GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 21/00884
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [plaats] (Duitsland),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 11 mei 2021, nummer BRE 19/5703 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting (hierna: IB) 2015 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft digitaal via een geluid- en beeldverbinding plaatsgevonden op 2 maart 2023 in ’s-Hertogenbosch. Daaraan hebben deelgenomen [A] en [B] , als gemachtigden van belanghebbende, alsmede, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 21/00883, 21/00885 en 21/00886.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2. Feiten
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1944 en woont sinds 26 september 2011 samen met [echtgenote] (hierna: echtgenote) in Duitsland.
Belanghebbende heeft in 2015 een AOW-uitkering van € 9.801 genoten en een pensioenuitkering van Stichting pensioenfonds ABP (hierna: ABP) van € 32.821.
In de aangifte IB 2015 heeft belanghebbende aangegeven dat € 13.243, zijnde 40,35 procent van de pensioenuitkering van ABP, niet in Nederland belast is. Verder heeft hij een aftrek wegens negatieve inkomsten uit eigen woning aangegeven van € 7.850 (eigenwoningforfait: € 1.271, aftrekbare rente: € 9.121) voor zijn eigen woning in Duitsland.
De inspecteur heeft de aanslag IB 2015, in afwijking van de aangifte, vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.379. Daarbij is de aftrek wegens negatieve inkomsten uit eigen woning en de heffingskorting voor de IB niet in aanmerking genomen. Tevens is bij beschikking € 35 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
Belanghebbende heeft in Duitsland samen met zijn echtgenote een gezamenlijke aanslag IB 2015 naar een te betalen bedrag van € 59 ontvangen (hierna: de Duitse belastingaanslag). Op het aanslagbiljet is onder meer het volgende vermeld:
3. Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op persoonlijke tegemoetkomingen op grond van het Unierecht.
Niet in geschil is dat belanghebbende niet op grond van artikel 7.8, leden 6 en 8, Wet IB 2001 in samenhang met artikel 21bis Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.
Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag IB 2015. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
Aan belanghebbende is de Duitse belastingaanslag opgelegd naar een te betalen bedrag (zie 2.5). Partijen hebben erkend dat belanghebbende in Duitsland IB is verschuldigd.
Ingeval van verschuldigdheid van IB in Duitsland, moet ervan worden uitgegaan dat in Duitsland als woonlidstaat in voldoende mate rekening is gehouden met aftrek in verband met de persoonlijke en gezinssituatie. In dat geval heeft belanghebbende in Nederland geen recht op persoonlijke tegemoetkomingen. De aanslag IB 2015 is dus niet tot een te hoog bedrag vastgesteld.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, P. Fortuin en S. van Thiel, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2023 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.