ECLI:NL:GHSHE:2023:1796

ECLI:NL:GHSHE:2023:1796, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 31-05-2023, 22/01470

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 31-05-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/01470
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2022:4231
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 11 zaken
Aangehaald door 1 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0002320 BWBR0004770 BWBR0005289 BWBR0005537 BWBR0006358

Samenvatting

Deze uitspraak is op verzoek gepubliceerd en niet door het gerechtshof geselecteerd om te worden gepubliceerd. Derhalve is er geen samenvatting beschikbaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Nummer: 22/01470

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 28 juli 2022, nummer BRE 19/1213 in het geding tussen belanghebbende en

de ontvanger van de Belastingdienst,

hierna: de ontvanger,

en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),

hierna: de minister.

1. Ontstaan en loop van het geding

De ontvanger heeft bij beschikking van 3 augustus 2017 invorderingsrente vergoed aan belanghebbende.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De ontvanger heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof.

Belanghebbende heeft op 21 september 2022 de motivering van het hoger beroep toegezonden aan het hof. Het hof heeft deze motivering, wegens het in dit stuk gebezigde grove taalgebruik, beledigingen en aantijgingen, geweigerd. Deze motivering behoort derhalve niet tot de gedingstukken.

Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld de grieven van het hoger beroep op zakelijke wijze kenbaar te maken. Belanghebbende heeft hierop een geschoonde versie van de motivering toegezonden aan het hof.

De ontvanger heeft belanghebbende bericht dat naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank een extra bedrag van € 19 wordt uitbetaald. Belanghebbende heeft daartegen bij de ontvanger een bezwaarschrift ingediend. De ontvanger heeft dit bezwaarschrift doorgezonden naar het hof ter voeging in de lopende procedure.

De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2023 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ), als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de ontvanger, [ontvanger 1] en [ontvanger 2] , vergezeld door [persoon 1] en [persoon 2] .

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de ontvanger. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is verzonden.

2. Feiten

De inspecteur heeft ambtshalve een bedrag van € 616 aan teruggaaf belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Bpm) verleend. Op 3 augustus 2017 heeft de ontvanger in verband met die teruggaaf een kennisgeving teruggave rente conform artikel 28c Invorderingswet 1990 (hierna: IW) gestuurd. Deze kennisgeving vermeldt een rentebedrag van € 70, berekend over de periode 23 oktober 2014 tot en met 23 augustus 2017. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 4 april 2019 is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de rentebeschikking gegrond verklaard, de invorderingsrente verhoogd, de ontvanger veroordeeld tot het vergoeden van wettelijke rente over de na te betalen rente, de ontvanger veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van € 943, de minister veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van € 2.057, de ontvanger veroordeeld tot betaling van € 129,50 aan proceskosten, bepaald dat de ontvanger het griffierecht van € 345 aan belanghebbende moet vergoeden en beslist dat wettelijke rente is verschuldigd die gaat lopen vier weken na de datum waarop de uitspraak van de rechtbank is gedaan indien de immateriële schadevergoeding, de proceskostenvergoeding en/of de vergoeding van het griffierecht niet tijdig worden betaald.

De ontvanger heeft met dagtekening 7 september 2022 een brief “Uitvoering uitspraak rechtbank” aan belanghebbende gestuurd. Daarin heeft de ontvanger berekend dat belanghebbende naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank recht heeft op een extra rentebedrag van € 19, waarvan € 17 aan invorderingsrente en € 2 aan wettelijke rente over die extra invorderingsrente.

Belanghebbende heeft tegen die brief bezwaar gemaakt bij brief van 23 september 2022. De ontvanger heeft het bezwaar doorgezonden naar het hof ter voeging in de lopende procedure.

3. Geschil en conclusies van partijen

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

Zijn de rechtbank en het hof bevoegd uitleg te geven aan de bepalingen van het Unierecht? Zijn zij niet onafhankelijk en niet onpartijdig indien zij uitleg geven aan de bepalingen van het Unierecht?

Is het Nederlandse systeem betreffende het griffierecht in strijd met het Unierecht?

Heeft de rechtbank bij de renteberekening een te laag rentepercentage gehanteerd en ten onrechte de rente enkelvoudig in plaats van meervoudig berekend? Is artikel 28c IW in strijd met het Unierecht?

Heeft belanghebbende recht op een hogere vergoeding van de kosten van bezwaar en proceskosten?

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en toewijzing van de door haar ingenomen standpunten. De ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. Gronden

Vooraf

Ter beoordeling ligt voor de uitspraak van de rechtbank waarbij de invorderingsrente die bij beschikking op € 70 was vastgesteld, is verhoogd. De rechtbank heeft beslist dat de rentevergoeding moet worden berekend op de wijze die de IW bepaalt, zij het met het DNBpercentage van 4,91% als rentepercentage en met handhaving van de overige elementen waarop de beschikking was gebaseerd.

De ontvanger heeft hangende het hoger beroep uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en de rentevergoeding berekend op de wijze zoals aangegeven door de rechtbank. Dit heeft de ontvanger neergelegd in een brief van 7 september 2022.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze brief.

