ECLI:NL:GHSHE:2023:737

ECLI:NL:GHSHE:2023:737, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-02-2023, BKDH-22/00227 t/m BKDH-22/00236

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 28-02-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer BKDH-22/00227 t/m BKDH-22/00236
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2022:214
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 22 zaken
Aangehaald door 1 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001941 BWBR0002320 BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0011353 BWBR0018450

Samenvatting

(Navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw. Inkomsten uit hennepteelt. Omkering en verzwaring bewijslast in verband met het niet doen van (de vereiste) aangifte. Inspecteur heeft redelijke schatting van het belastbare inkomen gemaakt. Belanghebbende is niet geslaagd in de verzwaarde (tegen)bewijslast.

Uitspraak

5. Correcties inkomstenbelasting box 1

Basis voor de aan te brengen correcties op de belastbare inkomen zijn de gegevens van de inkomsten zoals vermeld in hoofdstuk 3 en 4 van deze rapportage.

6. Correcties inkomstenbelasting box 3

Omdat in de aangiften het aangehouden contante geld niet bij het onderdeel voordeel uit sparen en beleggen is aangegeven (box 3) moet ook dit deel van de aangiften worden gecorrigeerd.

Omdat belastingplichtige heeft verklaard een deel van de aankoop van de woning(en) met hennepgeld te hebben betaald is voor het jaar 2008 uitgegaan van een hoger bedrag aan contant geld dan op 21 augustus 2012 bij de huiszoeking is aangetroffen.

Als basis daarvoor is genomen de aanschafwaarde van de laatst aangekochte woning [straatnaam nr. 1] te [woonplaats 8] inclusief verbouwing ad € 343.000 minus de hypotheek ad € 63.000 en de lening o/g van [D] ad € 100.000 die bij aankoop eerste woning in 2008 is aangegaan. Derhalve een bedrag van € 180.000. Ik ga ervan uit dat dit bedrag in de periode 2008 tot en met 21 augustus 2012 geleidelijk tot nihil is afgenomen.

In het rapport kondigt de Inspecteur tevens aan dat hij voornemens is vergrijpboetes op te leggen op grond van artikel 67 e AWR (2008 tot en met 2011) respectievelijk artikel 67d AWR (2012).

Op 22 mei 2013 respectievelijk 2 december 2015 heeft de Inspecteur de onder 1.1 vermelde (navorderings)aanslagen opgelegd en de onder 1.1 vermelde beschikkingen gegeven.

In het Proces-verbaal met nummer [p-v 1] van het verhoor van de informant, is ten aanzien van het adres [adres 2] in [woonplaats 2] en [adres 3] te [woonplaats 3] het volgende opgenomen:

“Dan is het volgende adres [adres 2] te [woonplaats 2] . Huisnummer weet ik niet meer, maar jullie weten dat wel. Dat betreft een vrijstaande woning. Daar werd op de eerste verdieping gekweekt in drie slaapkamers. Eigenaar weet ik niet. Jullie hadden de naam van de week gezegd, maar die weet ik niet meer. Katvanger is [E] . De makelaar is [makelaar 1] , schuine streep, [makelaar 2] . De huur betrof plus minus 2300,- euro per maand. [makelaar 2] had het pand aangeleverd. De werkers ca opbouwers waren [E] , [F] voor de elektra, [makelaar 2] , ikzelf, [C] . Later zijn daarbij gekomen [G] en [H] .

Het waren 370 planten en 57 lampen van 600 Watt. In mijn gedachte is daar drie en een half jaar gedraaid. En dan tot 18 april 2012. Op de 19de van april werd ik bedreigd. In totaal is 2100 kilogram gekweekt. PP en Amnesia. Dat was een fifty/fifty splitsing geweest. Dus daar is 2.200.000,- euro omgezet. De investering was circa 50.000,- euro.

De verdeling is als volgt:

[E] kreeg 200.000,- euro. [C] kreeg 600.000,- euro. Ikzelf zo'n 100.000,- euro. [makelaar 2] kreeg 60.000,- euro. [makelaar 1] kreeg 60.000,- euro. [belanghebbende] kreeg 100.000,- euro. En [de zoon] kreeg 700.000,- euro. Ik moest mijn deel van 200.000,- euro delen met [belanghebbende] . Dus ik kreeg 100.000,- euro en [belanghebbende] kreeg 100.000,- euro. (…)”

In het Proces-verbaal met nummer [p-v 2] van het verhoor van de informant, is ten aanzien van het adres [adres 3] in [woonplaats 3] het volgende opgenomen:

Het laatste adres is de [adres 3] in [woonplaats 3] . Dan praten we over de periode 2010 en 2011. Hier heb ik ongeveer 12 draaien gehad, 12 keer geoogst. Het betreft een hoekwoning. Er werd op zolder gekweekt. 16 lampen en circa 120 planten. Katvanger was [I] , een Marokkaanse jongen, bij jullie bekend. Hij is door jullie gepakt eind 2011, begin 2012 op de [adres 3] .

