ECLI:NL:GHSHE:2022:1040

ECLI:NL:GHSHE:2022:1040, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30-03-2022, 20/00760 en 21/00003 t/m 21/00226

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 30-03-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/00760 en 21/00003 t/m 21/00226
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2022:1235
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 11 zaken
Aangehaald door 4 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0005806 BWBR0005813 BWBR0006358

Samenvatting

Naheffingsaanslag BPM betreffende 225 auto’s. De waardevermindering in verband met schade bedraagt 72%; een hoger percentage heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Het hof stelt voor de auto’s het bedrag van de schade vast.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 20/00760 en 21/00003 t/m 21/00226

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 november 2020, nummers BRE 19/809 en 19/3170 t/m 19/3393 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) over de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

De inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.

De zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2021 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [A] en [B] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] . Belanghebbende heeft op deze zitting een factuur van [A] overgelegd betreffende het aantal uren voorbereiding voor de zitting.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2. Feiten

De activiteiten van belanghebbende bestaan uit de handel in en reparatie van auto’s en ook de in- en verkoop van gebruikte auto’s.

Belanghebbende heeft in het jaar 2015 voor 230 uit het buitenland afkomstige auto’s aangiften BPM gedaan. Daarbij is steeds gebruik gemaakt van taxatierapporten, waarbij een koerslijstwaarde is bepaald en vervolgens een waardevermindering in verband met schade heeft plaatsgevonden.

De inspecteur heeft in 2016 een onderzoek ingesteld naar 225 aangiften. Van dit onderzoek is op 28 november 2017 een rapport opgesteld. Dit heeft geleid tot het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag.

De naheffingsaanslag is opgelegd naar een bedrag van € 142.453. Tevens is bij beschikking € 11.332 belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete van € 71.226 opgelegd.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot € 141.496, de rentebeschikking verminderd tot € 11.256, en de boetebeschikking verminderd tot € 70.748.

De rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 91.307, de rentebeschikking evenredig verminderd en de boetebeschikking vernietigd. De rechtbank heeft tevens de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.985 en gelast dat de inspecteur het betaalde griffierecht van € 345 aan belanghebbende vergoedt.

3. Geschil en conclusies van partijen

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Dient de handelsinkoopwaarde van de verschillende auto’s op een lager bedrag te worden vastgesteld in verband met:

a. het huurverleden van enkele auto’s;

b. aanwezige schade, bestaande uit:

1. het ontbreken van Nederlandstalige onderhoudsboekjes en handleidingen

2. het ontbreken van Nederlandstalige software

3. het niet volgen van de standaard onderhoudsbeurt

4. schade aan de auto

5. bijkomende spuitkosten.

2. Dient het bedrag van de vastgestelde reparatiekosten van de schade voor 72% in aanmerking te worden genomen ter bepaling van de waardevermindering dan wel voor een hoger percentage?

3. Heeft de rechtbank terecht ten aanzien van drie auto’s de naheffingsaanslag verminderd, omdat de inspecteur de op de zaak betrekking hebbende stukken niet heeft overgelegd dan wel door het niet inbrengen van een DRZ-taxatie de door belanghebbende verdedigde waarde onvoldoende heeft betwist?

4. Wat is de omvang van de te vergoeden kosten van bezwaar en de proceskosten?

In hoger beroep is niet in geschil dat voor de auto’s waarbij gebruik is gemaakt van de koerslijst AutotelexPro recht bestaat op een correctie op de koerslijstwaarde van 5% en dat voor de auto’s waarbij gebruik is gemaakt van de koerslijst Eurotaxglass’s recht bestaat op een correctie op de koerslijstwaarde van 15%. Ook is niet in geschil dat voor auto’s waarvan de datum van eerste registratie in het buitenland is gelegen in de eerste twee maanden na een tariefswijziging in de Wet BPM, het daarvóór geldende lagere tarief mag worden toegepast ter berekening van de historische bruto BPM.

