GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.206.461/01
arrest van 9 juli 2019
in de zaak van
Plus Minus B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,hierna aan de duiden als Plus Minus,
advocaat: mr. J. van Bekkum te Amsterdam,
tegen
[de bank] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,hierna aan te duiden als de Bank,
advocaat: mr. G.T.J. Hoff te Haarlem,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 19 december 2017 en 26 februari 2019 in het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/273755 / HA ZA 14-64 gewezen vonnissen van 30 juli 2014, 22 april 2015, 4 mei 2016 en 28 september 2016.
5. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
6. De verdere beoordeling
Bij tussenarrest van 26 februari 2019 (hierna: het tussenarrest) heeft het hof partijen in overweging gegeven om op basis van de in het tussenarrest gegeven beslissingen te streven naar een regeling in der minne. Mocht dat niet lukken, zo heeft het hof vervolgens aangekondigd, dan is het hof voornemens om een deskundige te benoemen ter vaststelling van de omvang van de schade(vergoeding) en meer in het bijzonder van het rendement op de modelportefeuille conform het overwogene in r.o. 3.7.8. Het hof heeft vervolgens de zaak verwezen naar de rol voor uitlating aan de zijde van beide partijen gelijktijdig over de voortgang van de procedure.
In haar akte heeft de Bank het hof meegedeeld, voor zover relevant, dat de in het tussenarrest bedoelde minnelijke regeling met Plus Minus niet tot stand is gekomen. De Bank heeft zich niet uitgelaten over de (verdere) voortgang van de procedure.
Plus Minus heeft zich in haar akte niet uitgelaten over de in het tussenarrest bedoelde minnelijke regeling. Uit hetgeen Plus Minus stelt in verband met de (verdere) voortgang van de procedure leidt het hof af dat ook Plus Minus zich op het standpunt stelt dat een dergelijke regeling niet tot stand is gekomen.
Met betrekking tot de (verdere) voortgang van de procedure heeft Plus Minus aangegeven dat zij meent dat de door het hof voorgenomen deskundigenbenoeming thans niet de meest aangewezen volgende stap is om de omvang van de schade vast te stellen. Plus Minus voert daartoe aan dat zij zelf een deskundige heeft ingeschakeld om het rendement van de modelportefeuille te berekenen, zodat zij in staat is om het hof dienaangaande te informeren. Plus Minus gaat ervan uit dat de Bank voldoende kennis in huis heeft om het hof te informeren over háár visie op het rendement van de modelportefeuille. Plus Minus geeft het hof, gelet op dit een en ander, in overweging om partijen in staat te stellen om zich bij akte uit te laten over de omvang van de schade en, meer in het bijzonder, het rendement op de modelportefeuille, waarna het hof kan beoordelen of het hof zelf de omvang van de schade kan bepalen of dat daarvoor, alsnog, een deskundigenbericht nodig is. Volgens Plus Minus kan aldus wellicht de benoeming van een deskundige worden vermeden en kan, als daartoe toch wordt besloten, de aktewisseling bijdragen aan een zo nodig meer toegespitste vraagstelling aan de deskundige.
Het hof zal - gehoord het voorstel van Plus Minus en de daarvoor aangevoerde argumenten en gelet op het ontbreken van een uitlating van de Bank over de (verdere) voortgang van de procedure - Plus Minus toelaten om zich bij akte op de rol van 6 augustus 2019 uit te laten over de omvang van de schade(vergoeding) en meer in het bijzonder van het rendement op de modelportefeuille, een en ander conform het overwogene in r.o. 3.7.8. van het tussenarrest, waarna de Bank in staat zal worden gesteld om dienaangaande bij akte op de rol van acht weken daarna háár standpunt ter zake kenbaar te maken en te motiveren.In afwachting van de resultaten van deze rolverwijzing zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.
7. De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 6 augustus 2019 voor akte aan de zijde van Plus Minus over hetgeen in r.o. 6.3. is overwogen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, W.J.J. Beurskens en J.M.W. Werker en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 juli 2019.
griffier rolraadsheer