GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 22/00265
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 januari 2022, nummer BRE 20/8297 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2014 (hierna: IB/PVV 2014) gedaan.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2014 opgelegd.
Belanghebbende heeft vervolgens een verbeterde aangifte IB/PVV 2014 ingediend.
De inspecteur heeft een navorderingsaanslag IB/PVV 2014 opgelegd. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft tegen de beschikking belastingrente bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
De zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2023 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende [gemachtigde] als gemachtigde, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2. Feiten
Belanghebbende heeft het gehele jaar 2014 gewoond en gewerkt in het Verenigd Koninkrijk.
Belanghebbende heeft op 17 december 2019 aangifte IB/PVV 2014 gedaan. In de aangifte heeft belanghebbende opgenomen dat hij (deels) belastingplichtig en (deels) premieplichtig in [woonplaats] is. Verder heeft hij opgenomen dat over zijn loon van € 84.999 een bedrag van € 8.901 aan loonheffing is ingehouden en tevens dat het gehele loon elders is belast.
De inspecteur heeft met dagtekening 23 januari 2020 de aanslag IB/PVV 2014 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een premie-inkomen van nihil. Deze aanslag heeft geleid tot een teruggave van IB/PVV van € 8.901. Over deze teruggave is geen belastingrente vergoed.
Belanghebbende heeft op 28 januari 2020 een gewijzigd aangiftebiljet IB/PVV 2014 ingediend. Dit biljet is gelijk aan de eerdere aangifte, behalve dat vraag 57 van het aangiftebiljet is ingevuld en dat het premie-inkomen € 84.999 is.
De inspecteur heeft met dagtekening 14 maart 2020 de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een (maximaal) premie-inkomen van € 33.363 en daarbij gelijktijdig de beschikking belastingrente van € 1.165 gegeven. De belastingrente is berekend over de periode van 1 juli 2015 tot en met 14 april 2020.
3. Geschil en conclusies van partijen
In geschil is of de belastingrente tot het juiste bedrag in rekening gebracht is. De navorderingsaanslag zelf is niet in geschil.
Het geschil spitst zich toe op het beantwoorden van de volgende vragen:
1. Kan belanghebbende een geslaagd beroep doen op artikel 30ia Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)?
2. Dient de aan belanghebbende in rekening gebrachte belastingrente beperkt te worden op grond van het arrest van de Hoge Raad van 18 november 2022 en het daarop gevolgde herstelarrest van 17 februari 2023?
3. Indien punten 1 en 2 niet slagen, is er sprake van schending van het evenredigheidsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel?
4. Indien punten 1, 2 en 3 niet slagen, is er sprake van schending van artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EP)?
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
Belanghebbende is van mening dat de belastingrente welke in rekening is gebracht bij het opleggen van de navorderingsaanslag verminderd moet worden. Volgens belanghebbende komt zijn situatie overeen met de situatie uit het arrest van de Hoge Raad van 18 november 2022 en is artikel 30ia AWR op zijn situatie van toepassing. In het arrest van de Hoge Raad is geoordeeld dat de belastingrenteregeling niet kan worden aanvaard wanneer de fiscus belastingrente in rekening brengt over een periode waarin de fiscus al beschikte over het belastingbedrag. In artikel 30ia AWR staat omschreven dat de belastingrente welke is berekend over het te betalen bedrag en dit bedrag al is voldaan of afgedragen, verminderd kan worden naar evenredigheid van het reeds geheven, dan wel voldane of afgedragen bedrag.
De inspecteur is van mening dat het arrest van de Hoge Raad en artikel 30ia AWR niet van toepassing zijn op de situatie van belanghebbende. Volgens de inspecteur is de casus in het arrest een andere dan in de onderhavige zaak. Daarnaast is de inspecteur van mening dat artikel 30ia AWR van toepassing is indien belasting is ‘geheven’ en dat daarvan geen sprake is indien belasting is betaald door afdracht of voldoening.
Het standpunt van de inspecteur inzake artikel 30ia AWR getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. In de eerste plaats wordt in artikel 30ia, lid 1, AWR gesproken over ‘geheven, dan wel op aangifte is voldaan of afgedragen’. De onderhavige premies volksverzekeringen zijn op aangifte afgedragen (voor belanghebbende door de inhoudingsplichtige). Daarmee is al voldaan aan de tekst van artikel 30ia AWR. Het hof acht voorts de uitleg van de term ‘geheven’ te beperkt. De in artikel 30ia, lid 1, AWR vermelde term ‘geheven’ kan in het geval van de onderhavige aanslag (inkomstenbelasting en) premie volksverzekeringen niet anders worden begrepen dan dat inhouding op het loon moet worden aangemerkt als ‘geheven’. In artikel 1 Wet op de loonbelasting 1964 is bepaald dat onder de naam ‘loonbelasting’ een directe belasting wordt geheven. Voorts bepaalt artikel 27 van diezelfde wet, dat de loonbelasting wordt geheven door inhouding op het loon. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er bij inhouding sprake is van ‘geheven’. Hetzelfde heeft te gelden voor de premies volksverzekeringen (artikel 58 Wet financiering sociale verzekeringen). Belanghebbende voldoet dus aan artikel 30ia AWR. Het derde lid van artikel 30ia AWR maakt het vorenstaande niet anders, omdat dat lid ziet op ((een correctie van) de afdracht door) de inhoudingsplichtige. Los van het voorgaande is het hof van oordeel dat belanghebbende evenzeer een beroep kan doen op het arrest van de Hoge Raad van 18 november 2022.
Belanghebbende heeft dus recht op matiging van de belastingrente. Voor dat geval zijn partijen het erover eens dat de belastingrente kan worden vastgesteld op € 54.
De geschilpunten 3 en 4 behoeven, gelet op het voorgaande, geen behandeling.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 48 respectievelijk € 136 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar worden vernietigd.
Ten aanzien van de kosten van bezwaar en de proceskosten
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep bij rechtbank en het hoger beroep bij het hof.
Het hof stelt deze tegemoetkoming voor het bezwaar op 1 (punt) x € 296 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 296.
Het hof stelt deze tegemoetkoming voor het beroep en hoger beroep telkens op 2 (punten) x € 597 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.194.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
5. Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, P. Fortuin en W.A.P. van Roij, leden, in tegenwoordigheid van R. van Vroenhoven, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2023 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
De griffier, De voorzitter,
R. van Vroenhoven T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.