Voorts hebben partijen ter zitting ermee ingestemd dat uitgegaan kan worden van de door de rechtbank vastgestelde bedragen aan leeftijdskorting.

De inspecteur heeft – afgezien van zijn betoog over de spuitkosten ten aanzien van de auto’s 9, 23, 24, 40 en 106 – in incidenteel hoger beroep geen grieven aangevoerd ten aanzien van de door de rechtbank vastgestelde schadebedragen, zodat het hof de schade van de andere auto’s niet lager zal vaststellen dan de rechtbank heeft gedaan.

Zowel belanghebbende als de inspecteur concluderen tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vermindering van de naheffingsaanslag.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Algemeen

Belanghebbende heeft voor het bepalen van de afschrijving als bedoeld in artikel 10, lid 2, Wet BPM gebruik gemaakt van taxatierapporten. Daarbij wordt in eerste instantie een waarde vastgesteld aan de hand van een koerslijst en vervolgens wordt daarop een bedrag aan waardevermindering als gevolg van schade in aftrek gebracht. Dit systeem is toegestaan.

Voorts heeft te gelden dat een begroting van de herstelkosten voor de handelaar niet zonder meer de waardevermindering vertegenwoordigt. Die begroting kan inzicht bieden in de aard van de beschadigingen. Voor de vraag wat de invloed daarvan is op de handelsinkoopwaarde moet rekening worden gehouden met alle van belang zijnde factoren. Daarbij acht het hof van belang dat niet iedere euro aan herstelkosten zich vertaalt in een even grote invloed op de waarde van de auto. Voorts is van belang dat bij herstel van schade veelal ook normale gebruikssporen worden hersteld.

De bewijslast ten aanzien van de vraag of sprake is van meer schade dan de normale gebruikssporen die geacht wordt te zijn verwerkt in de waarde die volgt uit de gehanteerde koerslijst, rust op belanghebbende.

Toepassing van de 72%-regeling

In de bijlage bij de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Uitv.reg. BPM) is bepaald:

“3.5 De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van de referentiemotorrijtuig wordt vastgesteld door het schadebedrag te vermenigvuldigen met 72%. Indien de taxateur van mening is dat de waardevermindering voor het te taxeren motorrijtuig hoger is dan de vastgestelde norm wordt dit gemotiveerd aangegeven gestaafd met deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal.”

Diverse klachten van belanghebbende zijn gericht tegen de toepassing van deze 72%norm. Deze norm is mede gelet op de mogelijkheid van tegenbewijs niet in strijd met het Unierecht. Het hof wijst ook op de conclusie van de A-G van 22 maart 2019. De klachten van belanghebbende over de wijze waarop de 72%-norm is bepaald en het al dan niet actualiseren van deze norm, kunnen niet meebrengen dat de regeling in strijd is met het Unierecht. In feite betekent deze norm een tegemoetkoming in de bewijsvoering voor de belastingplichtige, aangezien de inspecteur niet een lager percentage zal mogen hanteren dan deze 72%. Het staat belanghebbende verder vrij om invulling te geven aan de op haar rustende bewijslast en dus ook aan de mogelijkheid om uit te gaan van een hoger percentage dan de genoemde 72%.

Belanghebbende heeft op diverse manieren in algemene bewoordingen een afwijkend percentage verdedigd. Al deze methoden zijn niet toegespitst op de concrete auto’s waarvoor aangifte is gedaan. Zo heeft belanghebbende uit gegevens van het CBS en RDW bepaald dat de gemiddelde auto in Nederland 10,2 jaar oud is en veronderstelt vervolgens dat het percentage van 72% dus hoort bij een auto van die gemiddelde leeftijd. Vervolgens heeft belanghebbende een tabel opgesteld waarbij aan de hand van de leeftijd het percentage wordt gesteld op 100 (leeftijd 0-1 jaar) tot 60,8 (leeftijd 14-15 jaar).

