6. De beschikking van het hof van 26 september 2019
Bij deze beschikking heeft het hof het NIFP verzocht om te bemiddelen bij de benoeming van een onafhankelijk deskundige voor het verrichten van een deskundigenonderzoek op grond van artikel 810a lid 2 Rv. Eveneens bij deze beschikking heeft het hof de moeder en de GI in de gelegenheid gesteld om te reageren op de voorlopig geformuleerde onderzoeksvragen zoals opgenomen in deze beschikking.
7. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Vanuit het NIFP
Het NIFP heeft het hof per brief van 2 oktober 2019 laten weten dat zij zich belemmerd voelen in het zoeken naar rapporteurs omdat zij niet weten waar de ouders en de kinderen wonen. Verder adviseert het NIFP het hof om de vraagstelling binnen de onderzoeksvragen uit te breiden met een vraag naar de persoonlijkheid en het functioneren van zowel de moeder als de vader en de invloed hiervan op hun beider opvoedvaardigheden.
Bij brief van 13 november 2019 heeft het NIFP het hof geïnformeerd dat de moeder de verzochte informatie inmiddels heeft verstrekt. Tevens heeft het NIFP het hof verzocht om toezending van de stukken. Daarop heeft het hof op 22 november 2019 een kopie van het procesdossier verstuurd aan het NIFP.
Bij brief van 16 januari 2020 heeft het hof een brief naar het NIFP gestuurd met het (herhaalde) verzoek of het NIFP een deskundige wil aandragen.
Bij brief van 20 januari 2020 heeft het NIFP het hof laten weten dat zij mevrouw A. Laurijssen (kinder- en jeugdpsycholoog) bereid heeft gevonden het psychologisch onderzoek bij de kinderen en het onderzoek naar de opvoedvaardigheden van beide ouders te verrichten. Mevrouw H. Koornstra (GZ-psycholoog) zal het onderzoek naar de cognitieve mogelijkheden, de persoonlijkheid en het functioneren van beide ouders op zich nemen. Beide onderzoekers zullen een offerte opstellen.
Bij brief van 5 februari 2020 heeft het NIFP de offertes van mevrouw Laurijssen en mevrouw Koornstra overgelegd.
Vanuit de (advocaat van de) moeder
De moeder heeft het hof op 29 oktober 2019 persoonlijk een brief geschreven waarin zij heeft gereageerd op de onderzoeksvragen. De moeder verzoekt het hof in deze brief om een herstelbeschikking af te geven, omdat het hof onjuiste data zou hebben vermeld over het moment waarop de kinderen in verschillende pleeggezinnen zijn geplaatst. Verder heeft de moeder een GGZ-rapportage overgelegd van 14 september 2019.
Het hof heeft op 7 november 2019 telefonisch contact gehad met het advocatenkantoor van mr. De Gruijl door middel van welk contact is bevestigd dat mr. De Gruijl nog steeds optreedt als advocaat van de moeder.
Vervolgens heeft het hof de moeder en haar advocaat op 22 november 2019 een brief gestuurd waarin:
is medegedeeld dat het niet aan de moeder persoonlijk was om te reageren op de onderzoeksvragen en met het verzoek aan mr. De Gruijl om alsnog te reageren op de onderzoeksvragen zoals geformuleerd in de tussenbeschikking;
is medegedeeld dat de moeder nadere verzoeken via een advocaat moet indienen.
Het hof heeft de brief van de moeder van 29 oktober 2019 met alle bijlagen teruggestuurd naar de moeder.
Het hof heeft bij brief van 3 maart 2020 aan de moeder (en ook aan de GI verzocht om het hof te informeren hoe zij tegenover de benoeming van de deskundigen staan en of zij kunnen instemmen met de aanvullende onderzoeksvraag van het NIFP (zoals geformuleerd in rechtsoverweging 7.1. van deze beschikking)
Bij V-formulier van 29 november 2019 heeft mr. De Gruijl het hof geïnformeerd dat beide ouders zich kunnen vinden in de door het hof geformuleerde onderzoeksvragen. Bij brief van 11 maart 2020 heeft mr. De Gruijl laten weten dat de moeder akkoord gaat met de benoeming van de deskundigen en dat zij instemt met de aanvullende onderzoeksvraag van het NIFP.
Vanuit de GI
De GI heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om te reageren op de onderzoeksvragen.
8. De verdere beoordeling
Onderzoeksvragen
Zoals gezegd stemt de moeder in met de onderzoeksvragen.
Het hof voegt de aanvullende vraag van het NIFP toe aan de door het hof geformuleerde onderzoeksvragen.
Zoals in het dictum van de tussenbeschikking van 26 september 2019 is opgenomen, gaat het hof er vanuit dat de GI geen aanvullingen en/of bezwaren heeft tegen de onderzoeksvragen.
Gelet op het voorgaande, stelt het hof de onderzoeksvragen als volgt vast:
hoe kan de ontwikkeling en het huidige functioneren van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden beschreven aan de hand van de volgende gebieden: cognitieve-ontwikkeling, sociaal-emotionele ontwikkeling en gehechtheidsontwikkeling, zowel in de relatie tussen de moeder en de kinderen, de vader en de kinderen als tussen de kinderen en hun verschillende pleegouders?
wat zijn de cognitieve, pedagogische en affectieve mogelijkheden en beperkingen van de moeder en de vader en sluiten deze mogelijkheden aan bij hetgeen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nu en in de toekomst nodig hebben en wat is hierbij de invloed van de persoonlijkheid en de wijze van functioneren van zowel de moeder als de vader?
is de moeder (met de vader samen) in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (in combinatie met de verantwoordelijkheid die de moeder heeft voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ) te dragen en daarbij aan te sluiten bij hetgeen deze kinderen nodig hebben om zich op positieve wijze te ontwikkelen?
zijn er, vanuit [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bezien, contra-indicaties voor een thuisplaatsing?
in hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar die wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en/of bij eventueel te nemen beslissingen?