Dat hok was al aangesloten. Gezien de werkwijze zag ik aan de elektra dat dit door [F] moet zijn gebeurd. Dit was het hok dat ik van [belanghebbende] zou krijgen als ik met zijn zoon, [de zoon] , zaken zou doen. Dit is dus het eerste hok wat ik met de constructie [de zoon] / [belanghebbende] had.

[I] hield dit hok zelf bij en bouwde dit hok. We brachten de hennepplanten naar het [adres 14] of in de buurt van het [adres 14] . Daar nam ik de auto over, zodat [I] het knopadres niet zou weten.

[I] kreeg dan een dag naderhand zijn geld en de nieuwe stekken voor de nieuwe draai.

Hier is gedraaid fifty/fifty PP, schuine streep, Amnesia. Circa 25 kilogram per oogst. In totaal 300 kilogram. Ik bereken dit op 1000,- euro per natte kilo vanwege de verdeling PP/Amnesia. De opstartkosten hier waren circa 10.000,- euro. De opbouwkosten, 12 keer, hou ik 50.000,- euro. [I] kreeg van ons een vast bedrag van 10.000,- euro per draai. Die heeft dus 120.000,- euro verdient.

Dan hou je voor de verdeling een bedrag over van 120.000,- euro. Hiervan is 60.000,- euro naar [de zoon] gegaan. 30.000,- euro naar [belanghebbende] en 30.000,- euro naar mijzelf gegaan. Ik moest, zoals ik al eerder had verklaard, de helft afstaan aan [belanghebbende] .

Toen ik hier in het jaar 2010 voor het eerst ging draaien, was het hok al compleet gebouwd. Ik hoefde slechts de lampen en de filters te vervangen. Dit hok had gedurende een periode van drie jaar al gedraaid onder de constructie [belanghebbende] en [de zoon] , [D] en [I] de Marokkaan. Dat weet ik door eigen zeggen van [de zoon] en [belanghebbende] . [I] vertelde mij dat hij in die jaren slechts 4000,- euro of 5000,- euro per draai kreeg. Dan gaan we uit dat die drie jaren goed zijn geweest voor 450 kilogram natte hennep. Dit maal 850,- euro per natte kilo hennep. Dat is 382.500,- euro. De opstartkosten en vervangingskosten schat ik over drie jaar op 85.000,- euro. Dan heeft [I] 81.000 ; euro gekregen. Dan bleef er 221.500,- euro over. Dat deel je door drie, [belanghebbende] en [de zoon] en [D] . Dan kregen zij per persoon circa 73.500,- euro.

Dat weet ik allemaal door wat [belanghebbende] en [de zoon] mij hebben verteld. Wat [I] mij heeft verteld.”

De bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek hebben tot vervolging van belanghebbende geleid. In het vonnis van 11 april 2019 van de strafkamer van de Rechtbank, [ECLI 1] , is belanghebbende veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren voor onder meer het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, letter b, Opiumwet (meermaals gepleegd), gewoontewitwassen, het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf (als bedoeld in artikel 11, lid 3 en/of lid 5, Opiumwet).

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis van de Rechtbank van 11 april 2019.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld:

“V. Omkering en verzwaring van de bewijslast

Op grond van artikel 27e AWR wordt – indien de vereiste aangifte niet is gedaan – het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Dit betekent dat op de belanghebbende in dat geval de verzwaarde bewijslast rust (overtuigend aantonen) dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

Van het niet doen van de vereiste aangifte is onder andere sprake indien met toepassing van de normale regels van de stelplicht en bewijslast kan worden vastgesteld dat sprake is van gebreken in de aangifte die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel op zichzelf beschouwd als verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting.[12] Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden in dit verband slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De stelplicht en de bewijslast hiervan rust op de inspecteur.[13]

