ECLI:NL:GHSHE:2019:3863

ECLI:NL:GHSHE:2019:3863, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22-10-2019, 200.224.454_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 22-10-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.224.454_01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBLIM:2017:9858
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2019:2802
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 6 zaken
Aangehaald door 1 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0002656 BWBR0005289 BWBR0005291

Samenvatting

vermogensrechtelijke afwikkeling samenleving

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.224.454/01

arrest van 22 oktober 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. A. van den Eshoff te Meerssen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. H.J.M. Stassen te Maastricht,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 23 juli 2019 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen vonnis van 12 juli 2017 en het herstelvonnis van 11 oktober 2017.

5. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6. De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

Bij tussenarrest van 23 juli 2019 heeft het hof met het oog op een deskundigenonderzoek naar de waarde van de camper partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het aantal, de deskundigheid en de persoon van de te benoemen deskundige(n) en suggesties te doen over de aan de deskundiger(n) voor te leggen vragen.

Bij voornoemde akten van 16 september 2019 hebben partijen het hof bericht dat zij overeenstemming hebben bereikt over de waarde van de camper en afzien van een deskundigenbericht. De waarde van de camper kan volgens partijen worden vastgesteld op € 100.000,--. Het hof zal daarom voor de berekening van de hoogte van het vergoedingsrecht met deze waarde rekening houden. Dit brengt mee dat grief 5 van de man faalt.

Voor de uiteindelijke berekening van de hoogte van het vergoedingsrecht, gaat het hof uit van het hiernavolgende.

Uit rov. 3.12.4.2. van het tussenarrest van 23 juli 2019 volgt dat:

voor de bepaling van de hoogte van de vergoedingsrechten het hof uitgaat van de waarde van de camper vóór de vernieling door de man. Die waarde is thans door partijen vastgesteld op een bedrag van € 100.000,--;

de man recht heeft op een vergoeding door de gemeenschap van € 20.000,--;

de vrouw recht heeft op een vergoeding door de gemeenschap van € 61.533,83;

van het restantbedrag (€ 18.466,17) partijen ieder de helft (€ 9.233,09) toekomt.

Dit betekent dat de vrouw een vordering op de man heeft uit hoofde van een haar toekomend vergoedingsrecht ter grootte van een bedrag van (61.533,83 + 9.233,09 =) € 70.766,92. De man dient dit bedrag aan de vrouw te vergoeden.

De vrouw heeft – voor het eerst in hoger beroep – gevorderd om de veroordeling tot betaling van het voornoemde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van verkoop van de camper tot aan de dag der algehele voldoening. De man heeft tegen die vordering geen verweer gevoerd.

Het hof stelt voorop dat wettelijke rente pas is vereist nadat de man in verzuim is geraakt. De man is naar het oordeel van het hof in verzuim vanaf 5 maart 2018, de datum van de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge art. 6:119 lid 1 BW bestaat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. De in art. 6:81 BW bedoelde situatie dat nakoming blijvend onmogelijk is alsmede een van de in art. 6:83 BW genoemde situaties doen zich niet voor. Dat betekent dat de man pas in verzuim komt wanneer hij in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft (art. 6:82 lid 1 BW). Een dagvaarding kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling indien deze voldoet aan de daaraan in de omstandigheden van het geval op het punt van ingebrekestelling te stellen eisen (vgl. MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 289) (zie HR 2 juni 2017, NJ 2017, 239).

In eerste aanleg is geen wettelijke rente gevorderd. Dit is wel geschied bij de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, die daarmee kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling. Dit betekent dat de man tevens wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf de dag van de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, te weten 5 maart 2018.

Op grond van hetgeen hiervoor en in het tussenarrest van 23 juli 2019 is overwogen, zal het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen en beslissen als hierna, onder 7, is weergegeven.

Het hof zal met toepassing van art. 237 jo. art. 353 Rv (partijen zijn voormalige levensgezellen) de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

7. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover het betreft:

- de peildatum voor de verdeling van de saldi van de bankrekeningen;

- de camper;

- de Toyota;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de peildatum voor de verdeling van de saldi van de bankrekeningen 1 augustus 2015 is;

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van het bedrag van € 70.766,92 uit hoofde van een haar toekomend vergoedingsrecht, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 maart 2018 tot de dag van algehele voldoening;

deelt de Toyota toe aan de man tegen een waarde van € 2.375,-- onder de verplichting uit hoofde van overbedeling om de helft van die waarde, € 1.187,50, aan de vrouw te voldoen;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, P.P.M. van Reijsen en E.M.C. Dumoulin en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 oktober 2019.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?