Naar het oordeel van het hof is de brief van de ontvanger niet aan te merken als een rentebeschikking. Er is immers al eerder door de ontvanger een rentebeschikking gegeven en die is onderwerp van geschil in deze procedure. Om proceseconomische redenen zal het hof zelf beslissen op dit bezwaarschrift en dient dat bezwaar niet-ontvankelijk te worden verklaard. De hoogte van de rente wordt hierna bij vraag c behandeld.

Met betrekking tot het geschil

Vraag a (uitleg Unierecht)

Belanghebbende stelt dat de nationale rechters onbevoegd zijn om het Unierecht uit te leggen omdat uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) daartoe bevoegd is. Dit betoog faalt. De nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid is aangezocht, is bevoegd de rechtsgronden te toetsen die een partij ontleent aan het Unierecht. De rechtbank en het hof zijn daarbij, als niet in hoogste instantie oordelende rechterlijke instanties, op grond van artikel 267 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie in voorkomende gevallen niet gehouden een Unierechtelijk geschilpunt voor te leggen aan het HvJ, ook niet als het rechtsvorming zou betreffen waarover het HvJ (nog) niet heeft geoordeeld.

Het hof ziet in de omstandigheid dat de rechtbank geen prejudiciële vragen aan het HvJ heeft gesteld derhalve geen aanleiding om de beslissingen van de rechtbank terzijde te stellen. In hetgeen belanghebbende (in hoger beroep) heeft aangevoerd ziet ook het hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ.

De enkele omstandigheid dat de nationale rechters geen aanleiding zien voor het stellen van prejudiciële vragen maakt niet dat deze rechters, anders dan belanghebbende kennelijk meent, niet onafhankelijk en niet onpartijdig zijn.

Vraag b (heffing griffierecht)

Volgens belanghebbende is het Nederlandse systeem op grond waarvan het griffierecht voor het (hoger) beroep eerst volledig moet worden betaald voordat de rechtbank en het hof het onderhavige belastinggeschil beoordelen, in strijd met het Unierecht. Het hof ziet voor dit standpunt geen steun in het Unierecht. Voorts acht het hof de van belanghebbende geheven bedragen in het onderhavige geval geen wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende, zodanig onvermogend is dat zij niet in staat is om het griffierecht te voldoen en in aanmerking komt voor vrijstelling of vermindering van de geheven griffierechten.

Ook ziet het hof geen reden voor een rentevergoeding voor de periode tussen het tijdstip waarop het griffierecht is voldaan tot het tijdstip van terugbetaling.

Vraag c (de rentevergoeding)

Belanghebbende stelt niet dat toepassing van voormelde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 28 januari 2022 leidt tot een hogere vergoeding dan het toegekende bedrag aan invorderingsrente van (uiteindelijk) € 87.

Belanghebbende stelt enkel dat de rente die vergoed moet worden, moet worden gesteld op het percentage dat belanghebbende zou moeten betalen wanneer zij voor de betaling van het belastingbedrag het geld had moeten lenen bij een commerciële bank. Zij heeft daartoe gewezen op het arrest Sole-Mizo. Volgens belanghebbende moet het percentage van de te vergoeden rente ten minste 8 bedragen, plus een inflatiecorrectie, en moet de rente meervoudig berekend worden.

Belanghebbendes standpunt is verworpen in voormelde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 28 januari 2022. Het hof volgt belanghebbende daarom niet in haar standpunt.

Belanghebbendes stelling dat artikel 28c IW in strijd is met het Unierecht is verworpen in het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2018.

Vraag d (kosten bezwaar en proceskosten)

Belanghebbende stelt dat de rechtbank de vergoeding voor de kosten van bezwaar en de proceskosten te laag heeft vastgesteld.

De rechtbank heeft deze vergoeding op grond van bijzondere omstandigheden en onder verwijzing naar de uitspraak van het hof van 24 oktober 2019 vastgesteld op € 54,50 voor de bezwaarfase en € 75 voor de beroepsfase.

Het hof ziet geen reden anders te oordelen. De rechtbank heeft op goede gronden een juiste beslissing gegeven. Het hof volgt belanghebbende niet in haar standpunt dat aan het Unierecht een hogere vergoeding kan worden ontleend.

Overig

Belanghebbende heeft nog gesteld dat er tot nu toe niets is uitbetaald. Het hof is onbevoegd om over deze kwestie te oordelen. Geschilpunten met betrekking tot de uitbetaling van bedragen kunnen worden voorgelegd aan de civiele rechter.

Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft gesteld kan niet leiden tot een gegrond hoger beroep.

Tussenconclusie

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat het bezwaar van 23 september 2022 tegen de brief van 7 september 2022 niet-ontvankelijk is.

Ten aanzien van het griffierecht

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het hof:

De uitspraak is gedaan door W.A.P. van Roij, raadsheer, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2023 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De griffier, De raadsheer,

M.A.M. van den Broek W.A.P. van Roij

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2023/2034 V-N 2023/41.1.7
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?