ECLI:NL:GHSHE:2023:1025

ECLI:NL:GHSHE:2023:1025, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29-03-2023, 20-001668-21

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 29-03-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20-001668-21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de eendaadse samenloop van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en het aanwezig hebben van ongeveer 7 kilogram hennep, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel alsmede het tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep. Voorts is ten laste van de verdachte bewezenverklaard het voorhanden hebben van een taser. Alles afwegende acht het hof een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Uitspraak

14. De foto, weergegeven op dossierpagina’s 84-85 (het hof begrijpt: een foto van een van de dozen uit Spanje):

Het hof neemt op de foto’s een groot etiket op een doos waar met als opschrift “Cañamo industrial’ (het hof begrijpt: een groot etiket op de dozen uit Spanje, waarbij de tekst “Cañamo industrial’ in het Nederlands betekent industriële hennep)

15. De foto, weergegeven op dossierpagina 86 (het hof begrijpt: een foto van een van de dozen uit Spanje):

Het hof neemt op de foto een groot etiket waar met als opschrift: ‘ [plaats] ’ en ‘Ship to: [winkel] , [adres 2] ’.

16. De foto, weergegeven op dossierpagina’s 137-142 (het hof begrijpt: foto’s van de vier dozen uit Spanje):

Het hof neemt op de foto’s waar een viertal dozen met daarin takken met bladeren.

17. De foto’s, weergegeven op dossierpagina’s 148-154 (het hof begrijpt: foto’s van op 21 april 2017 bij het bedrijf van verdachte en zijn medeverdachte aangetroffen en inbeslaggenomen materiaal):

Het hof neemt op de foto’s op pagina 148 waar een grote hoeveelheid doorzichtige plastic bakken met inhoud.

Verder neemt het hof op de foto’s op dossierpagina’s 149 tot en met 154 waar dat in de op die foto’s weergegeven bakken onder meer takken, bladeren en andere plantdelen te zien zijn.

Ten aanzien van het bewezenverklaarde onder feit 3

Het hof volstaat op de voet van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met de opgave van de bewijsmiddelen, aangezien de verdachte het onder 3 bewezenverklaarde feit heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit.

Bewijsoverwegingen

Het hof overweegt met betrekking tot de bij de rechtbank op 27 november 2020 ter terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte, welke verklaring het hof tot het bewijs heeft gebezigd, het navolgende. Door de verdediging is naar voren gebracht dat eerder door de verdachte afgelegde verklaringen niet tot het bewijs mogen worden gebezigd omdat – kort gezegd – de verdachte een autisme spectrum stoornis heeft, dat daar in de ondervragingen onvoldoende rekening mee is gehouden en dat daarom behoedzaam moet worden omgegaan met de inhoud van zijn verklaringen. De verdachte is in hoger beroep ook op onderdelen van die eerdere verklaringen (althans de weergave daarvan in het dossier) teruggekomen. Het hof overweegt hierover het volgende. De zaak is in eerste aanleg op meerdere zittingsdagen behandeld, laatstelijk op 18 juni 2021. De verdachte heeft op 27 november 2020 een inhoudelijke verklaring in de zaak afgelegd tegenover de rechtbank. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt en door de verdachte en de verdediging zijn over de weergave van de verklaringen van verdachte in het proces-verbaal van de zitting geen opmerkingen gemaakt tijdens de behandeling op 18 juni 2021. Het hof zal een onderdeel van die verklaring – voor zover die ziet op het leveren door verdachten van producten aan (cliënten van) zorginstellingen en ziekenhuizen – voor het bewijs bezigen. Het hof ziet geen redenen om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid daarvan, temeer nu dit steun vindt in de inhoud van een door de verdediging in hoger beroep zelf ingebrachte uitwerking van een gesprek tussen de verdachte en verbalisant [verbalisant 1] .

