een witte rand en een schoudertas over zijn linkerschouder draagt – de resultaten van het schietsporenonderzoek aan de in beslag genomen tas en ook de verklaringen van verdachte d.d. 1 en 4 februari 2014.

Wat betreft de verklaringen over de tas waarin verdachte het wapen bewaarde, overweegt het hof nog als volgt. De raadsman heeft er op gewezen dat er bij het tonen van de foto van de tas sprake is geweest van een enkelvoudige fotoconfrontatie. Het hof merkt op dat het hierbij niet gaat om een fotoconfrontatie ten aanzien van een persoon, maar een gebruiksvoorwerp.

Bovendien was het een tas die [getuige 2] en [getuige 1] blijkens hun verklaringen goed kenden, omdat verdachte die altijd bij zich had. [getuige 2] heeft op 21 februari 2013 ook verklaard over een specifiek detail, namelijk dat er een snee in de tas zat.

Wat betreft de tas die de getuigen bij het wapen beschrijven, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van een tegenstrijdigheid. Zowel [getuige 1] als [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat verdachte het pistool haalde uit zijn bruine schoudertas. Bij de raadsheer-commissaris hebben zij op 7 april 2016 hun verklaring nader verduidelijkt en te kennen gegeven dat verdachte het wapen na het tonen in een plastic tas stopte en op de kast in de woning van [getuige 1] legde. Weliswaar heeft [getuige 1] op 7 april 2016 verklaard dat verdachte het wapen in zijn herinnering ook haalde uit een plastic tas, maar hij sluit niet uit dat hij het wapen in beide tassen heeft gezien.

Voorts acht het hof de (de auditu-) verklaringen van de getuigen [getuige] , [getuige] en [getuige] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Uit de verklaringen van de getuigen [getuige] en [getuige] blijkt dat zij, anders dan de verdediging stelt, geen verslaafden zijn. [getuige] is coördinator Wonen en Leven en geestelijk verzorger bij [instelling] , [getuige] is daar werkzaam als vrijwilliger en voorganger tijdens kerkdiensten. [getuige] betreft wel een verslaafde, maar dat gegeven maakt zijn verklaring niet per definitie onbetrouwbaar. De verklaring van deze drie getuigen stemmen overeen en vinden steun in elkaar.

Uit de verklaringen van deze aan [instelling] verbonden personen blijkt dat verdachte in januari 2013, dus niet lang na de dood van het slachtoffer [slachtoffer] , bij [instelling] is gekomen en in gewetensnood leek te verkeren. Zowel tegenover [getuige] als [getuige] heeft verdachte toen gezegd dat hij iemand heeft vermoord. Dat verdachte hen toen verteld zou hebben over de moord op een goede vriend en de getuigen zijn woorden verkeerd moeten hebben begrepen, zoals de verdediging stelt, acht het hof gelet op de inhoud van de verklaringen niet aannemelijk.

Het hof gebruikt de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige] , [getuige] en [getuige] voor het bewijs, op de wijze zoals hierboven bij het bewijs is weergegeven.

Het verweer wordt verworpen.

Schoensporen

Onder de verdachte zijn meerdere paren schoenen in beslag genomen, waaronder schoenen van het merk Converse All Stars, met witte rand. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij destijds dergelijke schoenen had, maar dat hij niet meer weet of hij die op 9 januari 2013 droeg.

Zoals hierboven ten aanzien van het rapport van rechtspsycholoog Horselenberg reeds is overwogen, is door de verdachte niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat hij op de betreffende dag een paar schoenen van een andere persoon zou hebben gedragen.

Uit de verklaring van [getuige 1] d.d. 21 maart 2013, de verklaring van [getuige 2] d.d.

4 april 2013 en de bevindingen ten aanzien van de camerabeelden van het station te Venlo leidt het hof af dat verdachte op 9 januari 2013 zijn schoenen van het merk Converse All Stars droeg.

Op de plaats delict zijn verse schoensporen aangetroffen. Door de verdachte is niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat hij in de dagen vóór 9 januari 2013 daar heeft rondgelopen en dat de sporen ook toen kunnen zijn ontstaan, dan wel dat een ander zijn schoenen heeft gedragen.