Het hof verwerpt een dergelijke algemene benadering. Voor de vraag of het redelijk is om meer dan 72% van de berekende reparatiekosten in aanmerking te nemen, moet worden gekeken naar diverse feiten en omstandigheden ten aanzien van de auto in kwestie. Daarbij kan de leeftijd van de auto een rol spelen, maar ook het aantal met de auto gereden kilometers, de aard van de schade en de exclusiviteit van de auto. Een dergelijke beoordeling vergt dus een op de auto toegesneden beoordeling. Om dezelfde reden wordt de door belanghebbende verdedigde methode die DRZ zou hanteren verworpen, welke methode een vast correctiepercentage hanteert op uurloon respectievelijk kosten van onderdelen en welke percentages mede afhankelijk zijn van de nieuwwaarde van een auto.

Het hof verwerpt tevens het door belanghebbende gedane beroep op tabellen die door de koerslijstmakers worden gehanteerd voor het bepalen van de omvang van de normale gebruikssporen. Ook hier wijst het hof er op dat per auto moet worden beoordeeld of - gelet op de ouderdom en het aantal gereden kilometers - sprake is van meer dan normale gebruikssporen.

Koerslijsten

Belanghebbende heeft gebruik gemaakt van diverse koerslijsten. Bij toepassing van sommige koerslijsten wenst belanghebbende rekening te houden met bepaalde correcties naast de correctie wegens schade.

a. correctie dealer- en marktsituatie

Voor enkele auto’s heeft belanghebbende gebruik gemaakt van de koerslijst Eurotaxglass’s. In hoger beroep heeft belanghebbende verdedigd dat een correctie van 15% moet plaatsvinden in verband met enerzijds de dealersituatie (5% reeds door de rechtbank geaccepteerd) en anderzijds de marktsituatie (10%). De inspecteur is akkoord met deze correctie maar acht de berekening van belanghebbende niet juist. In de beantwoording van het incidentele hoger beroep heeft belanghebbende dit erkend en zich geconformeerd aan de berekening van de inspecteur. Dit betekent dat de handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst als volgt moet worden vastgesteld voor een aantal auto’s:

Auto 1

€ 15.125

Auto 61

€ 7.506

Auto 64

€ 25.079

Auto 67

€ 9.569

Auto 167

€ 5.997

Auto 204

€ 6.244

Auto 224

€ 10.890

b. correctie ex-rental

Belanghebbende heeft voor een aantal auto’s een waardevermindering verdedigd van € 1.193 omdat sprake is van zogenoemde ex-rentals. Voor auto 61 gaat het om een auto waarbij gebruik is gemaakt van de koerslijst Eurotaxglass’s en bij de auto’s 62 en 65 is de koerslijst XRay gebruikt, maar is niet aangevinkt dat het een ex-rental betrof.

De inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank dat voor deze drie auto’s rekening mag worden gehouden met een waardecorrectie van € 1.193.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 februari 2020 geoordeeld:

“2.3.3 Wanneer de belastingplichtige voor zijn aangifte gebruik maakt van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst waarin “ex‑rental” niet als variabele is opgenomen, moet ervan worden uitgegaan dat dit gegeven bij de waardebepaling volgens deze koerslijst niet relevant is. Het staat de belastingplichtige in dat geval niet vrij om - los van de gekozen koerslijst - een vermindering wegens “ex-rental” in aanmerking te nemen. Er moet immers van worden uitgegaan dat de variabelen die de koerslijst in aanmerking neemt, een samenhangend geheel vormen.”

Voor auto 61 is gebruik gemaakt van een koerslijst waarin ‘ex-rental’ niet als variabele is opgenomen. Belanghebbende heeft bovendien gesteld dat de koerslijstwaarden van Eurotaxglass’s niet deels zijn gebaseerd op auto’s met een huurverleden. Gelet op de door belanghebbende geciteerde verklaring van Eurotaxglass’s acht het hof dit aannemelijk. Het hof heeft geen reden hieraan te twijfelen. Dat betekent niet dat het gelijk aan belanghebbende is. Het hof acht het onjuist om rekening te houden met een vast bedrag, ongeacht het exacte verleden van een dergelijke auto. Belanghebbende kiest voor de methode van taxatie. Dan zal zij aannemelijk moeten maken wat voor gevolgen het huurverleden op de waarde van deze concrete auto heeft gehad. Belanghebbende heeft daar geen gegevens voor aangedragen en dus niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast.

