Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 29 augustus 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-107254-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte door de politierechter ter zake van witwassen veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de inbeslaggenomen goederen verbeurdverklaard, te weten geldbedragen van € 6.295,00, € 16.500,00 en € 290,00.
Van de zijde van de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter integraal zal bevestigen.
De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte integraal zal vrijspreken van het tenlastegelegde.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, met aanvulling van de bewijsoverweging.
Voorts zal het hof – nu de meervoudige strafkamer gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, de inhoud van de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen, met aanvullingen en verbeteringen daarop, die redengevend zijn voor de bewezenverklaring uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat het hof de verdachte integraal dient vrij te spreken van het tenlastegelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij het aangetroffen geldbedrag heeft gekregen van [betrokkene 1] en dat het Openbaar Ministerie onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de verklaring van de verdachte.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Het hof leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 2 maart 2021 heeft de politie de woning van de verdachte betreden en hier grote hoeveelheden contant geld aangetroffen, met een totaal van € 23.085,00. Dit geld was op verschillende plaatsen verstopt, in onder meer coupures van € 100,00 (9), € 200,00 (37) en € 500,00 (6). Daaruit is een vermoeden ontstaan dat het geld een criminele herkomst heeft. Mede vanwege het feit dat de verdachte toentertijd geen inkomen had, nooit had gewerkt en niets had gewonnen.
De verdachte heeft verklaard dat hij dit geldbedrag contant heeft ontvangen van [betrokkene 1] , net voor haar overlijden op 4 oktober 2018 (dossierpagina 32). Over de wijze waarop en wat hij met dit geld heeft gedaan, heeft de verdachte wisselend verklaard Zo zegt de verdachte in zijn verhoor van 23 maart 2021 dat de broer van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , het geld aan hem heeft overgedragen en dat hij daarmee niks heeft gedaan, omdat hij niet graag iets uitgeeft. In het verhoor van 11 april 2022 zegt hij het geld van [betrokkene 1] zelf te hebben gekregen en dat hij soms met verjaardagen wat geld had toegevoegd aan het originele geldbedrag. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg gesteld nooit aan het geld te zijn gekomen, maar wel eens geld te hebben toegevoegd. Uit onderzoek van De Nederlandsche Bank blijkt evenwel dat ongeveer 44% van de biljetten na de dood van [betrokkene 1] , op 4 oktober 2018, nog in omloop waren. Eerst ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij de biljetten heeft gewisseld omdat hij dit leuk vond, echter weet hij niet (meer) hoeveel geld en waar (anders dan “bijvoorbeeld bij Indian, de coffeeshop) en met wie hij de biljetten heeft gewisseld. Het hof acht deze laatste verklaring ongeloofwaardig vanwege het late tijdstip (na het onderzoek door DNB) en de vaagheid ervan.
De verdachte heeft derhalve wisselend verklaard over de wijze waarop hij dit geld net voor haar dood van [betrokkene 1] zou hebben ontvangen, terwijl zijn stelling dat dit geld onaangetast was gebleven en er wat (het hof begrijpt: relatief weinig) geld aan is toegevoegd, onverenigbaar is met het gegeven dat 44 % van dat geld na de dood van [betrokkene 1] nog in omloop was. Hiermee heeft de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven waaruit kan volgen dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.
Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een meer en nader onderzoek door het Openbaar Ministerie dan reeds is gedaan (het telefonisch horen van de broer van [betrokkene 1] en het onderzoek van De Nederlandse Bank). Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het tenlastegelegde geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. C.M. Hilverda, voorzitter,
mr. P.J. Hödl en mr. S.V. Pelsser, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Dibbits en C.D. van Vliet, griffiers,
en op 5 juli 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.