GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 21/01142
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 augustus 2021, nummer BRE 20/9201, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft aan belanghebbende een beschikking gegeven zoals bedoeld in artikel 10ei Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: de 30%-beschikking).
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2022 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2. Feiten
Met dagtekening 11 juli 2019 heeft gemachtigde namens belanghebbende en zijn werkgever een verzoek om toepassing van de zogenoemde 30%-regeling ingediend met als gewenste ingangsdatum 1 juli 2019.
Met dagtekening 1 november 2019 heeft de inspecteur een 30%-beschikking gegeven die geldt voor de tewerkstelling van belanghebbende door de werkgever voor de periode 1 juli 2019 tot en met 30 september 2023.
Op 8 november 2019 heeft gemachtigde aan belanghebbende een e-mail gestuurd waarin hij aangeeft dat hij een dag eerder een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de 30%-beschikking. In de bijlage zit een Word-versie van het bezwaarschrift.
Met dagtekening 18 maart 2020 heeft gemachtigde een brief aan de Belastingdienst gestuurd, waarin hij stelt dat hij op 7 november 2019 bezwaar heeft gemaakt tegen de 30%-beschikking, maar tot op heden geen enkele reactie hierop heeft ontvangen. De gemachtigde verzoekt de inspecteur in die brief om aan te geven wat de stand van zaken is.
Met dagtekening 16 april 2020 heeft de inspecteur een ontvangstbevestiging naar gemachtigde gestuurd waarin staat dat hij op 20 maart 2020 een brief heeft ontvangen waarin gemachtigde bezwaar heeft gemaakt tegen de 30%-beschikking. Tevens wordt vermeld dat het bezwaar op korte termijn in behandeling zal worden genomen.
Met dagtekening 29 juni 2020 heeft de inspecteur aan gemachtigde een brief gestuurd waarin hij aangeeft voornemens te zijn het bezwaarschrift wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk te verklaren. In deze brief staat als datum van binnenkomst van het bezwaarschrift 20 maart 2020.
Naar aanleiding van de voorgenomen beslissing om het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren, heeft er communicatie per e-mail plaatsgevonden.
Op 7 augustus 2020 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Hiervan is op 10 augustus 2020 een verslag aan gemachtigde verstuurd. Gemachtigde heeft op dit verslag per e-mail gereageerd op 23 augustus 2020. Tijdens het hoorgesprek is gesproken over de ontvankelijkheidskwestie.
De inspecteur heeft het bezwaar op 24 september 2020 niet-ontvankelijk verklaard.
Gemachtigde had ten tijde van de aanvraag van de 30%-beschikking geen werkafspraak met de Belastingdienst.
3. Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en verzoekt het hof om het bezwaarschrift alsnog ontvankelijk te verklaren. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
Op grond van artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. De termijn vangt in beginsel aan met ingang van de dag na dagtekening van de 30%-beschikking (1 november 2019). Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn (uiterlijk op 16 december 2019) is ontvangen dan wel ter post is bezorgd, en niet later dan een week na afloop van die termijn (23 december 2020) is ontvangen. Niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest.
Een bezwaarschrift is ter post bezorgd op het moment dat het geheel van handelingen is verricht dat noodzakelijk is om een poststuk door middel van het postvervoerbedrijf de geadresseerde te doen bereiken.Volgens vaste rechtspraak rust - bij betwisting van ontvangst door de wederpartij - de bewijslast van verzending en terpostbezorging bij degene die het geschrift heeft verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het stuk op dat adres. Dit brengt mee dat de belanghebbende in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres.
Belanghebbende stelt dat hij het bezwaarschrift op 7 november 2019 per gewone post heeft verzonden naar de Belastingdienst, maar heeft geen bewijstukken ingebracht die zijn stelling onderbouwen. De e-mail die gemachtigde op 8 november 2019 aan belanghebbende heeft verstuurd waarin is aangegeven dat hij een dag eerder een bezwaarschrift tegen de 30%-beschikking heeft ingediend en het bij die e-mail als bijlage meegestuurde Word-document van het bezwaarschrift zijn ontoereikend om de verzending (naar het juiste adres) aannemelijk te maken. Deze stukken zeggen namelijk niets over de daadwerkelijke verzending van het bezwaarschift op 7 november 2019. Belanghebbende is dus niet geslaagd in zijn bewijslast.
De inspecteur heeft overigens ter zitting desgevraagd verklaard dat hij destijds in de systemen van de Belastingdienst is nagegaan of er omstreeks 7 november 2019 een bezwaarschrift is binnengekomen. Hij heeft verklaard zowel op het BSN-niveau van belanghebbende als op het loonheffingsnummer van zijn werkgever te hebben gezocht, maar heeft rond die datum geen binnengekomen bezwaarschrift geconstateerd. Volgens de inspecteur heeft hij pas op 20 maart 2020 een brief van de gemachtigde van belanghebbende ontvangen waaruit valt op te maken dat belanghebbende bezwaar maakt tegen de 30%-beschikking.
Gelet op het vorenstaande is sprake van een termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft geen redenen aangevoerd op basis waarvan kan worden geoordeeld dat hij redelijkerwijs niet in verzuim is geweest. De termijnoverschrijding is aldus niet-verschoonbaar. De inspecteur heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende stelt dat het in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dat voor adviseurs met een werkafspraak met de Belastingdienst andere regels met betrekking tot de verzending en looptijd van de 30%-beschikking gelden dan voor zijn gemachtigde. De gemachtigde van belanghebbende heeft al in 2018 verzocht om een werkafspraak, maar heeft deze tot op heden niet gekregen. Het hof oordeelt dat belanghebbende, met al hetgeen hij heeft aangevoerd en mede gelet op de geloofwaardige verklaring van de inspecteur dat deze werkafspraken geen invloed hebben op het indienen van bezwaarschriften en de afhandeling ervan, niet aannemelijk heeft gemaakt dat één of meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden. Het beroep op strijdigheid met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur faalt derhalve.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
5. Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, raadsheer, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, als griffier.
De griffier, De raadsheer,
A.S. van Middelkoop C.W.M.M. Verkoijen
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2022 en afschriften van de uitspraak zijn op 7 december 2022 aangetekend aan partijen verzonden.
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.