GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.207.466/01
arrest van 9 oktober 2018
in de zaak van
[Appellant] i.z.h.v. erfgenaam van [erflater],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant q.q.] ,
advocaat: mr. M. Timmermans-Roelands te Bergen op Zoom,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. S. van Reeven-Özer te Rijen,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 25 april 2017 en 10 juli 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/307991/HAZA 15-771 gewezen vonnis van 13 juli 2016.
8. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
9. De verdere beoordeling
Bij genoemd tussenarrest is [geïntimeerde] bevolen bij akte in het geding te brengen:
een rekeningoverzicht behorende bij bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] t.n.v. [geïntimeerde] , waaruit het saldo op 1 oktober 2014 blijkt;
een rekeningoverzicht behorende bij bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] t.n.v. [geïntimeerde] , waaruit het saldo op 1 oktober 2014 blijkt;
een rekeningoverzicht behorende bij bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] t.n.v. [geïntimeerde] , waaruit het saldo op 1 oktober 2014 blijkt;
een rekeningoverzicht behorende bij bankrekeningnummer [rekeningnummer 4] t.n.v. [geïntimeerde] , waaruit het saldo op 1 oktober 2014 blijkt.
De zaak is voor het overige aangehouden.
[geïntimeerde] heeft bij akte afschriften van bovengenoemde bankrekeningen in het geding gebracht.
[appellant q.q.] heeft bij antwoordakte gesteld dat uit productie 4 bij akte blijkt dat [geïntimeerde] nog minimaal één andere spaarrekening op de peildatum van 1 oktober 2014 op haar naam had staan. Het gaat om een ING Profijtrekening (een spaarrekening). Een Profijtrekening kon geopend worden na storting van minimaal € 50.000,--. De ING Profijtrekening is gekoppeld aan bankrekeningnummer [rekeningnummer 4] t.n.v. [geïntimeerde] . Door [geïntimeerde] is hiervan nimmer melding gemaakt. Evenmin zijn bewijsstukken van deze Profijtrekening door [geïntimeerde] overgelegd.
[appellant q.q.] handhaaft zijn stelling dat de geldlening van € 200.000,-- niet is verteerd en [geïntimeerde] op 1 oktober 2014 over vermogen beschikte waarover zij geen openheid heeft gegeven. Hij doet een beroep op het bepaalde in art. 3:194 BW. Ten slotte heeft [appellant q.q.] de door [geïntimeerde] genoemde saldi van de bankrekeningen met de nummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 4] betwist. De saldi van de overige twee bankrekeningen heeft hij erkend.
[geïntimeerde] heeft nog niet gereageerd op het beroep van [appellant q.q.] op het bepaalde in art. 3:194 BW. Zij zal hiertoe door het hof in de gelegenheid worden gesteld door het nemen van een antwoordakte. De zaak zal voor het overige worden aangehouden.
10. De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 6 november 2018 voor het nemen van een antwoordakte aan de zijde van [geïntimeerde] doch enkel voor wat betreft het beroep van [appellant q.q.] op het bepaalde in art. 3:194 BW;
houdt de zaak aan voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 oktober 2018.
griffier rolraadsheer