Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 6 december 2018, in de strafzaak met parketnummer 01-152677-18 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats/land] op [geboortedag] 1969,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De economische politierechter heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van ‘overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.15, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, opzettelijk meermalen begaan’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.
De inbeslaggenomen zendapparatuur, transformatoren en portofoon zijn onttrokken aan het verkeer.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft verweer gevoerd strekkende tot nietigverklaring van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en heeft voorts om terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant verzocht, nu is nagelaten een afschrift van de dagvaarding aan de toenmalige raadsvrouw van verdachte te versturen, waardoor de raadsvrouw niet op de hoogte was van de datum van de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste aanleg.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de verdachte ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.
Het beroepen vonnis is op 6 december 2018 bij verstek gewezen. De inleidende dagvaarding om op 6 december 2018 te verschijnen ter terechtzitting van de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ‘s-Hertogenbosch, is blijkens de daaraan gehechte akte van uitreiking op 29 augustus 2018 aan de verdachte in persoon betekend.
Op grond van artikel 408, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering moet in een dergelijk geval binnen veertien dagen na de einduitspraak hoger beroep worden ingesteld. In de toelichting bij de aan de verdachte uitgereikte inleidende dagvaarding is dit onder het kopje “beroepsmogelijkheden” ook vermeld. Gelet hierop is voor het aanvangen van de appeltermijn slechts bepalend of de verdachte – en dus niet de raadsvrouw - op de hoogte was van de datum van de inhoudelijke behandeling van de zaak.
Aangezien het hoger beroep tegen het vonnis eerst bij akte d.d. 17 april 2019 namens verdachte ter griffie van de rechtbank Oost-Brabant is ingesteld, is dit hoger beroep te laat ingesteld. Van omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar zouden kunnen doen zijn, is het hof niet gebleken. Gelet hierop dient verdachte in het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
BESLISSING
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. K.J. van Dijk, voorzitter,
mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. D.A.E.M. Hulskes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. van Dijk, griffier,
en op 12 mei 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.