Ten aanzien van feit 2

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat het gedrag van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] valt onder de reikwijdte van de strafbepalingen van de Opiumwet en dat de uitzondering van artikel 12 van het Opiumwetbesluit niet van toepassing is.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft, overeenkomstig de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitnota, vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde. Daartoe is samengevat aangevoerd dat het bij de verdachte aangetroffen materiaal enerzijds niet onder de Opiumwet valt, hetgeen tot vrijspraak moet leiden en voor het overige dat de exceptie van artikel 12 van het Opiumwetbesluit van toepassing is. De verdediging heeft daarbij verwezen naar de licentie voor het CBD-project, zoals opgenomen als bijlage 2 bij de pleitnota, waaruit zou volgen dat de verdachte over een deel van de aangetroffen en inbeslaggenomen hennepplantdelen mocht beschikken, nu deze afkomstig waren uit eigen kweek in het kader van dit CBD-project. Tevens stelt de verdediging zich op het standpunt dat op basis van het dossier volstrekt onduidelijk is wat het gewicht van de aangetroffen producten is. Het vaststellen van een exacte hoeveelheid anders dan ‘meer dan 30 gram’ is dan ook onmogelijk.

Indien het hof evenwel tot een bewezenverklaring zou komen van het tenlastegelegde in de zaak, heeft de raadsman – in de vorm van een tweetal voorwaardelijke verzoeken – het hof verzocht een (nieuw) onderzoek ter bepaling van het DNA op de aangetroffen en inbeslaggenomen goederen plaats te laten vinden alsmede het opnieuw laten maken van foto’s van alle in beslag genomen producten, bakken en originele etiketten.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Artikel 3 van de Opiumwet luidt als volgt:

‘Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

Op lijst II van de Opiumwet is onder meer vermeld:

‘Hennep: elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waarvan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden.

Voorts luidt artikel 12 van het Opiumwetbesluit als volgt:

“De verboden, gesteld in artikel 3, aanhef en onder B, van de wet, gelden niet voor hennep die kennelijk bestemd is voor de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep, met dien verstande dat de uitzondering van het verbod op het telen van hennep slechts geldt voor zover de teelt plaatsvindt in de volle grond en in de open lucht.”

In de toelichting op het Opiumwetbesluit (Stb. 2002, 624) wordt onder meer overwogen:

"In artikel 12 is een uitzondering gemaakt op de verboden van de Opiumwet voor de handelingen die noodzakelijk zijn voor het gehele industriële proces van de teelt van de vezelhennep op het veld tot de verwerking van de plant tot eindproducten in de fabriek. Ook de vermeerdering van de vezelhennepplant wordt onder dit proces begrepen. Het gaat om de handelingen: telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren. Door te kiezen voor het begrip volle grond en open lucht is bewerkstelligd dat degenen die hennep telen voor bewustzijnsbeïnvloedend gebruik onder plastic of in kassen of andere ruimten waar het dak geheel of gedeeltelijk geopend kan worden, zich niet op deze vrijstelling kunnen beroepen. Iedereen die hennep binnen teelt alsmede ieder die hennep teelt voor andere doeleinden dan vezelproductie of zaadwinning voor vezelrassen moet in het bezit zijn van een opiumwetontheffing. Dit vergemakkelijkt de bewijsvoering."

In zijn arrest van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2337 (r.o. 2.5) heeft de Hoge Raad overwogen dat op grond van de totstandkomingsgeschiedenis van het Opiumwetbesluit moet worden aangenomen dat de exceptie als bedoeld in artikel 12 van het Opiumwetbesluit ook geldt ten aanzien van het aanwezig hebben van hennep als bedoeld in art. 3, aanhef en onder C, Opiumwet, indien en voor zover die gedraging onlosmakelijk verbonden is met het productieproces van de vezelhennep en aan de overige eisen van art. 12 Opiumwetbesluit is voldaan.