Voor de auto’s 62 en 65 geldt dat aangifte is gedaan met gebruikmaking van de koerslijst XRay. Voor deze koerslijst geldt dat met ingang van 1 mei 2015 de mogelijkheid bestaat om aan te vinken dat er sprake is van een ex-rental. Indien dit vakje wordt aangevinkt wordt daarmee rekening gehouden bij de waardebepaling. Belanghebbende heeft deze aangiften op 6 respectievelijk 8 mei 2015 ingediend, maar het betreffende vakje niet aangevinkt, vermoedelijk omdat de taxateur nog niet op de hoogte was van deze mogelijkheid. Dit neemt niet weg dat belanghebbende in een latere fase alsnog een juiste koerslijst had kunnen inbrengen waarbij hiermee wel rekening wordt gehouden. Belanghebbende heeft dat niet gedaan. Aldus heeft belanghebbende niet aan haar bewijsplicht voldaan om de waardevermindering als gevolg van het huurverleden van deze twee auto’s aannemelijk te maken.

Het voorgaande betekent dat het incidentele hoger beroep van de inspecteur op dit punt slaagt.

Waardevermindering in verband met schade of andere gebreken

Voor verschillende auto’s is in geschil of recht bestaat op waardevermindering vanwege de aanwezigheid van schade die meer omvat dan normale gebruikssporen dan wel de aanwezigheid van bepaalde gebreken. Voorts is in geschil of de geconstateerde reparatiekosten voor 72% in aanmerking moeten worden genomen dan wel tegen een hoger percentage.

Wat de gebreken betreft gaat het om de volgende zaken:

a. het ontbreken van Nederlandstalige onderhoudsboekjes en handleidingen;

b. het ontbreken van Nederlandstalige software;

c. het niet volgen van de standaard onderhoudsbeurt;

d. concrete schade van de diverse auto’s en de eventueel in aanmerking te nemen kosten van herstel, waaronder de spuitkosten.

a. Nederlandstalige onderhoudsboekjes en handleidingen

In diverse uitspraken heeft het hof, maar ook het hof Arnhem-Leeuwarden, geoordeeld dat het ontbreken van Nederlandstalige handleidingen en onderhoudsboekjes een waardeverminderend effect heeft op de handelswaarde van de auto. Het hof ziet geen reden om thans anders te oordelen. Het hof acht het door belanghebbende opgevoerde, en door de rechtbank gevolgde, bedrag van € 103 inclusief btw redelijk.

b. Nederlandstalige software

Belanghebbende heeft bij sommige auto’s eveneens een waardevermindering in aanmerking genomen in verband met het installeren van Nederlandstalige software. Het hof gaat ervan uit dat het van algemene bekendheid is dat in het algemeen de navigatiesoftware op eenvoudige wijze is aan te passen naar een andere taal. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor de auto’s waarbij een kostenpost hiervoor is opgevoerd en door de inspecteur niet is geaccepteerd, anders zou zijn. Belanghebbende heeft ook verdedigd dat naast de navigatiesoftware sprake is van motorsoftware (boordcomputer), die niet eenvoudig is om te zetten. De inspecteur heeft dit gemotiveerd weersproken en op de zitting geloofwaardig verklaard dat vanaf 2001 het zogenoemde EOBD-systeem in Europa geldt en dat dit systeem in het Engels is waardoor ieder bedrijf in Europa de gegevens eenvoudig kan uitlezen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van vaste foutcodes. Het hof ziet dan ook geen noodzaak tot aanpassing van deze software en zeker geen aanleiding om hiervoor een waardevermindering toe te kennen. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat hiervoor geen waardevermindering in aanmerking kan worden genomen.. In gevallen waarin de inspecteur de betreffende in de schadecalculatie opgenomen post toch heeft geaccepteerd, zal het hof dit uiteraard volgen.

c. Achterstallig onderhoud

Bij enkele auto’s neemt belanghebbende onder het schadebedrag een extra bedrag op omdat de auto niet de normale onderhoudsbeurt heeft ondergaan, dat wil zeggen dat de laatste onderhoudsbeurt langer geleden heeft plaatsgevonden dan normaliter volgens het onderhoudsprogramma wordt geadviseerd.