Op grond van het vergelijkend schoensporenonderzoek is ten aanzien van de schoenspoor met nummers 2, 3 en 5 geconcludeerd dat deze mogelijk zijn veroorzaakt met de schoenen van verdachte. Uit bovenstaande weergave van het onderzoek van deze schoensporen komt naar voren dat er overeenkomsten zijn zowel qua vorm, maat als slijtage van de schoenen.

Het verweer wordt verworpen.

Bespreking overige verweren

Terecht heeft de raadsman opgemerkt dat bij het forensisch technisch onderzoek het tijdstip van overlijden van het slachtoffer [slachtoffer] niet meer kon worden vastgesteld. Evenwel blijkt uit de verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer] op 9 januari 2013 in de namiddag, toen het begon te schemeren, heeft doodgeschoten. Deze verklaring wordt ondersteund door de resultaten van het onderzoek telecommunicatie ( [verdachte] ), opgenomen op p. 466 en verder van deeldossier C. Gelet op hetgeen ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting en overigens uit het procesdossier aan de orde is gekomen, staat voor het hof vast dat verdachte op 9 januari 2013 de gebruiker was van de GSM met nummer [nummer] . Uit het onderzoek telecommunicatie blijkt dat dit GSM nummer van verdachte zich aan het einde van de middag/begin van de avond in de omgeving van de plaats delict bevond en dat verdachte op de tijdstippen 16.51.54, 16.52.22, 18.16.53 en 18.25.26 niet heeft gereageerd op oproepen. Na 10 januari 2013 heeft verdachte dit GSM nummer niet meer gebruikt. Uit het onderzoek telecommunicatie naar de GSM van het slachtoffer [slachtoffer] (p. 484 en verder van deeldossier C) blijkt dat de door hem gebruikte GSM zich op 9 januari 2013 te 17.04.58 uur in de omgeving van de plaats delict bevond en dat hij vanaf 9 januari 2013 te 17.02.07 uur tot 07.08.50 uur zes keer is gebeld, maar niet heeft opgenomen.

De verklaring van de verdachte wat betreft het tijdstip van overlijden vindt ook steun in de verklaring van [getuige 2] , die heeft verklaard dat verdachte op 9 januari 2013 omstreeks 18.00 uur aankwam bij de woning van [getuige 1] in Weert en hem vroeg zijn schoenen, die vies waren, schoon te maken.

Het hof bezigt de resultaten van het DNA-onderzoek naar de sporen op de dop van de parfumfles niet tot het bewijs, nu het om een verplaatsbaar spoor gaat. Het verweer daaromtrent behoeft geen nadere bespreking.

Hetgeen de raadsman overigens nog heeft aangevoerd doet aan al hetgeen hiervoor is overwogen niet af. De verweren, voor zover die overigens zijn gevoerd, vinden hun weerlegging in de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen.

Voorwaardelijk verzoek

De door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep geuite onderzoekswens, geformuleerd als een voorwaardelijk verzoek, wordt afgewezen. Gelet op hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep ter onderbouwing ervan heeft aangevoerd, acht het hof een dergelijk onderzoek niet noodzakelijk. Het hof gaat uit van de bekennende verklaring van verdachte, waaruit de tijdstip van het overlijden naar voren komt. Nader onderzoek hieromtrent is dus niet noodzakelijk.

Ten overvloede overweegt het hof nog dat de getuige [getuige] heeft verklaard (pagina 75 van deeldossier B) dat de verlichting ter plaatse bij de bunker kapot was, althans niet brandde. De politie heeft gedurende het onderzoek op 10, 11 en 12 januari 2013 vastgesteld dat de verlichting van de lantaarnpaal inderdaad niet brandde (pagina 37 van deeldossier D).

Overige bewijsoverwegingen

Onder de verdachte zijn een vijftal paren schoenen in beslag genomen. Een van deze paren schoenen is van het merk Converse All Stars. Dit zijn hoge schoenen die met veters kunnen worden gesloten en tot aan de kuit reiken. Dit paar schoenen is afgebeeld op p. 338 en verder van deeldossier D van het procesdossier.

