GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.162.247/01
arrest van 14 maart 2017
in de zaak van
1. De vennootschap onder firma
[appellante 1] V.O.F., gevestigd te [plaats] ,
2. [appellant 2] ,wonende te [plaats] ,
3. [appellante 3] ,wonende te [plaats] ,
appellanten,
hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten] ,
advocaat: mr. J.P. de Man te Rosmalen,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. R.G.F. Lammers te Oss,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 17 mei 2016 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's‑Hertogenbosch onder zaaknummer 2880081/303/14-2573 gewezen vonnis van 18 september 2014.
1. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
2. De verdere beoordeling
Van de zijde van [appellanten] zijn de volgende getuigen gehoord:
[appellant 2] (partijgetuige);
de heer [getuige 1] ;
de heer [getuige 2] ;
de heer [getuige 3] .
Vervolgens zijn van de zijde van [geïntimeerde] als getuigen gehoord:
[geïntimeerde] (partijgetuige);
de heer [getuige 4] .
Bij memorie na enquête heeft [appellanten] onder meer een brief van getuige [getuige 3] van 8 november 2016 overgelegd (productie 1 bij memorie na enquête). Die brief is gelet op de inhoud ervan kennelijk een reactie op een brief van mr. De Man aan deze getuige. Volgens de brief van [getuige 3] heeft [geïntimeerde] hem na de getuigenverhoren telefonisch onder meer meegedeeld dat [geïntimeerde] ‘op de zitting is gaan dwalen’ en dat hij in het verleden meerdere malen aan [getuige 3] heeft meegedeeld dat hij zorg zou dragen voor betalingen aan [appellanten] . Tevens is tegen [geïntimeerde] en [getuige 4] aangifte van meineed gedaan (productie 2 bij memorie na enquête). Het hof ziet in de brief van [getuige 3] aanleiding hem en [geïntimeerde] als getuigen tegenover elkaar te stellen als bedoeld in artikel 179 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zij zullen daartoe opnieuw worden gehoord. Het hof wenst voorafgaand aan de getuigenverhoren een afschrift te ontvangen van de brief van mr. De Man, die kennelijk aan de brief van [getuige 3] vooraf is gegaan.
Bij memorie van antwoord na enquête heeft [geïntimeerde] een proces-verbaal overgelegd van een comparitie van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 juni 2011, gehouden in een procedure tussen [geïntimeerde] en Bouwbedrijf [Bouwbedrijf] B.V. (productie 8). [appellanten] heeft nog niet op dit stuk kunnen reageren. Hij zal daartoe in een na afloop van de getuigenverhoren te houden comparitie in de gelegenheid worden gesteld. Voor zover [appellanten] in het overgelegde proces-verbaal aanleiding ziet de getuige [getuige 1] (destijds statutair directeur van Bouwbedrijf [Bouwbedrijf] B.V.) opnieuw te laten horen, dient [appellanten] deze getuige daartoe opnieuw op te roepen. In dat geval dienen ook de verhinderdata van deze getuige te worden opgegeven, zodat een zitting kan worden gepland waarbij alle getuigenverhoren en de comparitie op één dagdeel kunnen plaatsvinden.
Het hof zal tevens bepalen dat de heer [appellanten] bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig dient te zijn.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. De uitspraak
Het hof:
beveelt een verhoor van de getuigen [getuige 3] en [geïntimeerde] ;
bepaalt dat deze getuigen tegenover elkaar zullen worden gesteld;
bepaalt dat de heer [appellant 2] bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig dient te zijn;
bepaalt dat de getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. J.F.M. Pols als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te ’s-Hertogenbosch op een nader door deze te bepalen datum;
verwijst de zaak naar de rol van 28 maart 2017 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten en door partij [appellanten] ook van de verhinderdata van de te horen getuigen, in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;
bepaalt dat partij [appellanten] zorg dient te dragen voor oproeping van de getuigen;
bepaalt dat partij [appellanten] uiterlijk twee weken voor de te houden zitting aan het hof en aan de wederpartij een afschrift dient te verstrekken van de in overweging 2.3 bedoelde brief van mr. De Man;
bepaalt dat aansluitend aan de getuigenverhoren een comparitie van partijen zal worden gehouden, met het in overweging 2.4 genoemde doel;
bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van de zitting zal vaststellen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.F.M. Pols, G.A.M. Peper en J.M.H. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 maart 2017.
griffier rolraadsheer