de eendaadse samenloop van :
mishandeling, meermalen gepleegd; en
mensenhandel.
Het onder 3 en 6 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van:
mishandeling, meermalen gepleegd; en
mensenhandel.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De rechtbank heeft verdachte voor de feiten 1,2, 3, 5 en 6 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Daarnaast is een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid opgelegd inhoudende dat veroordeelde gedurende 5 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .
De advocaat-generaal heeft als uitgangspunt een gevangenisstraf genomen van 8 jaren en komt na verdiscontering van de overschrijding van de redelijke termijn tot een gevangenisstraf van 7 jaren met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal, overeenkomstig de rechtbank, eveneens oplegging gevorderd van de maatregel tot beperking van de vrijheid inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 3] .
Het hof overweegt dienaangaande als volgt:
De rechtbank heeft omtrent de ernst van de feiten onder meer het navolgende overwogen (p. 17 e.v.):
“Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven. Hij heeft op kwalijke wijze misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van twee vrouwen, van wie één nog heel jong was.
Verdachte was op de hoogte van de afhankelijke en kwetsbare positie van de vrouwen die hij uitbuitte. Hij heeft hen mishandeld, angst aangejaagd en vernederd. Dit zijn ernstige strafbare feiten. Mensenhandel is een vorm van uitbuiting waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit ondergeschikt worden gemaakt aan de zucht naar geldelijk gewin van de uitbuiter. De psychische gevolgen van dergelijke uitbuiting voor een slachtoffer zijn, zo is algemeen bekend, groot.
De slachtoffers bevonden zich in een afhankelijke positie ten opzichte van verdachte. Zij waren van verdachte afhankelijk voor onderdak en mede door zijn toedoen verslaafd aan alcohol of verdovende middelen. Hier heeft verdachte schaamteloos misbruik van gemaakt.
Het heeft er alle schijn van dat verdachte ook gericht op zoek was naar kwetsbare vrouwen.”
Het hof ziet geen reden anders te overwegen dan de rechtbank hiervoor heeft gedaan neemt deze overwegingen over en maakt deze tot de zijne. Aanvullend overweegt het hof het volgende.
Verdachte heeft de slachtoffers gedwongen om met hem en voor hem strafbare feiten te plegen waardoor ook anderen het onschuldige slachtoffer van verdachte zijn geworden.
Ook in hoger beroep heeft verdachte, net als in eerste aanleg, nauwelijks berouw getoond met betrekking tot zijn handelen. Enkel ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aanvullend verklaard dat bij hem op enig moment de stoppen zijn doorgeslagen, dat hij haar bij de keel heeft gepakt en met een hard houten slagvoorwerp en met platte hand heeft geslagen. Volgens verdachte had hij dit niet moeten doen maar het ging wel om een ketting van zijn moeder die aangeefster verkocht zou hebben. Dit past in het beeld dat de ernst van de feiten door verdachte wordt gebagatelliseerd waarbij verdachte ook telkens afbreuk probeert te doen aan de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] geschetste gebeurtenissen. Het zijn die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] die liegen en bedriegen, die verslaafd zijn en door hun onhandigheid letsel hebben opgelopen. Uit de opstelling van verdachte volgt geen zelfinzicht omtrent zijn handelen en dat is reden tot zorg.
Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen hebben feiten als de onderhavige een enorme impact op de slachtoffers, die daarvan nog jarenlang de gevolgen dragen. Hoewel het slachtoffer [slachtoffer 2] inmiddels is overleden volgt dit ook uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring van [slachtoffer 3] en uit de toelichting op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .
Bij dit alles is verder van belang de lange duur van de mishandelingen, het forse geweld dat het slachtoffer [slachtoffer 2] fataal had kunnen worden en de duur van de criminele uitbuiting.
Tenslotte heeft het hof acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie van 23 mei 2023 dat niet alleen omvangrijk is, namelijk 41 pagina’s, maar naast een veelheid van vermogensdelicten ook geweldsdelicten omvat.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Het hof is van oordeel de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf onvoldoende recht doet aan de hiervoor geschetste ernst van de feiten en de persoon van verdachte.
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar passend en geboden is. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof in eerste aanleg noch in het hoger beroep enige overschrijding van de redelijke termijn.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Ten slotte zal het hof aan de verdachte, zoals gevorderd door de advocaat-generaal, ter voorkoming van strafbare feiten ook een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod met aangeefster [slachtoffer 3] ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen voor de duur van 5 jaren.
Uit de slachtofferverklaring zoals voorgedragen ter terechtzitting in hoger beroep blijkt immers dat aangeefster nog steeds erg angstig is. Bovendien heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep niet de indruk gekregen dat de verdachte het kwalijke van het bewezenverklaarde inzien.
Het hof zal bepalen dat voor iedere keer dat niet aan deze maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 week, met een totale duur van ten hoogste zes maanden.
Het hof zal voorts bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, nu – gelet op het vorenstaande – er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer [slachtoffer 3] .
