Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 31 januari 2020 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-845212-17 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 35.258,95 en is aan de betrokkene de betalingsverplichting opgelegd ter hoogte van voornoemd geldbedrag.
Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het hof de betrokkene niet-ontvankelijk zal verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof is van oordeel dat het door de betrokkene ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de betrokkene geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven of een raadsman heeft gemachtigd dat namens haar te doen en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart het door de betrokkene ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. B. Stapert en mr. M.A.M. Wagemakers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,
en op 7 juni 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Wagemakers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.