GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.264.383/01
arrest van 3 september 2019
gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. L. van Poucke te Best,
tegen
Stichting Woonbedrijf SWS.HHVL h.o.d.n. Woonbedrijf,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. B. Poort te Eindhoven,
op het bij exploot van dagvaarding van 7 augustus 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 2 augustus 2019, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen appellante – [appellante] – als gedaagde en geïntimeerde – Woonbedrijf – als eiseres.
1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/347079 / KG ZA 19-311)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
3. De beoordeling
In het incident
Het hof gaat voor de beoordeling van het incident uit van de navolgende feiten:
[appellante] huurt met ingang van 1 maart 1993 van Woonbedrijf de woning aan de [adres] in [woonplaats] .
Op 18 april 2019 heeft de politie [standplaats] een inval gedaan in de door [appellante] gehuurde woning.
De politie heeft bij deze inval een hoeveelheid vuurwapens inclusief munitie en contant geld aangetroffen in de woning. Van deze constatering heeft de politie een rapportage opgesteld en deze aan Woonbedrijf verstrekt.
Woonbedrijf heeft op 10 mei 2019 een brief aan [appellante] verzonden waarin haar wordt verzocht de huurovereenkomst vrijwillig op te zeggen. Hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt.
[appellante] heeft bij monde van haar advocaat op voornoemde brief gereageerd en – kort weergegeven – gesteld dat zij geen wetenschap of een vermoeden kon hebben ten aanzien van de aangetroffen zaken.
Woonbedrijf heeft een aanvullende rapportage bij de politie verzocht en op 28 mei 2019 verkregen. In de aanvullende rapportage wordt nader vermeld welke wapens (onder meer een GLOCK handvuurwapen met 122 stuks munitie en een Uzi-scorpion met 25 scherpe patronen) en hoeveel contant geld (11 bundels van 50 euro biljetten met een waarde van € 165.000,-) in de woning zijn aangetroffen.
Woonbedrijf heeft een kortgedingprocedure aanhangig gemaakt. De voorzieningenrechter heeft op 2 augustus 2019 vonnis gewezen en heeft [appellante] onder andere veroordeeld om tot ontruiming over te gaan. Het vonnis is vervolgens op 6 mei 2019 betekend. De ontruiming is aangezegd en de datum daarvan is bepaald op 4 september 2019.
[appellante] vordert in incident dat het hof een voorlopige voorziening treft inhoudende een schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis van de voorzieningenrechter van
2 augustus 2019, althans een verbod gericht aan Woonbedrijf om tot ontruiming van de woning staande en gelegen te [woonplaats] aan het adres [adres] over te gaan, zolang het hof op het door [appellante] ingesteld hoger beroep niet heeft beslist, althans een zodanige voorziening als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.
[appellante] legt aan haar vordering in incident tot schorsing van de ten uitvoerlegging ten grondslag dat het vonnis van de voorzieningenrechter berust op een kennelijke misslag, althans dat de kans dat het vonnis in hoger beroep vernietigd wordt waarschijnlijk is. Daarbij wijst [appellante] erop dat als zij de woning moet ontruimen, zij dakloos wordt. Voorts leidt de ontruiming tot onomkeerbare gevolgen. De woning zal op de woningmarkt worden aangeboden, zodat [appellante] definitief niet meer kan terugkeren. Verder lijdt [appellante] aan PTSS. De onderhavige situatie levert haar veel stress op. Die stress heeft een negatieve invloed op haar welzijn. Dit maakt dat het belang van [appellante] zwaarder weegt dan het belang van het Woonbedrijf.
Woonbedrijf verzoekt het hof het incident tot schorsing te verwerpen, althans de vordering tot schorsing af te wijzen met veroordeling van [appellante] in de kosten van het incident in hoger beroep, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente. Het verweer van Woonbedrijf zal, indien van belang, in het navolgende aan de orde komen.
Het hof overweegt als volgt.
