waarbij feit 1 en feit 2 in eendaadse samenloop zijn begaan.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat aan hem bij een bewezenverklaring een aanzienlijk lagere gevangenisstraf zal worden opgelegd dan de in eerste aanleg opgelegde straf en de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Daartoe is aangevoerd dat bij de straftoemeting de samenloopbepaling van artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht moet worden meegewogen, alsmede dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als de coördinerende persoon die achter de schermen alles aanstuurt. Zijn rol is maximaal die van de transporteur. Voorts is verzocht de betrekkelijk korte periode in ogenschouw te nemen, alsmede te onderkennen dat straftoemeting niet een louter mathematische aangelegenheid is. Wat betreft de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is erop gewezen dat hij een first offender is en dat deze strafzaak grote gevolgen voor hem heeft gehad, in het bijzonder de omstandigheid dat zijn onderneming failliet is verklaard met alle gevolgen van dien.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor een aanzienlijke duur met zich brengt.
De verdachte heeft zich samen met een of meer anderen schuldig gemaakt aan de (verlengde) invoer van een hoeveelheid cocaïne en de voorbereiding en bevordering van het plegen van Opiumwet-delicten, waarbij sprake is van eendaadse samenloop. Dit zijn zeer ernstige feiten. De verdachte heeft met zijn handelen een substantiële bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Het gebruik van harddrugs vormt een bedreiging voor de volksgezondheid. De handel in en het gebruik van harddrugs leiden tot zeer ernstige vormen van criminaliteit. Met de handel in drugs worden enorme bedragen verdiend. Geld dat steeds vaker wordt witgewassen en op die manier zijn weg naar de bovenwereld vindt en als ondermijnend wordt aangemerkt. De verdachte heeft zich aan deze voor de samenleving zeer nadelige gevolgen niets gelegen laten liggen.
Feitelijk is er sprake van de invoer van 110 gram van een materiaal bevattende cocaïne. De LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting geven als indicatie voor de op leggen straf: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 tot 10 weken. Het hof kan en wil echter niet voorbij gaan aan de omstandigheid dat het aanvankelijk ging om een transport van 1136,6 kilogram cocaïne, waarvan het de bedoeling was om die zeer aanzienlijke hoeveelheid naar Nederland te vervoeren. Alhoewel om juridisch-technische redenen de bewezenverklaring zich beperkt tot de teruggeplaatste hoeveelheid van 110 gram, beperkte het opzet van de verdachte zich daar niet toe, zo blijkt uit zijn opmerkelijke handelen met betrekking tot de container. Zijn uitermate actieve gedrag met betrekking tot dit transport duidt erop dat de verdachte er van uitging dat de container een veel grotere hoeveelheid cocaïne zou bevatten. Het hof zal hier in strafverzwarende zin rekening mee houden, maar niet in die mate dat wordt aangesloten bij de in België in beslag genomen hoeveelheid van 1.136,6 kilogram. Dit verklaart waarom het hof een aanzienlijk lagere straf zal opleggen dan door de advocaat-generaal is geëist.
Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 april 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk tot straf is veroordeeld voor Opiumwet-delicten, en zijn overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Alles afwegend acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. De tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht zal bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.
Met oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Evenals de rechtbank acht het hof de oplegging van een geldboete van € 20.000,-- naast de oplegging van een gevangenisstraf niet aan de orde, ook al wordt dit soort feiten gepleegd om daar financieel voordeel uit te halen. Het hof stelt vast dat de verdachte niet eerder voor enig Opiumwet-delict is veroordeeld. Een geldboete zou passend kunnen zijn indien er aanwijzingen zijn dat de verdachte enig financieel voordeel zou hebben verkregen uit zijn handelen, maar daarvan is het hof niet gebleken. Integendeel, de onderneming van de verdachte is failliet verklaard, hetgeen naar mag worden verwacht grote financiële gevolgen voor hem met zich brengt. Het hof is geenszins gebleken dat de verdachte thans beschikt over bijzondere draagkracht om een geldboete te voldoen of daar binnen afzienbare termijn over zal kunnen beschikken.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Het onder de verdachte in beslag genomen witte busje met dop, inhoudende 110 gram cocaïne, dient aan het verkeer onttrokken dient te worden verklaard, omdat dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Evenals de rechtbank zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte van het onder hem in beslag genomen geldbedrag van € 547,25 en van een mobiele telefoon van het merk Samsung, nu naar het oordeel van het hof het belang van de strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van die goederen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 47, 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- een wit busje met dop en als inhoud 110 gram cocaïne.
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- een geldbedrag van € 547,25
- een mobiele telefoon, merk Samsung, inclusief sim- en sd-kaart.
Aldus gewezen door:
mr. N.J.L.M. Tuijn, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. E.A.A.M. Pfeil, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,
en op 9 augustus 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.