Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 juni 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-820781-17 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld ter zake van:
-feit 1: de voortgezette handeling van valsheid in geschrift en opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;
-feiten 2 en 3: telkens de voortgezette handeling van het medeplegen van valsheid in geschrift en opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht als ware het echt en onvervalst;
-feit 4: de deels voortgezette handeling van het medeplegen van valsheid in geschrift en opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;
tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft verweren gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring en de strafmaat.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met verbetering van de bewezenverklaring en verbetering en aanvulling van de bewijsmiddelen.
Het hof ziet in hetgeen door de raadsman bij pleidooi ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd geen reden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring en de aard en omvang van de opgelegde straf. Evenmin ziet het hof aanleiding te bepalen dat geen straf of maatregel, als bedoeld in artikel 9a Wetboek van Strafrecht, zal worden opgelegd.
Verbeterde lezing bewezenverklaring
Het hof leest de bewezenverklaring op de navolgende onderdelen verbeterd:
-vonnis, pagina 4, onder 4.4., tweede regel, het hof schrapt de zinsnede “Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat”, uit de bewezenverklaring;
-vonnis, pagina 4, bewezenverklaring feit 1, tiende regel, leest het hof ‘ij’ als ‘zij’ en ‘n/of’ als ‘en/of’;
-vonnis, pagina 5, bewezenverklaring feit 1 na “EN”, derde regel van onderen, het hof schrapt de zinsnede “en/of die valse verklaring van geen bezwaar”, uit de bewezenverklaring;
-vonnis, pagina 6, bewezenverklaring feit 4, tussen onderdeel A en C, derde respectievelijk vierde regel, leest het hof de zinsnede “B (model) werkgeversverklaring (blz. 0169)”, in de bewezenverklaring.
De verdachte is door deze verbeterde lezing niet in enig verdedigingsbelang geschaad.
Bewijsmiddelen
Algemeen
Het hof verbetert de paginanummering ten aanzien van de in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen als volgt:
- pagina 14, bewijsmiddel 1, proces-verbaal van aangifte [aangever] - pagina’s 105 t/m 107;
- pagina 15, bewijsmiddel 2, proces-verbaal verhoor aangever [aangever] – pagina 173;
- pagina 16, bewijsmiddel 5, geschrift samenlevingsovereenkomst – pagina’s 153 en 159;
- pagina 17, bewijsmiddel 6, geschrift arbeidsovereenkomst – pagina's 167 en 168;
- pagina 18, bewijsmiddel 9, proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] – pagina’s 273 en 274;
- pagina 18, bewijsmiddel 10, proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] – pagina 669;
- pagina 18, bewijsmiddel 11, proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] – pagina 674;
- pagina 19, bewijsmiddel 12, proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] – pagina’s 772 t/m 774;
- pagina 19, bewijsmiddel 13, proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4] – pagina’s 855 en 856.
Aanvulling
Het hof vult de bewijsmiddelen van het vonnis als volgt aan.
1.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] op 18 januari 2018, pagina 674, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Vanaf het moment dat wij een relatie hadden vanaf 2010 totdat wij gingen samenwonen in juli 2013 woonde [verdachte] nog thuis bij haar ouders. Ik bedoel daarmee [adres 2] , waar [betrokkene 1] en [betrokkene 2] woonachtig zijn.
2.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] van 31 augustus 2017, pagina 856, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Waar hadden de gesprekken met [betrokkene 1] plaatsgevonden?
A: Bij hem thuis. Ze (het hof begrijpt: [verdachte] ) zat er één keer bij toen ze haar documenten moest geven.
3.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 31 augustus 2017, pagina 256, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[verdachte] zat erbij en die [betrokkene 3] moest de aanvraag omgevingsvergunning alleen maar ondertekenen.
4.
Een geschrift, te weten een brief van Advocatenkantoor [advocatenkantoor] aan Gemeente Bergen op Zoom van 17 oktober 2013, pagina 164, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Hierbij gaan (..) stukken waaruit u kunt afleiden dat mevrouw [verdachte] weer een baan heeft.
Waarbij zijn gevoegd navolgende geschriften, te weten:
-Arbeidsovereenkomst (pagina’s 167 en 168)
-Model-werkgeversverklaring (pagina 169)
-Model-Opgaaf gegevens voor de loonheffingen (pagina 170).
5.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] van 21 september 2017, pagina’s 335 en 336, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
O = Opmerking verhoorders, V = Vraag verhoorders, A = Antwoord getuige.
O: Jij heb al enige tijd een relatie met [betrokkene 3] .
Op 1 juni 2011 heb je samen met [betrokkene 3] de tussenwoning op [adres 3] gekocht.
V: Hoe lang hadden jullie een relatie voordat je het huis kocht.
A: Voordat wij de woning op [adres 3] kochten hadden wij ongeveer 1 jaar een relatie met elkaar.
V: Waar woonden jullie daarvoor?
A: Voordat ik de woning met [betrokkene 3] kocht woonde ik gewoon thuis bij mijn moeder. [betrokkene 3] woonde toen ook nog thuis bij zijn moeder in [plaats] .
V: Wie is [verdachte] ?
A: Dat is een dochter van [betrokkene 1] . [verdachte] is een nicht van [betrokkene 3] . De moeder van [betrokkene 3] en de vader van [verdachte] zijn broer en zus.
V: Op 1 juni 2011 zou [betrokkene 3] zoals bleek uit bescheiden al ruim een jaar met [verdachte]
samenwonen. Wat weet je hiervan?
A: Ik weet er niks van. Ik weet niet anders dan dat [betrokkene 3] nadat wij de woning hadden gekocht (het hof begrijpt de woning aan [adres 3] ) van thuis uit hier is komen wonen. Na de aankoop van de woning, (op 1 juni 2011) heb ik eerst alleen gewoond op het [adres 3] . [betrokkene 3] sliep hier af en toe wel maar hij woonde gewoon thuis in [plaats] .
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,
mr. G.J. Schiffers en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 8 november 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. M.L.P. van Cruchten is buiten staat dit arrest te ondertekenen.