Het hof sluit niet uit dat door achterstallig onderhoud sprake kan zijn van ‘schade’ die leidt tot een waardevermindering van de auto. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van onderdelen in de auto’s die dermate zijn versleten dat vervanging noodzakelijk is, terwijl bij vergelijkbare auto’s waarop de koerslijstwaarden zijn gebaseerd dat niet het geval is, dan wel dat vervanging al heeft plaatsgevonden. In hoeverre daar in concrete gevallen sprake van is, zal per auto moeten worden beoordeeld. Het enkele feit dat een geadviseerde onderhoudsbeurt niet heeft plaatsgevonden, behoeft nog niet te betekenen dat er sprake is van ‘schade’ in voormelde zin. Belanghebbende kan dan ook niet volstaan met de enkele constatering dat er sprake is van achterstallig onderhoud, maar zal tevens aannemelijk moeten maken dat voor de desbetreffende auto sprake is van schade als gevolg hiervan. Dit laatste heeft belanghebbende niet gedaan en dus heeft zij de gestelde waardevermindering op dat punt niet aannemelijk gemaakt. Voor zover de inspecteur in een enkel geval deze post wel heeft geaccepteerd, zal het hof dit uiteraard volgen..

d. Schade aan de auto

Belanghebbende heeft voor alle auto’s taxatierapporten overgelegd, waarin foto’s zijn opgenomen van onderdelen van de auto’s waaruit de vervolgens opgenomen schade zou moeten blijken. De inspecteur heeft de omvang van de schade bestreden door middel van rapportages van DRZ. Daarin wordt toegelicht welke posten niet worden geaccepteerd als schade waarna steeds een bedrag wordt genoemd aan geaccepteerde schade. In veel gevallen heeft het hof de cijfermatige aansluiting kunnen herleiden. Bij 78 auto’s kon het hof aanvankelijk geen aansluiting maken tussen de door belanghebbende opgevoerde schade en het door DRZ geaccepteerde schadebedrag. Aan de inspecteur is daarom gevraagd om bij die 78 auto’s inzichtelijk te maken welke posten wel, en welke posten niet, door DRZ zijn geaccepteerd als schade. De inspecteur heeft daarop geantwoord via de brief van 23 november 2021 aan de hand van de schaderapporten van belanghebbende, waarbij de inspecteur gearceerd heeft welke bedragen thans door DRZ zijn geaccepteerd. In alle gevallen is het oorspronkelijk door DRZ geaccepteerde bedrag niet meer te herleiden naar de door belanghebbende opgevoerde schadeposten en berekent DRZ thans afwijkende schadebedragen. Waar DRZ thans een hoger bedrag berekent, conformeert de inspecteur zich aan dat hogere bedrag. De inspecteur heeft zich niet uitgelaten over de vraag wat voor gevolgen moeten worden verbonden indien DRZ thans een lager bedrag berekent. Aangezien de inspecteur zijn incidentele hoger beroep niet heeft aangevuld op dit punt, concludeert het hof dat de inspecteur in dat geval het aanvankelijk berekende hogere schadebedrag accepteert.

De posten uit de schadecalculaties die DRZ aldus niet heeft geaccepteerd, zijn derhalve nog in geschil en daar zal het hof een oordeel over geven.

