GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.235.126/01
arrest van 12 juni 2018
gewezen in het incident tot voeging ex artikel 222 Rv in de zaak van
1. [de vennootschap 2] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [de vennootschap 3],gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellanten in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
advocaat: mr. E.Ph. Roelofs te Heerlen,
tegen
[de curator] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. W.B.M. Vondenhoff te Heerlen,
op het bij exploot van dagvaarding van 27 februari 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis in vrijwaring van 19 juli 2017, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen appellanten – [de vennootschap 2] en [de vennootschap 3] – als eiseressen in vrijwaring en geïntimeerde – [de curator] – als gedaagde in vrijwaring.
1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/227899 / HA ZA 16-657)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald.
3. De beoordeling
In het incident
[de vennootschap 2] en [de vennootschap 3] hebben voeging gevorderd van de onderhavige zaak met de eveneens bij het hof (onder zaaknummer 200.225.530/01) aanhangige zaak tussen [de vennootschap 2] en [de vennootschap 3] als geïntimeerden en [de vennootschap 1] (hierna [de vennootschap 1] ) als appellante.
[de curator] heeft zich met betrekking tot de incidentele vordering gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof stelt voorop dat de vordering tot voeging, gelet op het bepaalde in artikel 222 lid 2 jo. 220 lid 2 jo. 353 lid 1 Rv tijdig is ingesteld.
Ingevolge artikel 222 lid 1 jo. 353 lid 1 Rv kan, in geval voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, de voeging daarvan worden gevorderd.
In de onderhavige vrijwaringszaak vorderen [de vennootschap 2] en [de vennootschap 3] veroordeling van [de curator] tot betaling van het bedrag waartoe [de vennootschap 2] en [de vennootschap 3] in de hoofdzaak mochten worden veroordeeld. De zaak met zaaknummer 200.225.530/01 betreft het hoger beroep in de hoofdzaak. Daarmee is gegeven dat de zaken waarvan voeging wordt gevorderd verknocht zijn. Ook de rechtbank heeft beide zaken in eerste aanleg gelijktijdig behandeld en beslist.
Op grond van het voorgaande zal het hof de door [de vennootschap 2] en [de vennootschap 3] gevorderde voeging bevelen. De beslissing over de proceskosten van het incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.
In de hoofdzaak
De zaak wordt naar de rol van 24 juli 2018 verwezen voor memorie van grieven aan de zijde van [de vennootschap 2] en [de vennootschap 3] . Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4. De beslissing
Het hof:
in het incident:
beveelt de voeging van de bij dit hof aanhangige zaken met nummer 200.235.126/01 en 200.225.530/01;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 24 juli 2018 voor memorie van grieven aan de zijde van [de vennootschap 2] en [de vennootschap 3] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, O.G.H. Milar en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 juni 2018.
griffier rolraadsheer