Belanghebbende stelt dat geen sprake is van niet aangegeven inkomen en vermogen. Van enige betrokkenheid bij de teelt en handel in hennep is volgens belanghebbende geen sprake en de aangetroffen contanten behoren aan iemand anders toe. Volgens belanghebbende is de verklaring van de informant onbetrouwbaar en werpen getuigenverklaringen die gedurende het hoger beroep in de strafzaak tegen belanghebbende zijn afgelegd een heel ander licht op de zaak.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt (i) dat belanghebbende in de onderhavige jaren inkomen heeft genoten uit het telen van en de handel in hennep en (ii) dat belanghebbende in de onderhavige jaren heeft beschikt over grote sommen contant geld. De rechtbank komt tot dit oordeel door de verklaringen van de informant die gedetailleerd heeft verklaard dat belanghebbende bij meerdere hennepkwekerijen betrokken is geweest en daarbij een leidende rol vervulde. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de informant. De informant maakte deel uit van de organisatie van belanghebbende, de informatie van de informant is gedetailleerd en de verklaringen van de informant vinden ook steun in de bevindingen van de politieonderzoek, zoals de resultaten van doorzoekingen die hebben plaatsgevonden. Uit de verklaringen van de informant volgt tevens dat belanghebbende in de onderhavige jaren de beschikking had over grote sommen contant geld. Dit volgt ook uit de diverse verklaringen van belanghebbende die hij tijdens de verhoren bij de politie heeft afgelegd. Belanghebbende heeft wisselend verklaard dat hij de sommen contant geld heeft vergaard door te sparen [14], zwart bij te klussen als bouwvakker voordat hij arbeidsongeschikt is verklaard [15], respectievelijk dat hij grote sommen contant geld heeft verdiend met de handel in hennep waar hij vroeger, dat is vóór de onderhavige jaren, bij betrokken was [16]. Ook is bij de doorzoeking van de woning van belanghebbende in augustus 2012 een groot bedrag aan contanten aangetroffen. Dat de contanten niet van belanghebbende zijn, is naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig gelet op de vindplaats, de verklaringen van de informant en de eerder door belanghebbende afgelegde verklaringen. Ook uit de door de inspecteur opgestelde vermogensvergelijking volgt dat belanghebbende de beschikking heeft gehad over niet aangegeven inkomen en/of vermogen.

De verklaringen van derden die volgens belanghebbende een ander licht op de zaak zouden werpen en zouden zijn afgelegd gedurende het hoger beroep van strafzaak tegen belanghebbende, zijn niet door belanghebbende overgelegd. De rechtbank ziet in deze niet-onderbouwde stelling van belanghebbende daarom geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen over de betrouwbaarheid van de informant.

De inspecteur heeft gelet op het voorgaande aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in de onderhavige jaren door hem genoten inkomen en door hem aangehouden vermogen niet in aanmerking heeft genomen bij het doen van de aangiften IB/PVV. Hierdoor is de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel op zichzelf beschouwd als verhoudingsgewijs aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting. Het voorgaande geldt eveneens voor de Zvw. Bij het oordeel dat het bedrag van de Zvw dat op basis van de aangifte niet zou zijn geheven op zichzelf beschouwd aanzienlijk is, neemt de rechtbank in aanmerking dat het bij Zvw-bedragen in het algemeen om lagere bedragen gaat dan bij de IB/PVV als gevolg van het lagere tarief.[17] Gelet op de aard van de inkomsten en de herkomst van de aangehouden contanten is aannemelijk dat belanghebbende wist dat door het niet verantwoorden hiervan een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard.

VI. De kwalificatie van het inkomen

De inspecteur heeft het genoten inkomen als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van winst uit onderneming, omdat belanghebbende niet staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en belanghebbende zich ook niet naar buiten toe heeft gepresenteerd als ondernemer. Subsidiair stelt de inspecteur zich op het standpunt dat als het inkomen als winst uit onderneming moeten worden aangemerkt, belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in aanmerking komt voor een hogere aftrek van kosten dan door de inspecteur verleend, of voor andere aftrekposten waaronder de ondernemersfaciliteiten, aldus nog steeds de inspecteur.

Aangezien de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aangegeven inkomen heeft genoten en niet aangegeven vermogen heeft aangehouden, komt de rechtbank toe aan het ter zitting ingenomen standpunt van belanghebbende dat het niet aangegeven inkomen als winst uit onderneming moet worden aangemerkt. De leidende rol binnen een grote organisatie die belanghebbende volgens de inspecteur zou hebben gespeeld, verhoudt zich volgens belanghebbende niet met het aanmerken van het daaruit genoten inkomen als resultaat uit overige werkzaamheden.