Spuitkosten

Partijen bestrijden allebei het oordeel van de rechtbank over de spuitkosten dan wel de bijkomende spuitkosten. Belanghebbende betoogt dat de rechtbank ten onrechte de bijkomende spuitkosten op een procentueel deel van de spuitkosten stelt, omdat deze altijd moeten worden gemaakt indien onderdelen gespoten moeten worden en dus niet afgeleid kunnen worden van de hoogte van de spuitkosten zelf. De inspecteur bestrijdt niet zozeer het oordeel van de rechtbank om de bijkomende spuitkosten op 25% te stellen, maar meent dat de rechtbank een onjuiste berekening maakt.

Het hof volgt het standpunt van belanghebbende dat wanneer sprake is van spuitkosten, de bijkomende spuitkosten altijd gemaakt moeten worden en dus niet op een procentueel deel van de spuitkosten kunnen worden gesteld. Het hof zal dan ook bij de beoordeling van de schadetaxaties de opgevoerde bijkomende spuitkosten in aanmerking nemen indien het hof concludeert dat er onderdelen gespoten moeten worden. In zoverre hoeft het hof ook niet meer in te gaan op de begrijpelijkheid van de vaststelling van de bijkomende spuitkosten door de rechtbank.

Ontbrekende rapporten

De rechtbank heeft geconstateerd dat de inspecteur twee taxatierapporten niet heeft overgelegd (auto 175 en 177) en dat hij van auto 6 en auto 19 de beoordeling door DRZ niet heeft overgelegd. Op grond daarvan heeft de rechtbank vervolgens belanghebbende in het gelijk gesteld ten aanzien van die auto’s.

De inspecteur heeft in hoger beroep de stukken van de auto’s 19, 175 en 177 alsnog ingebracht. Het staat de inspecteur vrij om zijn standpunt in hoger beroep nader te onderbouwen. Het hof ziet geen reden om die stukken buiten aanmerking te laten. In hoeverre het pas in hoger beroep overleggen van deze op de zaak betrekking hebbende stukken gevolgen moet hebben voor het toekennen van een proceskostenvergoeding, komt hierna aan de orde.

De ontbrekende rapportage van DRZ betreffende auto 6 heeft de inspecteur ook in hoger beroep niet ingebracht. Het oordeel van de rechtbank (geen naheffing) blijft derhalve in stand.

Het hof heeft voorts geconstateerd dat het taxatierapport van auto 178 ontbrak in het dossier. Belanghebbende beschikte daarover kennelijk ook niet meer. De inspecteur heeft deze alsnog ingebracht bij brief van 18 november 2021. De inspecteur merkt daarbij op dat de rechtbank de naheffing voor deze auto ten onrechte op nihil heeft gesteld en wenst uit dien hoofde zijn incidentele hoger beroep aan te vullen. Het hof stelt vast dat in de stukken bij de rechtbank voor auto 178 een taxatierapport van een Volvo V50 was gevoegd, maar dat was dezelfde auto als auto 72. De DRZ-rapportage voor auto 178 heeft betrekking op een Volkswagen CC. Daardoor is kennelijk verwarring ontstaan. De rechtbank volgde weliswaar de inspecteur met betrekking tot de schade (afgezien van de post onderhoudsboekjes), maar stelde de naheffing vast op nihil omdat zij overigens van de onjuiste auto uitging (ten aanzien van koerslijstwaarde, bruto BPM en bedrag dat op aangifte is voldaan). Nu de inspecteur in hoger beroep alsnog het juiste taxatierapport van de Volkswagen (VIN eindigend op [VIN-nummer 1] ) heeft overgelegd, zal het hof alsnog de naheffing beoordelen.