Het hof zal mevrouw Laurijssen en mevrouw Koornstra benoemen tot deskundigen.
De advocaat van de moeder dient de deskundigen binnen 14 dagen nadat deze beschikking is gegeven te voorzien van afschriften van de processtukken.
De deskundigen dienen eventuele nadere informatie die zij nodig hebben en die geen deel uitmaakt van de processtukken, bij de advocaat van de moeder, de GI of bij de raad op te vragen.
De partij die nadere informatie verschaft dient een afschrift daarvan toe te zenden aan de andere partij.
De deskundigen worden verzocht de verkregen informatie als bijlage bij het deskundigen-rapport te voegen. Indien de deskundigen voor het onderzoek gebruik maken van informatie van derden, dienen zij daarvan melding te maken in het deskundigenrapport.
Voor de goede orde wijst het hof erop dat de betrokkenen de verplichting hebben om mee te werken aan het onderzoek en het hof krachtens het bepaalde in artikel 198 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) uit een gebrek aan medewerking de gevolgtrekking kan maken die het geraden acht.
Voorts overweegt het hof dat de deskundigen de te onderzoeken persoon de gelegenheid dienen te geven opmerkingen te maken over het deskundigenrapport en uit het deskundigen-rapport dient te blijken dat dat is gebeurd.
Het hof zal bepalen dat de kosten van het deskundigenonderzoek ten laste van de Staat, 's Rijks Kas, zullen komen. De werkzaamheden zijn door de deskundigen begroot en worden uitgevoerd conform:
het Besluit van 1 september 1995, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 810a Rv;
het Besluit van 26 oktober 2010, houdende vaststelling van de griffierechten en de bedragen, bedoeld in de artikelen 21, tweede lid, respectievelijk 26 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken, alsmede het tarief en de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 597 respectievelijk 838 Rv en tot intrekking van het Besluit tarieven in burgerlijke zaken (Besluit griffierechten burgerlijke zaken), en:
het Besluit van 16 augustus 2003, houdende vaststelling van tarieven voor vergoedingen als bedoeld in de artikelen 3, 4, 6, 7, 17 en 18 van de Wet tarieven in strafzaken (Besluit tarieven in strafzaken 2003).
Deze besluiten komen er op neer dat conform het daartoe vastgestelde uurtarief en binnen een maximum aan vastgestelde uren door de deskundigen dient te worden gewerkt.
Het voorschot zal voorlopig, met inachtneming van voormelde Besluiten en in aanmerking nemende de te verrichten onderzoeken, conform de offertes van mevrouw mevrouw Laurijssen en mevrouw Koornstra als volgt worden begroot:
mevrouw Laurijssen: op 60 uur x € 97,09 is € 5.824,20 exclusief BTW en exclusief reiskosten.
mevrouw Koornstra: op 62 uur x € 97,09 is € 6.018,34 exclusief BTW en exclusief reiskosten.
De door de deskundigen in rekening te brengen reiskosten bedragen € 2,95 (exclusief BTW) per retourkilometer. Indien de deskundigen voorzien dat de kosten hoger uit gaan vallen, dient daartoe vooraf, met begroting van de meerkosten, schriftelijk toestemming van het hof te worden verkregen.
In de eindbeschikking zal een definitieve beslissing worden genomen over de betaling van de uiteindelijke kosten.
Het hof zal in afwachting van het deskundigenonderzoek iedere verdere beslissing aanhouden en verzoekt de deskundigen uiterlijk op maandag 25 mei 2020 het deskundigenrapport uit te brengen.
Het hof zal mr. L.Th.L.G. Pellis tot raadsheer-commissaris benoemen, tot wie de deskundigen zich door tussenkomst van de griffie dienen te wenden met (procedurele)
vragen en verzoeken, indien het deskundigenonderzoek daartoe aanleiding geeft.
Iedere beslissing wordt aangehouden.
9. De beslissing
Het hof:
beschikkende in hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden:
benoemt tot deskundigen:
als correspondentieadres hanterend p/a NIFP, [adres] , [postcode] [plaats] , (postbus [postbus] , [postcode plaats]);
gelast een deskundigenonderzoek en verzoekt de deskundigen om een onderzoek in te stellen en een deskundigenrapport uit te brengen waarbij de volgende onderzoeksvragen worden beantwoord:
begroot het voorschot ter zake van de kosten van de deskundigen voorlopig op:
voor het te verrichten deskundigenonderzoek. De door de deskundigen in rekening te brengen reiskosten bedragen € 2,95 (exclusief BTW) per retourkilometer;
bepaalt dat deze kosten door de Staat kunnen worden voorgeschoten;
bepaalt dat in de eindbeschikking een definitieve beslissing over de betaling van de uiteindelijke kosten zal worden opgenomen;
benoemt mr. L.Th.L.G. Pellis tot raadsheer-commissaris, onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden;
verzoekt de deskundigen uiterlijk maandag 25 mei 2020 hun deskundigenrapport uit te brengen;
houdt iedere verdere beslissing aan;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de benoemde deskundigen zal zenden.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G. Pellis, C.N.M. Antens en H.M.A.W. Erven en is op 19 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.