2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3. De beoordeling
Alvorens op de zaak zelf in te gaan overweegt het hof het volgende. Uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen bij de rechtbank van 1 november 2016 blijkt dat er een bewind is ingesteld over de goederen van [geïntimeerde] . Gesteld noch gebleken is dat dat bewind inmiddels is geëindigd. Vast staat dat de onderhavige vordering tot schadevergoeding betrekking heeft op het vermogen van [geïntimeerde] waarover het ingestelde bewind zich uitstrekt. Een gerechtelijke procedure over zo’n vordering kan op grond van het bepaalde in artikel 1:441 BW slechts door of tegen de bewindvoerder, die [geïntimeerde] als onderbewindgestelde in en buiten rechte vertegenwoordigt, worden ingesteld. De bewindvoerder treedt dan in het geding op als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende ( [geïntimeerde] ). Dat betekent dat de appeldagvaarding uitgebracht had moeten worden aan de bewindvoerder. De appeldagvaarding is echter alleen aan [geïntimeerde] uitgebracht, en wel op de voet van artikel 63 Rv aan het kantoor van de advocaat bij wie [geïntimeerde] in het geding in eerste aanleg woonplaats had gekozen.
Vaststaat dat [appellant] bekend is met de onderbewindstelling van de goederen van [geïntimeerde] . [appellant] heeft daarvan immers zelf melding gemaakt middels toezending aan de rechtbank van de producties 4, 5 en 6. Derhalve moet worden aangenomen dat het uitbrengen van de appeldagvaarding aan [geïntimeerde] op het kantoor van de advocaat bij wie [geïntimeerde] laatstelijk (in eerste aanleg) terzake woonplaats had gekozen, op een vergissing berust. Uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen blijkt dat ook de advocaat van [geïntimeerde] op de hoogte is van de onderbewindstelling. [geïntimeerde] en zijn advocaat moeten hebben begrepen dat het uitbrengen van de appeldagvaarding enkel aan [geïntimeerde] op een vergissing berust.
De omstandigheid dat in hoger beroep kennelijk bij vergissing de bewindvoerder niet is gedagvaard, behoeft in dit geval niet tot niet-ontvankelijkheid van [appellant] te leiden. Het gaat immers ook in hoger beroep nog steeds om vorderingen die het vermogen van [geïntimeerde] zelf betreffen, met dien verstande dat de beschikkingsbevoegdheid en het beheer over dat vermogen uitsluitend aan de bewindvoerder toekomen. [geïntimeerde] heeft dus geen in rechte te respecteren belang bij niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. Daarom bestaat aanleiding om [appellant] in de gelegenheid te stellen de bewindvoerder op de voet van artikel 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) als partij in het geding op te roepen. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen.
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.
4. De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 27 maart 2018 teneinde [appellant] in de gelegenheid te stellen de bewindvoerder over de goederen van [geïntimeerde] tegen die zitting als partij in het geding op te roepen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en M.G.W.M. Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 maart 2018.
griffier rolraadsheer