Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch van 8 januari 2020 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-046060-19 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
wonende te [adres 1] ,
en volgens opgaaf van de verdachte ter terechtzitting vanaf 23 mei 2023 wonende aan de [adres 2] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 2.467,50 (zegge: tweeduizendvierhonderdzevenenzestig euro en vijftig cent) en is aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor eenzelfde bedrag. De politierechter heeft overeenkomstig artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht de maximaal op te leggen gijzeling vastgesteld op 98 dagen.
Namens de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman van de verdachte heeft primair bepleit dat het hof de ontnemingsvordering zal afwijzen gelet op de in de onderliggende hoofdzaak bepleite vrijspraak en subsidiair is een verweer gevoerd over de omvang van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met verbetering van de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd.
Gijzeling
Met ingang van 1 januari 2020 is het nieuwe elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht direct van toepassing geworden. Het hof zal daarom bij het opleggen van de maatregel de duur van de gijzeling bepalen die, met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering, in dit geval ten hoogste kan worden gevorderd. Bij het bepalen van de duur wordt overeenkomstig de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting voor elke volle € 50,- van het opgelegde bedrag niet meer dan één dag gerekend. De duur beloopt ten hoogste drie jaar.
BESLISSING
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 49 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen, voorzitter,
mr. S. Taalman en mr. A. Muller, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,
en op 30 mei 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.