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 4.269,44, bestaande uit een bedrag van € 269,44 ter zake materiële schade zijnde daggeldvergoeding van € 93,- voor verblijf in het ziekenhuis en een bedrag van € 176,44,- ter zake eigen risico van de zorgverzekering. Daarnaast is aan immateriële schade een bedrag gevorderd van € 4.000,-. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd te beslissen overeenkomstig de rechtbank. De verdediging heeft primair afwijzing van de vordering bepleit dan wel subsidiair matiging ten aanzien van de gevorderde immateriële schade nu de bijgevoegde jurisprudentie betrekking hebben op seksuele uitbuiting en niet zoals in het onderhavige geval op criminele uitbuiting.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De benadeelde partij [slachtoffer 2] is inmiddels overleden. Bij mail van 5 juli 2023 heeft de raadsvrouw [naam] namens de nabestaanden van de benadeelde partij [slachtoffer 2] bericht dat de vordering niet wordt gehandhaafd. Ter terechtzitting in hoger beroep is door het hof aan de raadsvrouw gevraagd of de vordering wordt ingetrokken of niet langer wordt gehandhaafd. De raadsvrouw heeft daarop geantwoord dat de vordering niet langer wordt gehandhaafd maar niet wordt ingetrokken.
Nu de vordering benadeelde partij niet is ingetrokken en deze vordering in eerste aanleg in zijn geheel is toegewezen, duurt deze van rechtswege in hoger beroep voort zodat het hof daarop heeft te beslissen.
Het hof stelt daarbij voorop dat de omstandigheid dat een benadeelde partij ten tijde van de op haar vordering te nemen beslissing is overleden aan toewijzing van de vordering niet in de weg staat, ook niet indien zij strekt tot vergoeding van immateriële schade.
Met betrekking tot de materiële schade is het hof met de rechtbank van oordeel dat deze is aan te merken als rechtstreekse schade als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen.
Met betrekking tot de gestelde immateriële schade overweegt het hof als volgt.
Immateriële schade komt in dit geval slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het ligt op de weg van de benadeelde partij om voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval geestelijk letsel is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld.
Immateriële schadevergoeding kan in uitzonderlijke gevallen ook worden toegewezen in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, waardoor kan worden gesproken van aantasting van de persoon op andere wijze.
Verdachte heeft gepoogd om de benadeelde partij [slachtoffer 2] van het leven te beroven door haar met een hard houten slagvoorwerp tegen het hoofd te slaan en met kracht haar keel dicht te knijpen en verder is sprake van mishandeling en criminele uitbuiting gedurende langere periode. Uit de vordering blijkt dat de gevolgen van dit handelen voor [slachtoffer 2] enorm zijn geweest. Gelet op de aard en de ernst van de normschending neemt het hof hier aantasting in de persoon op andere wijze aan is de gevorderde immateriële schade eveneens toewijsbaar.
De omstandigheid dat – zoals de verdediging heeft gesteld – de bij het voegingsformulier gevoegde rechterlijke uitspraken hoofdzakelijk zien op seksuele uitbuiting en daarvan hier geen sprake is, doet aan dit oordeel niet af omdat er overduidelijk elementen zijn die overeenkomen met de onderhavige bewezenverklaarde feiten zoals het toegepaste geweld, bedreiging met geweld, intimidatie en vernedering en beperking van de vrijheden van het slachtoffer en het dwingen van het slachtoffer om handelingen te verrichten, in casu criminele uitbuiting, die de benadeelde partij niet wilde verrichten.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 2] is toegebracht tot een bedrag van € 4.269,44. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op
te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.000,00, bestaande uit immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering gematigd dient te worden omdat de ter onderbouwing van de van de vordering gevoegde rechterlijke uitspraken betrekking hebben op gedwongen prostitutie en daarvan hier geen sprake is.
Immateriële schade komt in dit geval slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het ligt op de weg van de benadeelde partij om voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval geestelijk letsel is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld.
Immateriële schadevergoeding kan in uitzonderlijke gevallen ook worden toegewezen in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, waardoor kan worden gesproken van aantasting van de persoon op andere wijze.
Verdachte heeft de benadeelde partij gedurende langere tijd mishandeld en gedurende langere tijd crimineel uitgebuit. Uit de vordering blijkt dat gevolgen van dit handelen voor [slachtoffer 3] enorm zijn geweest. Gelet op de aard en de ernst van de normschending neemt het hof hier aantasting in de persoon op andere wijze aan en wijst de gevorderde immateriële schade in zijn geheel toe.
De omstandigheid dat – zoals de verdediging heeft gesteld – de bij het voegingsformulier gevoegde rechterlijke uitspraken hoofdzakelijk op seksuele uitbuiting zien, doet aan dit oordeel niet af omdat er overduidelijk elementen zijn die overeenkomen met de onderhavige bewezenverklaarde feiten zoals het toegepaste geweld, bedreiging met geweld, intimidatie en vernedering en beperking van de vrijheden van het slachtoffer en het dwingen van het slachtoffer om handelingen te verrichten, in casu criminele uitbuiting, die zij niet wilde verrichten.
De andersluidende standpunten van de verdediging worden verworpen.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 3] is toegebracht tot een bedrag van € 6.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op
te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 45, 55, 57, 63, 273f, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3, 5 en 6 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag 2] 1999.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, tot ten hoogste zes maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1, 2 en 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.269,44 (vierduizend tweehonderdnegenenzestig euro en vierenveertig cent) bestaande uit € 269,44 (tweehonderdnegenenzestig euro en vierenveertig cent) materiële schade en
€ 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 1, 2 en 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.269,44 (vierduizend tweehonderdnegenenzestig euro en vierenveertig cent) bestaande uit € 269,44 (tweehonderdnegenenzestig euro en vierenveertig cent) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 52 (tweeënvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 21 maart 2022 en van de immateriële schade op 2 juli 2021.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 3 en 6 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.000,00 (zesduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 3 en 6 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.000,00 (zesduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 januari 2019.
Aldus gewezen door:
mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. F. van Es, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. Van der Meijs, griffier,
en op 20 juli 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. S.V. Pelsser is buiten staat dit arrest te ondertekenen.