Beoordeling van de schaderapporten

Het hof heeft vervolgens de taxatierapporten beoordeeld. In veel gevallen komt het hof tot de conclusie dat (een deel van) de gepresenteerde schade is aan te merken als normale gebruikssporen, mede in acht genomen de leeftijd van de auto’s en het aantal gereden kilometers met de auto’s. Anderzijds ziet het hof ook in veel gevallen meer schade dan door de inspecteur wordt geaccepteerd. Het reeds door de inspecteur geaccepteerde schadebedrag neemt het hof dan als ondergrens; de beoordeling van de niet-geaccepteerde posten leidt dan tot een hoger schadebedrag dan waarvan de inspecteur uitgaat. Een exacte berekening van schade respectievelijk waardevermindering miskent dat het waarderen geen exacte wetenschap is. Het hof zal daarom, uitgaande van zijn beoordeling van enerzijds de taxatierapporten en anderzijds de beoordelingen door DRZ alsmede dat wat partijen in hoger beroep nog specifiek hebben aangevoerd, de schade schattenderwijs vaststellen. De uitkomst daarvan is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Een concrete bespreking van het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de zestien auto’s waarbij de rechtbank een hoger schadebedrag vaststelt dan waar de inspecteur van uit is gegaan, kan dan ook achterwege blijven.

Het hof wenst op enkele specifieke punten een nadere toelichting te geven.

Voor auto 192, een Volkswagen Golf, was het door DRZ geaccepteerde schadebedrag niet te herleiden. Onder andere voor deze auto heeft het hof de inspecteur verzocht duidelijkheid te verschaffen (zie overweging 4.19). In de reactie van 23 november 2021 van de inspecteur wordt voor auto 192 een schadecalculatie van een geheel andere auto bijgevoegd, namelijk die van auto 191, een Mercedes-Benz. Derhalve bestaat nog steeds geen inzicht in het door DRZ geaccepteerde schadebedrag en is niet duidelijk welke posten wel en niet zijn geaccepteerd. Om die reden heeft het hof zelfstandig op basis van het bij de rechtbank ingediende taxatierapport en de daarbij behorende foto’s de schade bepaald.

In het overzicht van belanghebbende heeft zij voor auto 214 verzuimd rekening te houden met een correctie van 5% op de koerslijstwaarde, ondanks het gegeven dat hier de koerslijst AutotelexPro is gebruikt. Het hof begrijpt dat dit een kennelijke omissie is en heeft daarmee alsnog rekening gehouden.

Toepassing 72%-norm

Belanghebbende heeft gesteld dat de waardevermindering als gevolg van de schade moet worden vastgesteld op een hoger percentage dan 72. Belanghebbende heeft echter op geen enkele wijze feiten en omstandigheden naar voren gebracht ten aanzien van de individuele auto’s op grond waarvan een hoger percentage gerechtvaardigd zou zijn. Het hof is daarom van oordeel dat belanghebbende – op wie in deze de bewijslast rust – niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waardevermindering van de auto’s op een hoger percentage van de geconstateerde schade dan 72 moet worden gesteld.

Het hof wijst er op dat belanghebbende in hoger beroep een overzicht heeft verstrekt, waarbij soms voor auto’s zowel het door belanghebbende voorgestane verminderingspercentage is verwerkt als de 72%. Het hof heeft in het in de bijlage opgenomen overzicht deze omissie hersteld in het voordeel van belanghebbende door uitsluitend de geaccepteerde schade tegen 72% in aanmerking te nemen ter bepaling van de waardevermindering.

Proceskosten en kosten van bezwaar

Belanghebbende heeft voorts het oordeel van de rechtbank over de toegekende proceskostenvergoeding en de vergoeding voor de kosten van bezwaar bestreden. De rechtbank heeft weliswaar rekening gehouden met het grote aantal auto’s waarvan de waarde in geschil is, maar slechts reden gezien om daarvoor een wegingsfactor 2 toe te passen.

De inspecteur heeft eveneens het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden, maar dan wat betreft de toegekende vergoeding voor de deskundige. De inspecteur is van mening dat de voorbereidingstijd voor de zitting bij de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking komt. Voorts stelt hij dat de deskundige, de heer [A] , zelf geen rapport of verslag heeft uitgebracht. Ten slotte stelt hij dat het uurtarief en de urenspecificatie onvoldoende onderbouwd zijn.