Het hof begrijpt uit de bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang beschouwd – dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] producten (waaronder CBD-olie) van hennepplantdelen maakten en leverden aan cliënten/patiënten van artsen/ziekenhuizen/zorginstellingen, dat die producten bestemd waren voor de consumptie door deze cliënten/patiënten en dat het niet anders kan zijn dan dat die consumptie erop is gericht te helpen om klachten te verminderen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] – zoals zij in hoger beroep naar voren hebben gebracht en uit stukken in het kader van een procedure met betrekking tot bijzondere bijstand blijkt die door de verdediging in eerste aanleg zijn overgelegd (bijlage bij pleitnotitie) – ter behandeling van hun eigen lichamelijke en psychische klachten al jarenlang cannabisproducten (cannabisolie) gebruiken en dat zij bij de werking daarvan veel baat hebben. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de handelingen van de verdachte alsmede medeverdachte [medeverdachte] met betrekking tot de in hun bedrijf aangetroffen hennepplantdelen gericht waren op de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2337 r.o. 2.6). Van dergelijke handelingen is ook overigens niet gebleken. De verdachte komt dan ook geen beroep toe op de exceptie van artikel 12 van het Opiumwetbesluit. Het verweer wordt verworpen.

Voor zover door en namens de verdachte in hoger beroep naar voren is gebracht dat een deel van de aangetroffen en inbeslaggenomen hennepplantdelen afkomstig is uit eigen kweek die in het kader van het “CBD project” zou zijn toegestaan en de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] daarover mochten beschikken, overweegt het hof het volgende. Bij de door de verdediging ter terechtzitting overgelegde stukken bevindt zich een licentie “CBD project” op naam van verdachte ‘ [medeverdachte] ’ (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ). Als geldigheidsduur wordt vermeld de periode tot en met 31 december 2016. Het hof begrijpt hieruit dat de geldigheidsduur van de licentie ten tijde van het tenlastegelegde al ruimschoots was verstreken. Bovendien wordt in de licentie, onder verwijzing naar artikel 12 van het Opiumwetbesluit, voorgeschreven dat de teelt in het kader van het project moet plaatsvinden in de volle grond en in de open lucht. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, toen de handgeschreven notities op pagina 128 van het procesdossier aan hem werden voorgehouden, verklaard dat de hennepteelt plaatsvond in tunnels, en dat daarvan gebruik werd gemaakt van een opengemaakte tunnelkast, die als beschutting gebruikt kon worden tegen regen, water of wind. Uit de hiervoor weergegeven toelichting op het Opiumwetbesluit volgt echter dat degenen die hennep telen onder plastic of in kassen of andere ruimten waar het dak geheel of gedeeltelijk geopend kan worden, zich niet op deze vrijstelling kunnen beroepen (en derhalve ook niet op de licentie van het ‘CBD-project’). Ook in zoverre faalt het door de verdediging gevoerde verweer.

Het hof overweegt met betrekking tot het gewicht van de aangetroffen hennep nog als volgt. Hoewel het exacte gewicht van de aangetroffen hennep op grond van het dossier onduidelijk is, en dit ten voordele van de verdachte zal worden meegenomen bij de strafoplegging, is het hof – gelet op de foto’s in het dossier met daarop het inbeslaggenomen materiaal alsmede de monsternemingen en conclusies van het NFI – van oordeel dat in ieder geval vast is komen te staan dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aanzienlijk meer dan 30 gram hennep aanwezig hadden.

Voorwaardelijke verzoeken

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een tweetal voorwaardelijke verzoeken gedaan. Als eerste is – indien het hof van oordeel is dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen – verzocht een (nieuw) onderzoek te laten plaatsvinden ter bepaling van het DNA op de aangetroffen en inbeslaggenomen goederen om een vergelijking te maken met de aankoopbonnen van de ingekochte materialen zodat er is te zien wat legaal is ingekocht en wat legaal is gekweekt. Als tweede is verzocht het laten maken van nieuwe foto’s van de inbeslaggenomen producten, bakken en originele etiketten, zodat voor de verdachte duidelijk is over welke bak en welke inhoud er in het dossier gesproken wordt en hij zich daartegen goed kan verweren. Hoewel de rechtbank opdracht had gegeven tot het maken van nieuwe foto’s zijn ook deze niet alle duidelijk genoeg.