Gezien de beschrijving van de camerabeelden van het station in Venlo, waarin gesproken wordt van het door verdachte kort voor het gepleegde strafbare feit dragen van zwarte schoenen met een witte rand, in combinatie met de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , gaat het hof ervan uit dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde delict deze schoenen heeft gedragen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit het opsporingsonderzoek naar voren komt dat de verdachte slechts de beschikking had over een vijftal paar schoenen waarvan de beschreven kenmerken slechts met deze schoenen overeenkomen en gesteld noch gebleken is dat hij schoenen van een andere persoon heeft gedragen.

In de woning van [getuige 1] is een tas aangetroffen. Gezien de bovenstaande als bewijsmiddel gehanteerde verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] behoorde deze tas aan de verdachte toe. In de tas zijn schotresten aangetroffen. Op de camerabeelden, gemaakt op het station in Venlo, is te zien dat de verdachte kort voorafgaande aan het ten laste gelegde feit een soortgelijke tas droeg. Uitgaande van deze bewijsmiddelen gaat het hof ervan uit dat de verdachte op de dag van het gepleegde strafbare feit deze tas heeft gedragen en voorafgaande aan het delict het gehanteerde wapen daarin heeft verborgen.

Op grond van de bij het bewijs vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en de bewijsoverwegingen komt het hof tot de conclusie dat verdachte als dader moet worden aangemerkt van de subsidiair ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag. De bewijsmiddelen houden immers in dat verdachte op 9 januari 2013 omstreeks 15.00 uur samen met het latere slachtoffer [slachtoffer] in Venlo op de trein is gestapt. Verdachte had op dat moment reeds een vuurwapen bij zich. Van Venlo zijn ze per trein naar Weert gereisd. Vervolgens zijn ze door taxichauffeur [naam] vanaf het station naar de wijk Graswinkel in Weert gereden en naar de JOP gelopen. Daar heeft verdachte [slachtoffer] opzettelijk een kogel door het hoofd geschoten, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Verdachte had geld nodig; hij heeft vervolgens een geldbedrag van € 1.600,00 of € 1.700,00 uit de beurs van het slachtoffer weggenomen en de plaats van het delict verlaten. De beurs van verdachte is aangetroffen met slecht 20 eurocent. Dit ondersteunt de verklaring van verdachte dat na het neerschieten van het slachtoffer een beroving heeft plaatsgevonden.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

doodslag, gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft het hof bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 9 januari 2013 aan [slachtoffer] het leven ontnomen, om hem vervolgens van een aanzienlijk geldbedrag te beroven. Verdachte en het slachtoffer kenden elkaar uit het Limburgse drugsverslaafden circuit. Met de rechtbank overweegt het hof dat verdachte met een doorgeladen vuurwapen op uiterst laffe wijze een kogel door het achterhoofd van [slachtoffer] heeft geschoten terwijl deze met zijn rug naar verdachte toestond. Aan het slachtoffer is daarmee het meest fundamentele recht dat er bestaat, het recht op leven, ontnomen. Voorts heeft verdachte door zijn handelen een onomkeerbaar verlies teweeg gebracht dat diep heeft ingegrepen in het leven van de nabestaanden van [slachtoffer] , zoals ook ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken uit het door [zus slachtoffer] uitgeoefende spreekrecht. Er is aan de nabestaanden onherstelbaar leed en verdriet berokkend. Door wisselende verklaringen af te leggen, zowel bekennend als ontkennend, heeft verdachte de nabestaanden bovendien in het ongewisse gelaten over wat het slachtoffer precies is overkomen. Aldus heeft hij hen na de daad nog extra leed berokkend.

