GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.264.909/01
arrest van 9 juni 2020
gewezen in het (voorwaardelijk) incident ex artikel 118 Rv in de zaak van
[[X ]] Holding B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. P. Haas te Rotterdam,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] , Denemarken,
2. Luckey Establishment,gevestigd te [vestigingsplaats] , Liechtenstein,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat: mr. G.H. Gispen te Rotterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 7 juni 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 13 maart 2019, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen appellante – [[X ]] Holding – als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en geïntimeerden – [geïntimeerde 1] en Luckey – als eisers in conventie, verweerders in reconventie.
1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/300388/ HA ZA 15-375)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, het tussenvonnis van 18 november 2015 en het vonnis in incident van 16 november 2016.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident ex artikel 118 Rv bepaald.
3. De beoordeling
In het incident
[[X ]] Holding is een houdstervennootschap in een groep van ondernemingen ( [[X ]] Groep). De aandelen in [[X ]] Holding worden gehouden door Stichting Administratiekantoor [[X ]] Holding (STAK). De ultimate beneficial owners (uiteindelijk belanghebbenden) van [[X ]] Holding zijn [geïntimeerde 1] en zijn zussen [zus 1] en [zus 2] .
Luckey is een vennootschap naar het recht van het Vorstendom Liechtenstein. [geïntimeerde 1] is de begunstigde ten aanzien van het kapitaal en de verdiensten van deze rechtspersoon.
Partijen zijn in een geschil verwikkeld over de zeggenschap over/de governance van de [[X ]] Groep.
In eerste aanleg hebben [geïntimeerde 1] en Luckey zowel [[X ]] Holding als STAK gedagvaard en onder meer vernietiging van een aantal besluiten van (de algemene vergadering van) [[X ]] Holding en STAK gevorderd. [[X ]] Holding heeft vervolgens een reconventionele vordering ingesteld.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank in reconventie de vorderingen van [geïntimeerde 1] en Luckey deels toegewezen en in reconventie de vorderingen van [[X ]] Holding afgewezen.
Alleen [[X ]] Holding is in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde 1] en Luckey in conventie en het alsnog toewijzen van haar vorderingen in reconventie.
[geïntimeerde 1] en Luckey hebben in hoger beroep bij memorie van antwoord hun eis vermeerderd jegens [[X ]] Holding, en voor zover mogelijk ook jegens STAK.
In het onderhavige, voorwaardelijk ingestelde, incident hebben [geïntimeerde 1] en Luckey gevorderd dat het hof gelegenheid geeft om STAK alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv binnen een daartoe door het hof te stellen termijn. [geïntimeerde 1] en Luckey hebben bij memorie van antwoord hun eis gewijzigd. De incidentele vordering is ingesteld onder de voorwaarde dat het hof, gelet op de volgens [geïntimeerde 1] en Luckey noodzakelijke betrokkenheid van STAK bij de implementatie van de door hen bij eiswijziging gevorderde bevelen tegen [[X ]] Holding, van oordeel is dat er sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.
[[X ]] Holding heeft de incidentele vordering gemotiveerd bestreden.
Het hof stelt vast dat in de hoofdzaak nog niet is geoordeeld over de toelaatbaarheid van de eiswijziging van [geïntimeerde 1] en Luckey. Een beslissing over de vraag of er door deze eiswijziging sprake is en kan zijn van een processueel ondeelbare rechtsverhouding is derhalve prematuur. Het hof zal de beslissing over deze vraag en over de incidentele vordering aanhouden tot de beslissing in de hoofdzaak.
Op dit moment ziet het hof geen aanleiding om ambtshalve de gelegenheid te geven STAK in het hoger beroep te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv. De eiswijziging buiten beschouwing latend, is het hof vooralsnog van oordeel dat er geen sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding. Een definitieve beslissing over dit punt wordt evenwel overgelaten aan de kamer die de hoofdzaak zal behandelen, gelet op de verwevenheid met de inhoudelijke behandeling van de zaak.
In de hoofdzaak
Hof verwijst de zaak naar de rol van 7 juli 2020 voor beraad partijen, ambtshalve peremptoir. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4. De beslissing
Het hof:
in het incident:
houdt de beslissing aan tot de beslissing in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 7 juli 2020 voor beraad partijen, ambtshalve peremptoir.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 juni 2020.
griffier rolraadsheer