De rechtbank is van oordeel dat het inkomen dat belanghebbende heeft genoten als winst uit onderneming kwalificeert. Gelet op de verklaringen van de informant acht de rechtbank het aannemelijk dat belanghebbende een leidende rol heeft gespeeld binnen een omvangrijke organisatie die zich op grote schaal heeft beziggehouden met de teelt en handel in hennep. De omvang van deze activiteiten en de hoogte van het daaruit genoten inkomen leiden er naar het oordeel van de rechtbank toe dat sprake is van winst uit onderneming. Dat de onderneming van belanghebbende niet staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en dat naar buiten toe geen bekendheid aan de werkzaamheden wordt gegeven zijn weliswaar relevante factoren, maar die factoren staan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer in de weg aan de kwalificatie winst uit onderneming. Ook inkomen uit onrechtmatige activiteiten kan immers winst uit onderneming zijn. Daarbij zal in de regel geen sprake zijn van een onderneming die staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, waarbij naar buiten toe bekendheid aan de werkzaamheden wordt gegeven.

Belanghebbende heeft in zijn pleitnota verzocht om “een deskundigenonderzoek te gelasten waarbij de gestelde inkomsten fiscaal gezien als Winst uit Onderneming (WUO) ingevoerd en afgewogen worden tegen de opgelegde aanslagen. De uitkomst van die exercitie levert beduidend lagere correcties op.”. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om een deskundigenonderzoek te gelasten. Belanghebbende en zijn gemachtigde hebben immers genoeg gelegenheid gehad om zelf, of door inschakeling van een derde, uiteen te zetten welke cijfermatige consequenties volgens hen verbonden zijn aan de kwalificatie van het inkomen als winst uit onderneming. Belanghebbende heeft zich pas voor het eerst tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat sprake is van winst uit onderneming, dat maakt dit niet anders. Dit komt voor rekening en risico van belanghebbende, omdat dit standpunt niet het gevolg is van feiten en omstandigheden die voor het eerst tijdens de zitting of kort daarvoor bekend zijn geworden.

Dat het niet aangegeven inkomen als winst uit onderneming moet worden aangemerkt, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel wat betreft de vraag of de vereiste aangifte is gedaan. De kwalificatie als winst uit onderneming laat immers onverlet dat belanghebbende aangifte heeft gedaan naar een absoluut en relatief te laag bedrag aan verschuldigde belasting. De kwalificatie doet evenmin af aan de bewustheid van belanghebbende.

VII. De hoogte van de (navorderings)aanslagen

De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat de inspecteur gehouden is om bij het vaststellen van de (navorderings)aanslagen uit te gaan van een redelijke schatting van het belastbare inkomen. Het vereiste van een redelijke schatting voorkomt dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld.[18] In dat kader rust op de inspecteur de taak om de schatting zodanig te onderbouwen met feitelijke stellingen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.[19] Als de inspecteur daarin slaagt dan ligt het op de weg van belanghebbende, wanneer hij de schatting betwist, om daarvoor het verzwaarde tegenbewijs te leveren.

De correctie van het belastbare inkomen uit werk en woning is gebaseerd op diverse verklaringen van de informant. De informant heeft gedetailleerd verklaard over de betrokkenheid van belanghebbende bij de teelt en handel in hennep, de plaatsen waar hennepkwekerijen werden gehouden en de opbrengsten die belanghebbende daaruit heeft verkregen en de kosten die zijn gemaakt. Zoals overwogen onder 4.20 en 4.21 ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van de informant. De inspecteur heeft bij het opleggen van de navorderingsaanslagen over de jaren 2010, 2011 en 2012 geen rekening gehouden met de MKB-winstvrijstelling. De rechtbank zal dat alsnog doen, omdat in die jaren voor toepassing van de MKB-winstvrijstelling niet (langer) is vereist dat wordt voldaan aan het urencriterium. Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de schatting van de inspecteur met betrekking tot het belastbare inkomen uit werk en woning redelijk is. Aangezien belanghebbende tegenover de betwisting door de inspecteur niet aannemelijk maakt, laat staan doet blijken, dat hij in de onderhavige jaren heeft voldaan aan het urencriterium, komt belanghebbende niet in aanmerking voor de ondernemersfaciliteiten waarvoor het urencriterium een vereiste is. Ook met betrekking tot andere grondslagverminderende posten ontbreekt een begin van bewijs dat de inspecteur deze ten onrechte niet of tot een te laag bedrag in aanmerking heeft genomen.