Door te handelen zoals bewezen verklaard, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag. Het opzettelijk een ander mens van het leven beroven behoort tot de zwaarste categorie van strafbare feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. Door dergelijke misdrijven wordt de rechtsorde zeer ernstig geschokt en het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 augustus 2017. Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk tot straf is veroordeeld ter zake van een vermogens- en geweldsdelicten, zij het langer geleden. Voorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de diverse rapportages omtrent de persoon van de verdachte, in het bijzonder de rapportage psychologisch onderzoek d.d. 30 april 2014, opgemaakt door I.J.C. Weijnen, MSC, GZ-psycholoog.

De psycholoog meldt dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van poli-middelenafhankelijkheid c.q. chronische verslaving en van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een ernstige persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale, paranoïde en theatrale trekken.

Zowel de chronische verslaving als de persoonlijkheidsstoornis bestonden volgens de psycholoog ook ten tijde van het ten laste gelegde. Evenwel kan door de deskundige vanwege de ontkennende procespositie geen uitspraak worden gedaan over de vraag of deze stoornis verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloedde. Gelet daarop beschouwt het hof verdachte als volledig toerekeningsvatbaar ten aanzien van het bewezen verklaarde. Voorts betrekt het hof bij zijn oordeel omtrent de aard en omvang van de op te leggen straf dat de rapportage psychologisch onderzoek inhoudt dat bij verdachte sprake is van een hoog recidive risico.

Bij de straftoemeting heeft het hof ten slotte acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op het bovenstaande alsmede de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor zeer lange tijd met zich brengt. Ook het hof acht het van het grootste belang dat de maatschappij beschermd wordt tegen deze verdachte, die er blijk van heeft gegeven zeer weinig respect te hebben voor het menselijk leven en andermans eigendommen. Evenals de rechtbank acht het hof het passend en geboden aan de verdachte de straf op te leggen zoals die is gevorderd door het openbaar ministerie, te weten van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 jaren, met aftrek van het voorarrest.

Beslag

Verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 23 januari 2013 afstand gedaan van de op de beslaglijst onder 11 genoemde doos van Van Gils (beslagnummer 398369). Evenals de rechtbank zal het hof daarom omtrent dat voorwerp geen beslissing meer nemen.

Wat betreft de onder nummer 413544 in beslag genomen en nog niet teruggegeven envelop met wit poeder (nummer 2 op de beslaglijst) zal op grond van artikel 13a van de Opiumwet de onttrekking aan het verkeer worden bevolen.

Ten aanzien van de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, die toebehoorden aan het slachtoffer [slachtoffer] , zal de teruggave aan diens nabestaanden worden gelast.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] – nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer] –

heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van schade ter hoogte van € 2.250,00 (kosten crematie), te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten van tenuitvoerlegging. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de kosten van lijkbezorging, die zijn veroorzaakt door verdachtes bewezen verklaarde handelen, ten laste zijn gekomen van [benadeelde] . De benadeelde partij [benadeelde] heeft derhalve schade geleden in de zin van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering integraal toewijsbaar is. Evenals de rechtbank zal het hof bepalen dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 16 januari 2013, nu deze ingangsdatum door de procespartijen ter terechtzitting in hoger beroep niet is weersproken. Het hof zal de verdachte voorts veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f en 288 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 13a van de Opiumwet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

2. 1 stuk papier, envelop met wit poeder, 413544.

Gelast de teruggave aan nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. simkaarten, 413506;

3. 3 beeldplaten EMTEC, 413467;

4. 2 foto’s, 413527;

5. geluidsapparatuur SWEEX VICI, 413480;

6. 3 simkaarten, 413517;

7. 1 stuk papier, 413485;

8. 1 bankpas ING, 413519;

9. 2 flessen CAMPINA, 413533;

10. 1 stuk papier, 413490;

12. diverse goederen, 413535;

13. 1 stuk papier, 413522;

14. 1 stuk papier, 413539 (map met bescheiden);

15. 1 doos NOKIA, 355854;

16. papieren uit rugzak [slachtoffer] , 413413.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.250,00 (tweeduizend tweehonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.250,00 (tweeduizend tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 32 (tweeëndertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,

en op 15 september 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.T.F.M. van Krieken is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl EeR 2017, afl. 5, p. 224
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?