Het hof verwerpt het standpunt van de inspecteur over de kosten van de deskundige. Op grond van artikel 1, aanhef en letter b, Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) komen de kosten van een deskundige die door een partij is meegebracht, dan wel van een deskundige die aan een partij een verslag heeft uitgebracht, voor vergoeding in aanmerking. In dit geval heeft belanghebbende een deskundige meegebracht en deze deskundige heeft ook een inhoudelijke inbreng geleverd voor het partijdebat. Om die reden komen de voor de inschakeling van deze deskundige gemaakte kosten in beginsel voor vergoeding in aanmerking.

De inspecteur heeft voorts gesteld dat de voorbereidingstijd niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat belanghebbende er voor heeft gekozen de heer [A] naar de zitting mee te nemen in plaats van de taxateur(s) die oorspronkelijk de taxatierapporten hebben opgemaakt. Het hof wijst er op dat de betreffende taxatierapporten in 2015 zijn opgemaakt. Gelet op het zeer grote aantal auto’s acht het hof een voorbereidingstijd voor de procedure bij de rechtbank van 8 uur geenszins onredelijk, zelfs niet indien de oorspronkelijke taxateurs de bijstand hadden moeten verlenen. Het uurtarief van € 85 (exclusief btw) acht het hof evenzeer alleszins redelijk. De door de rechtbank vastgestelde vergoeding voor de kosten van de deskundige van € 1.360 zal het hof dan ook handhaven.

Het hof is met belanghebbende van oordeel dat er – gelet op het zeer grote aantal (te beoordelen taxatierapporten van) auto’s – sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, Besluit. Het hof ziet aldus reden om af te wijken van het puntenstelsel van het Besluit. Het hof stelt de vergoeding voor de kosten door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand van bezwaar respectievelijk beroep bij de rechtbank in redelijkheid vast op € 2.000 respectievelijk € 5.000.

Tussenconclusie

Op grond van al het voorgaande is het hof van oordeel dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd naar een bedrag van € 69.191. Het betekent dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is. De door de inspecteur in het incidentele hoger beroep aangevoerde gronden zijn weliswaar op onderdelen gegrond, maar per saldo leidt het incidentele hoger beroep niet tot een voor de inspecteur gunstigere uitkomst dan de rechtbank heeft geoordeeld. Het hof komt immers tot een lagere naheffingsaanslag. Het incidentele hoger beroep dient om die reden ongegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 532 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Ten aanzien van de proceskosten

Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is. Om deze reden bestaat er geen aanleiding om nog afzonderlijk te oordelen over eventuele gevolgen van het niet overleggen van enkele taxatierapporten/DRZ-beoordelingen bij de rechtbank.

Op dezelfde gronden als is overwogen over de kosten van bezwaar en de kosten van beroep bij de rechtbank, acht het hof bijzondere omstandigheden aanwezig als bedoeld in artikel 2, lid 3, Besluit. Het hof stelt de vergoeding van de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep in redelijkheid vast op € 3.000.

Deze kosten worden verhoogd met de kosten van de deskundige, bestaande uit 3 uren voorbereiding en 6,5 uur voor het bijwonen van de zitting, tegen een uurtarief van € 85 (exclusief btw) = € 807,50.

5. Beslissing

Het hof:

De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en L.B.M. Klein Tank, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2022 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Gebruikte afkortingen:

DET: Datum eerste toelating

ETG: Eurotaxglass’s

XR: X-Ray

ATP: AutotelexPro

HNP: Handelsnieuwprijs

HIW1: Handelsinkoopwaarde volgens koerslijst

HIW2: Handelsinkoopwaarde na eventuele correctie koerslijstwaarde met 5% of 15% (zie r.o. 3.2 en 4.8)

WV: Waardevermindering 72% (zie r.o. 4.27)

AP: Afschrijvingspercentage

Afschr: Afschrijving

Versch. BPM: Verschuldigde BPM

LFTK: Leeftijdskorting

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2022/949 V-N 2022/30.1.4 Viditax (FutD) 2022041308 FutD 2022-1171 DouaneUpdate 2022-0202
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?