Verschil (wederrechtelijk verkregen voordeel=€ 989,- -/- € 65.951): € 64.962
De onderstrepingen in de hiervoor weergegeven kasopstelling zijn door het hof aangebracht en geven de door het hof daarin aangebrachte wijzigingen aan.
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Redelijke termijn
Met de verdediging stelt het hof vast dat de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep is overschreden. De aanvang van de redelijke termijn is de datum van het instellen van het hoger beroep op 28 september 2018 en het einde van de termijn is 20 mei 2021, zijnde de datum waarop het onderhavige arrest is gewezen. Daarmee is de redelijke termijn die voor deze fase op doorgaans twee jaren wordt gesteld met bijna 8 maanden overschreden. Het hof ziet hierin aanleiding de betalingsverplichting te matigen met 10% en aan betrokkene een betalingsverplichting op te leggen voor een bedrag van (€ 64.962 -/- 10%=) € 58.465,- (afgerond).
Gijzeling
Met ingang van 1 januari 2020 is het nieuwe elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht direct van toepassing geworden. Het hof zal daarom bij het opleggen van de maatregel ook de duur van de gijzeling bepalen die, met toepassing van artikel 6:6:25 Sv, in dit geval ten hoogste kan worden gevorderd. Hierbij wordt door het hof voor elke volle
€ 50,-- van het opgelegde bedrag één dag gerekend, met een maximum van 1.080 dagen en bepaalt op grond daarvan het aantal dagen gijzeling op (€ 58.465,- : 50=) 1169 dagen, derhalve 1080 dagen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 64.962,00 (vierenzestigduizend negenhonderdtweeënzestig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 58.465,00 (achtenvijftigduizend vierhonderdvijfenzestig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. B. Stapert, voorzitter,
mr. V.M. van Daalen-Mannaerts en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. Van der Meijs, griffier,
en op 20 mei 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. V.M. van Daalen-Mannaerts en mr. M.L.P. van Cruchten zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.