Ten aanzien van het eerste voorwaardelijke verzoek overweegt het hof als volgt. Het hof zal dit verzoek afwijzen, nu, zoals hiervoor reeds is overwogen, van de inbeslaggenomen hennep – ongeacht het DNA en THC-gehalte – gebleken is dat deze onder de Opiumwet valt. Een (nieuw) onderzoek ter bepaling van het DNA is derhalve niet noodzakelijk.

Ook het tweede voorwaardelijke verzoek wordt afgewezen. Het hof heeft uit eigen waarneming vastgesteld dat op foto’s in het dossier van (de inhoud van) dozen die bij het bedrijf van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn aangetroffen plantdelen te zien zijn. Het NFI heeft een groot aantal monsters van het inbeslaggenomen materiaal onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat deze hennep bevatten. De verdachte heeft ook zelf verklaard dat hij op zijn bedrijf hennep aanwezig had: zelf gekweekte en gekocht industriële hennep. Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat deze hennep – gekweekt of gekocht – onder lijst II van de Opiumwet valt en dat de exceptie van artikel 12 van het Opiumwetbesluit daarop niet van toepassing is. Het hof heeft daarnaast overwogen dat het exacte gewicht van de aangetroffen hennep op grond van het dossier onduidelijk is, maar dat in ieder geval vast is komen te staan dat dit (aanzienlijk) meer dan 30 gram was. Het (opnieuw) laten maken van foto’s van de in beslag genomen producten, bakken en originele etiketten, zodat voor de verdachte duidelijk is over welke bak en welke inhoud wordt gesproken, is gelet op het voorgaande niet noodzakelijk.

Het hof wijst de verzoeken dan ook af.

Ten aanzien van feit 1

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 tenlastegelegde, voor zover dat feit betrekking heeft op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van hennep, bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft, overeenkomstig de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitnota, vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde. Daartoe is samengevat aangevoerd dat de verdachte geen actieve rol heeft vervuld bij de zending, nu hij niets heeft besteld. Bovendien was de verdachte niet op de hoogte dat de zending vanuit Spanje aan hem was toegezonden. Hij raakte daarvan pas op de hoogte op het moment dat hij een track-and-trace code van [betrokkene] ontving via Messenger. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het enkel in ontvangst nemen van de dozen niet redengevend kan zijn voor het bewijs van invoer als bedoeld in de Opiumwet. Er is geen sprake van een actieve handeling van de verdachte gericht op deze invoer.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De verdachte gebruikte voor zijn bedrijf ' [winkel] ' onder meer industriële hennep. Op 21 april 2017 heeft hij vier, aan zijn bedrijf geadresseerde dozen uit Spanje met het opschrift 'Cañamo industrial' (het hof begrijpt: industriële hennep) van de bezorger aangenomen. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hadden vooraf een track-and-trace code ontvangen van een persoon die de verdachte eerder samples van industriële hennep had aangeboden, waarop de verdachte toen positief had gereageerd. De verdachte begreep – volgens zijn verklaring – nadat hij deze track-and-trace code had ontvangen, dat er een zending uit Spanje kwam. Hierop heeft hij niets ondernomen. Nadat hij de dozen in ontvangst had genomen, daarvoor had getekend en de dozen in zijn bedrijf had gezet, had hij er al eentje geopend toen de politie zijn bedrijf betrad.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte gelet op voornoemde feiten en omstandigheden – in samenhang met de overige inhoud van de bewijsmiddelen – met het in ontvangst nemen van dozen met hennep uit Spanje gehandeld in de zin van artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet en zich daarmee schuldig gemaakt aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen van deze hennep.

Met de rechtbank neemt het hof bij de bewezenverklaring van dit feit – ten voordele van de verdachte – enkel de inhoud van 3 dozen (ongeveer 7 kilogram hennep) in aanmerking nu uit het dossier niet volgt dat ook de inhoud van doos nummer 2 door het NFI is onderzocht.

Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al haar onderdelen.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

De eendaadse samenloop van:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel,

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren op te leggen.

De verdediging heeft verzocht, ingeval het hof tot een bewezenverklaring komt van een of meerdere feiten, geen onvoorwaardelijke straf op te leggen.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de eendaadse samenloop van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en het aanwezig hebben van ongeveer 7 kilogram hennep, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel alsmede het tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep. Hoewel het exacte gewicht van de aangetroffen en onderzochte hennep als bedoeld onder feit 2 onvoldoende uit het dossier is komen vast te staan, volgt daaruit wel dat sprake is van een aanzienlijke hoeveelheid. Ter beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten, stelt het hof voorop dat de invoer van softdrugs de illegale handel in softdrugs in standhoudt, alsmede dat het allerlei maatschappelijk ongewenste effecten veroorzaakt, waarmee de openbare orde ernstig kan worden ondermijnd. Voorts is wetenschappelijk aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden, met name waar het psychische aandoeningen betreft, doch dat een en ander (mede) afhankelijk is van de hoogte van het THC-gehalte van de hennep. In dit verband neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat de bij de verdachte aangetroffen en onderzochte hennep grotendeels een laag THC-gehalte bevatte. Het hof zal daarmee in het voordeel van de verdachte rekening houden bij de straftoemeting.

Voorts is ten laste van de verdachte bewezenverklaard het voorhanden hebben van een taser. Het voorhanden hebben van wapens kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengen.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 januari 2023, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat aan hem eerder ter zake van soortgelijke feiten een transactie is opgelegd alsmede dat hij in Duitsland onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk feit.

Tevens heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat deze zaak hem en zijn familie zwaar valt. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij lijdende is aan autisme alsmede ADHD en dat hij hoogbegaafd is. De verdachte heeft verder toegelicht dat hij nog steeds (wekelijks) voorlichtingen c.q. consulten geeft inzake de voedingsmiddelen.

Bij de op te leggen straf neemt het hof eveneens in aanmerking dat onderhavige strafzaak een grote weerslag heeft gehad op de financiële situatie van de verdachte. Het hof heeft bij de keuze van de strafmodaliteit in strafmatigende zin nadrukkelijk rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte heeft benadrukt – en het hof ziet geen redenen om daaraan te twijfelen – vanuit ideologische motieven te hebben gehandeld. Handelingen met betrekking tot hennep zijn echter niet voor niets gereguleerd. Om potentiële recidive te voorkomen – en mede gelet op het tijdsverloop in deze zaak – is het hof van oordeel dat een geheel voorwaardelijke straf passend is.

Alles afwegende acht het hof een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

Teruggave van de op de aangehechte beslaglijst vermelde stoffen niet vallend onder de Opiumwet

Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de aangehechte beslaglijst vermelde stoffen niet vallend onder de Opiumwet (laatste kolom: nee of onbekend). Het belang van strafvordering verzet zich niet tegen deze teruggave.

Onttrekking aan het verkeer van de op de aangehechte beslaglijst vermelde stoffend vallend onder de Opiumwet

De op de aangehechte beslaglijst vermelde stoffen vallend onder de Opiumwet (laatste kolom: ja) zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu het voorwerpen zijn met betrekking tot of behulp waarvan het onder 1 en 2 bewezenverklaarde is begaan, dan wel bij gelegenheid van het onderzoek naar de onder 1 en 2 bewezenverklaarde, door de verdachte begane feiten zijn aangetroffen en zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten terwijl telkens het ongecontroleerde bezit daarvan door de verdachte in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 36d. 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis;

bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de op de aangehechte beslaglijst vermelde stoffen vallend onder de Opiumwet (laatste kolom: ja);

gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de op de aangehechte beslaglijst vermelde stoffen niet vallend onder de Opiumwet (laatste kolom: nee of onbekend).

Aldus gewezen door:

mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,

mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,

en op 29 maart 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?