GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.320.671/01
arrest van 20 juni 2023
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats],
appellant,
niet verschenen,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.P.H.W. Haas te Heerlen,
op het bij exploot van dagvaarding van 28 maart 2022 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 16 februari 2022, gewezen tussen appellant als opposant en geïntimeerde als geopposeerde.
1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/299461 / HA ZA 21-605)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest.
3. De beoordeling
Bij inschrijvingsherstelexploot van 12 juli 2022 heeft appellant geïntimeerde opgeroepen te verschijnen op de rol van 1 oktober 2030. Bij exploot van anticipatie van 23 december 2022 heeft geïntimeerde appellant vervolgens opgeroepen om vervroegd te verschijnen op de rol van 3 januari 2023. Zij heeft de zaak op de voet van artikel 127 lid 1 Rv op de rol van 3 januari 2023 vervroegd aangebracht. Op deze roldatum is appellant niet verschenen, waarna hij op de voet van artikel 127 lid 2 Rv in de gelegenheid is gesteld op de rol van 17 januari 2023 alsnog advocaat te stellen.
Conform het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1387) heeft de griffier op 5 januari 2023 een brief gestuurd aan mr. N. Statnik, de advocaat van appellant, in welke brief is gewezen op de mogelijkheid om alsnog advocaat te stellen op de rol van 17 januari 2023. Van deze gelegenheid heeft appellant geen gebruik gemaakt. Geïntimeerde heeft vervolgens arrest gevraagd.
Voor appellant heeft zich – na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld – geen procesvertegenwoordiger gesteld. Het hof begrijpt dat geïntimeerde met haar verzoek om arrest te wijzen heeft bedoeld de procedure te beëindigen. Gelet op het feit dat zich namens appellant geen advocaat heeft gesteld, had geïntimeerde conform artikel 127 lid 2 Rv ontslag van instantie moeten vragen. Omdat het de uitdrukkelijke bedoeling van geïntimeerde is de procedure te beëindigen, zal het hof de vordering van geïntimeerde als zodanig lezen. Het hof zal geïntimeerde dan ook ontslag van instantie verlenen met veroordeling van appellant in de proceskosten.
Het hof overweegt ten overvloede dat indien appellant wel zou zijn verschenen, dit niet zou hebben geleid tot een (integrale) inhoudelijke beoordeling van het eigenlijke geschil van partijen, maar tot niet-ontvankelijkverklaring. Uit ambtshalve bij de rechtbank Limburg ingewonnen informatie is het hof namelijk gebleken dat is nagelaten het hoger beroep conform artikel 3:301 lid 2 BW binnen acht dagen na het instellen daarvan in te schrijven in de registers bedoeld in artikel 433 Rv. Deze inschrijving is vereist omdat het verstekvonnis van 13 oktober 2021, dat in hoger beroep aan de orde zou komen wanneer het vonnis waarvan beroep door het hof zou worden vernietigd, in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte.
4. De uitspraak
Het hof:
ontslaat geïntimeerde van deze instantie;
veroordeelt appellant in de kosten van deze procedure, aan de zijde van geïntimeerde tot aan deze uitspraak begroot op € 783,00 aan griffierecht, € 127,42 aan kosten anticipatie-exploot en op € 591,50 aan salaris advocaat (½ punt liquidatietarief II).
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 juni 2023.
griffier rolraadsheer