De correctie met betrekking tot het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is gebaseerd op de contanten die zijn aangetroffen tijdens de doorzoeking van de woning van belanghebbende en van zijn schoonouders, de verklaringen van de informant en de verklaringen van belanghebbende zelf. De inspecteur heeft het bedrag aan contanten dat tijdens de doorzoeking van de woning van belanghebbende en de doorzoeking van de woning van de schoonouders van belanghebbende is aangetroffen, ook in de jaren 2008 tot en met 2011 als bezitting in aanmerking genomen. De rechtbank acht dit niet onredelijk. Uit de verklaring van de informant volgt dat belanghebbende gedurende meerdere jaren grote sommen contant geld ter beschikking had die hij in huis bewaarde. Ook uit diverse door belanghebbende afgelegde verklaringen volgt dat het niet onredelijk is om ervan uit te gaan dat belanghebbende vóór 2012 al beschikte over grote sommen contant geld. Zo heeft belanghebbende verklaard dat de aanschaf van diverse woningen in eerdere jaren deels is betaald met ‘wietgeld’.[20] Dat het bij de schoonouders aangetroffen geldbedrag door de inspecteur als bezitting van belanghebbende is aangemerkt, kan naar het oordeel van de rechtbank eveneens de redelijkheidstoets doorstaan. Belanghebbende heeft immers zelf verklaard dat hij een geldbedrag van € 43.250 heeft verstopt in een geheime ruimte onder de trap van de woning van zijn schoonouders.[21] Die verklaring van belanghebbende is in lijn met de verklaring van de schoonvader van belanghebbende. De schoonvader van belanghebbende heeft verklaard dat het bedrag van € 43.250 niet van hem is en dat belanghebbende het geld daar moet hebben neergelegd.[22]

Voor zover de schatting van de inspecteur redelijk is, rust op belanghebbende de last overtuigend aan te tonen dat en in hoeverre de (navorderings)aanslagen onjuist zijn. Belanghebbende stelt dat hij in de onderhavige jaren niet meer inkomen heeft genoten respectievelijk bezittingen heeft gehad dan vermeld in zijn aangiften IB/PVV en Zvw. De aangetroffen contanten behoren volgens belanghebbende niet aan hem toe. Verder is volgens belanghebbende het door de inspecteur vastgestelde belastbare inkomen onjuist, omdat de inspecteur ervan uitgaat dat de aangetroffen contanten op een eerder moment als inkomen zijn genoten. Volgens belanghebbende is daarmee sprake van een dubbele heffing. Ook is het vermogen door de inspecteur ten onrechte gecorrigeerd op basis van de verkoopwaarde in plaats van de WOZ-waarde, aldus belanghebbende.

Belanghebbende heeft met zijn blote stellingen over het al dan niet genieten van inkomen en het aanhouden van vermogen niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast om aan te tonen dat en in hoeverre de (navorderings)aanslagen onjuist zijn.

Dat de inspecteur inkomen dat vervolgens als vermogen wordt aangehouden, eerst belast als belastbaar inkomen uit werk en woning en vervolgens als belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is in overeenstemming met de Wet IB 2001. Het andersluidende standpunt van belanghebbende geeft blijk van een evident onjuiste rechtsopvatting.

Ook het standpunt van belanghebbende met betrekking tot de WOZ-waarde van de woningen is naar het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk. Nog daargelaten dat de door belanghebbende overgelegde WOZ-waarden geen betrekking hebben op de onderhavige jaren, ziet de correctie van de inspecteur wat betreft het belastbare inkomen uit sparen en beleggen niet op de (waarde van de) woningen. Alleen de woning aan de [straatnaam nr. 2] is in 2008 en 2009 in aanmerking genomen bij het vaststellen van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. De inspecteur is daarbij echter uitgegaan van de waarde die belanghebbende in zijn aangiften over de desbetreffende jaren in aanmerking heeft genomen. De overige twee woningen aan de [adres 15] en [straatnaam nr. 2] , waren achtereenvolgend de eigen woning van belanghebbende en de partner. Die woningen zijn door belanghebbende als onderdeel van het belastbare inkomen uit werk en woning in aanmerking genomen en de inspecteur is belanghebbende op dat punt gevolgd. Voor zover belanghebbende betoogt dat de inspecteur bij de post “meer contant geld obv uitgaven” moet uitgaan van de WOZ-waarde in plaats van de aankoopprijs wordt dit door de rechtbank verworpen. Belanghebbende heeft immers de aankoopprijs betaald en niet de WOZ-waarde.