Voor toewijzing van een incidentele vordering op grond van artikel 351 Rv is plaats in geval van misbruik van recht, waarvan met name sprake kan zijn indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, dan wel in geval een afweging van de belangen van partijen in het licht van nieuwe – door incidenteel eiser te stellen – omstandigheden daartoe aanleiding geeft. Als nieuwe omstandigheden komen alleen in aanmerking omstandigheden die zich hebben voorgedaan nadat de zaak in eerste aanleg in staat van wijzen is gekomen; hieronder vallen dus niet omstandigheden die reeds aanwezig waren voor de staat van wijzen, maar die door partijen in de procedure in eerste aanleg niet zijn aangevoerd. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient bij de belangenafweging in de regel buiten beschouwing te blijven.
[appellante] stelt allereerst dat het vonnis berust op een kennelijke misslag. [appellante] verwijst ter onderbouwing naar de door haar aangevoerde grieven in de hoofdzaak. Het hof is van oordeel dat [appellante] haar stelling hiertoe onvoldoende heeft onderbouwd. Het ligt op de weg van [appellante] om concreet aan te geven waarin de kennelijke misslag is gelegen zodat Woonbedrijf hiertegen ook gericht verweer kan voeren. Nu zij dit niet heeft gedaan, kan het gevorderde niet op grond van een kennelijke misslag worden toegewezen.
In het verlengde van haar vorige stelling verwijst [appellante] naar de inhoud van de memorie van grieven om te betogen dat de kans dat in hoger beroep het vonnis wordt vernietigd, waarschijnlijk is. Deze stelling ziet op de kans van slagen in hoger beroep. Zonder nadere stellingname en motivering, slaagt ook deze stelling niet.
Tot slot doet [appellante] een beroep op drie voor haar van belang zijnde omstandigheden. Een ontruiming zou tot gevolg hebben dat zij dakloos wordt en zal verder leiden tot een onomkeerbaar gevolg. Als derde omstandigheid wijst [appellante] erop dat zij lijdt aan PTSS.
De stelling dat [appellante] dakloos wordt bij een gedwongen ontruiming en de ontruiming zou leiden tot een onomkeerbaar gevolg heeft de voorzieningenrechter reeds meegewogen in het oordeel in de kortgedingprocedure. [appellante] heeft in het onderhavige incident geen (bijzondere en nieuwe) omstandigheden aangevoerd die maken dat de belangenafweging op dit moment anders zou moeten worden beoordeeld.
Ten slotte is de stelling van [appellante] inhoudende dat zij lijdt aan PTSS en zij daarvoor in behandeling is, onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling dat een ontruiming stress oplevert en invloed heeft op de PTSS, leidt zonder nadere onderbouwing niet tot een omstandigheid als gevolg waarvan de executie geschorst zou moeten worden. Nog daargelaten dat niet is gesteld dat de PTTS is opgetreden nadat de zaak in eerste aanleg in staat van wijzen is gekomen.
Het hof komt dan ook tot de conclusie dat met de aangevoerde omstandigheden – afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien – geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waarmee de voorzieningenrechter geen rekening heeft kunnen houden bij de uitvoerbaar bij voorraad verklaring en die rechtvaardigen dat van de beslissing van de voorzieningenrechter wordt afgeweken. Evenmin is gebleken van feiten en omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis zou leiden tot een noodsituatie voor [appellante] . De belangen van [appellante] wegen gelet op het vorenstaande niet zwaarder dan het belang van Woonbedrijf om tot ontruiming over te gaan.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering in incident tot schorsing van de executie zal worden afgewezen.
De beslissing omtrent de proceskosten in het incident zal worden aangehouden.
In de hoofdzaak
Het hof stelt vast dat de zaak is verwezen naar de roldatum van vandaag,
3 september 2019, voor beraad partijen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
4. De beslissing
Het hof:
in het incident:
wijst de incidentele vordering van [appellante] tot schorsing van de executie af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verstaat dat zaak op de rol van vandaag, 3 september 2019, staat voor beraad partijen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.J. Henzen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 september 2019.
griffier rolraadsheer