Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 november 2020, in de strafzaak met parketnummer 02-259318-19 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van ‘witwassen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek overeenkomstig
artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast heeft de eerste rechter de onder verdachte in beslag genomen personenauto onttrokken aan het verkeer en het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 176.500,00 verbeurd verklaard.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:
De verdediging heeft:
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust, met dien verstande dat hetgeen de eerste rechter heeft overwogen op de pagina’s 3 en 4 van het beroepen vonnis, onder het kopje ‘Wetenschap van verdachte’, wordt vervangen door de hierna opgenomen bewijsoverweging.
Bewijsoverweging
Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte van het ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken, aangezien niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat hij wist dat het onder hem aangetroffen geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat, indien het hof de advocaat-generaal zou volgen in zijn oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet, wellicht kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijk risico bestond dat het onderhavige geldbedrag van misdrijf afkomstig was, maar dat er geen enkel bewijs bestaat dat de verdachte dat risico ook heeft aanvaard.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt
Het namens de verdachte gevoerde verweer dat enerzijds uitgaat van de mogelijkheid dat het hof voorwaardelijk opzet aanneemt terwijl anderzijds door het hof wordt vastgesteld dat “er geen enkel bewijs bestaat dat de verdachte dat risico (dat het geld van misdrijf afkomstig was) ook heeft aanvaard”, miskent het gegeven dat het (voorwaardelijk) opzet niet slechts de wetenschap maar ook de aanvaarding van die wetenschap omvat. Het hof begrijpt het verweer aldus dat onder omstandigheden geen sprake van aanvaarden kon zijn omdat de verdachte niet wist dat het geld van enig misdrijf afkomstig was.
Het hof oordeelt hierover als volgt.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op 28 oktober 2019 in zijn personenauto reed over de rijksweg A4 en vervolgens door de politie is gecontroleerd in het kader van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte heeft na het tonen van zijn rijbewijs en na een door hem ter plaatse en direct na staandehouding – door de politie als onlogisch opgevat – gevoerd telefoongesprek, aan de verdachte toestemming gevraagd en verkregen voor het doorzoeken van zijn auto. Daarbij is een zeer professioneel aangebrachte verborgen ruimte aangetroffen waarin zich een rugtas bevond met daarin een aanzienlijk contant geldbedrag van in totaal € 176.500,00. Daaronder bevonden zich 2626 coupures van € 20,00 en 13 coupures van € 500,00. De verdachte heeft verklaard dat hij deze tas zelf in de verborgen ruimte heeft geplaatst en dat in de tas ‘cash’ zat. Gelet op het aantal coupures moet de verdachte, vanwege het daarmee gemoeide gewicht, dan ook hebben geweten dat dit een aanzienlijk bedrag moet zijn.
De verdachte heeft eerst op zitting in eerste aanleg verklaard dat dit geld niet aan hem toebehoort maar aan [betrokkene] . De juistheid daarvan kan evenwel niet worden onderzocht. Verdachte heeft immers zowel bij zijn politieverhoren op 29 en 30 oktober 2019, als in eerste aanleg en in hoger beroep niet willen verklaren van wie hij de onder hem in beslag genomen coupures heeft ontvangen, waarom het geld was ontvangen, wanneer het geld is ontvangen en wat hij met het geld moest doen. Deze ontbrekende schakel is ook anderszins niet inzichtelijk geworden.
Het hof is aan de hand van het procesdossier en de gevoerde verweren niet bekend met een reden die zou kunnen verklaren waarom ondanks het feit dat dit geld van legale herkomst zou zijn, de verdachte niettemin weigert te verklaren van wie hij dit geld heeft ontvangen en voor wie hij dit geld moet vervoeren.
Daarnaast acht het hof de verklaring van de verdachte omtrent de aanwezigheid in zijn auto van een professioneel aangebrachte verborgen ruimte – zijnde dat deze er op een gegeven moment na het uitlenen van zijn auto, in zijn auto was aangebracht – volstrekt onaannemelijk. Dergelijke professioneel aangebrachte ruimtes worden in de regel gebruikt voor het verbergen van illegale voorwerpen of goederen, zoals drugs of (drugs)geld. Het hof acht deze omstandigheid een feit van algemene bekendheid waarvan ook de verdachte wordt geacht dit te weten.
Op grond van de voorgaande feiten en omstandigheden leidt het hof af dat het niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde geld uit enig misdrijf afkomstig is.
Vervolgens dient zich de vraag aan – gelet op het gevoerde verweer – of de verdachte dit ook wist. Ter zake van de vereiste wetenschap dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf geldt volgens bestendige rechtspraak dat daaronder tevens is begrepen zogenoemd voorwaardelijk opzet. Dat betekent dat ter zake van de wetenschap van verdachte van de criminele herkomst van het geld ook mag worden uitgegaan indien de verdachte gezien de aard van zijn gedraging en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het aangetroffen geld onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf (vgl. Hoge Raad 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, rov. 3.6 en meer recent Hoge Raad 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1747, rov. 4.2.).
Het hof acht op grond van het voorgaande bewezen dat de verdachte bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat de gelden waarvan hij de herkomst en de verplaatsing heeft verborgen en voorhanden heeft gehad van misdrijf afkomstig zijn.
Mitsdien is naar het oordeel van het hof sprake geweest van weten in de zin van artikel 420bis, lid 1 Wetboek van Strafrecht. Bijgevolg wordt het verweer verworpen.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Aldus gewezen door:
mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,
mr. A.R. Hartmann en mr. B.F.M. Klappe, raadsheren,
in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,
en op 13 mei 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Klappe is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.