Gelet op het voorgaande blijven de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2008 en 2009 en de daarbij gegeven rentebeschikkingen in stand. De (navorderings)aanslagen IB/PVV over de jaren 2010, 2011 en 2012 worden verminderd tot de volgende bedragen:

(navorderings)-aanslag IB/PVV

Belastbaar inkomen uit werk en woning

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Rente

2010

€ 188.997

€ 16.697

Evenredige vermindering

2011

€ 786.475

€ 12.939

Evenredige vermindering

2012

€ 104.151

€ 9.854

-

De aanslag Zvw 2012 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 50.064, waarbij geen rekening is gehouden met de reeds ingehouden bijdrage over € 22.751. Conform het vermelde in het verweerschrift van de inspecteur, zal de rechtbank de aanslag Zvw 2012 verminderen tot een toegepast bijdrage-inkomen van € 27.313. De rentebeschikking bij die aanslag wordt dienovereenkomstig verminderd. De (navorderings)aanslagen Zvw over de jaren 2008 tot en met 2011 blijven in stand.

VIII. De vergrijpboeten

Op grond van artikel 67e AWR kan – voor zover hier van belang – een vergrijpboete worden opgelegd indien het aan opzet of grove schuld van een belastingplichtige is te wijten dat een aanslag van een belasting, die bij wege van aanslag wordt geheven, tot een te laag bedrag is vastgesteld of dat anderszins te weinig belasting is geheven.

De inspecteur heeft gelijktijdig met het opleggen van de navorderingsaanslagen IB/PVV 2008 tot en met 2011 beschikkingen gegeven waarbij boeten zijn opgelegd tot de onder 1.1 vermelde bedragen. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende opzet kan worden verweten ten aanzien van de omstandigheid dat de aanslagen IB/PVV 2008 tot een 2011 te laag bedrag zijn vastgesteld.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur heeft verzuimd om de aan hem opgelegde boeten aan te kondigen. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur daarmee artikel 5:53 Awb geschonden. Hierdoor is belanghebbende naar eigen zeggen niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord met betrekking tot de opgelegde boeten en is hij niet in de gelegenheid gesteld om de gronden waarop de boeten zijn opgelegd te betwisten. Ook de mededelingsplicht van artikel 67g AWR is volgens belanghebbende geschonden. De inspecteur heeft volgens belanghebbende niet (tijdig) dan wel ongemotiveerd vermeld op welke gronden de boeten berusten. Tot slot stelt belanghebbende zich op het standpunt dat van opzet geen sprake is. Volgens belanghebbende moeten de boetenbeschikkingen worden vernietigd.

De aan belanghebbende opgelegde boeten zijn aangekondigd in het rapport. Het rapport is per deurwaardersexploot betekend en op 22 mei 2013 om 12:40 uur achtergelaten op het politiebureau gelegen aan de Nassausingel 22 te Breda , omdat belanghebbende hier verbleef.[23] De navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2008 tot en met 2011 zijn vastgesteld met dagtekening 22 mei 2013. De rechtbank overweegt dat aankondiging van de boeten weliswaar vooraf is gegaan aan het uitreiken van het aanslagbiljet, maar dat de tijd tussen de aankondiging van de boete en de bekendmaking van de boete erg kort is.[24] Voor matiging van de boeten om die reden is echter slechts ruimte indien belanghebbende door het niet-naleven van artikel 5:53, lid 3, Awb processueel nadeel heeft geleden. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat belanghebbende nadeel heeft ondervonden doordat hij voorafgaand aan het opleggen van de boeten niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord en niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de gronden waarop de boetes zijn opgelegd. De rechtbank ziet in de schending van artikel 5:53, lid 3 Awb derhalve geen aanleiding de boetebeschikkingen te verminderen laat staan te vernietigen. Van schending van artikel 67g AWR is gelet op het voorgaande geen sprake, omdat het rapport vermeldt op welke grond de boeten zijn opgelegd.

Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen of betalen van belasting. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet. Onder voorwaardelijk opzet wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting geheven is of kan worden, dan wel niet of niet binnen de termijn betaald is.

Gelet op het overwogene onder 4.20 is de rechtbank van oordeel dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de aanslagen IB/PVV 2008 tot en met 2011 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Door grote bedragen aan inkomen uit de teelt en handel in hennep en aangehouden contanten niet te verantwoorden in de aangiften IB/PVV heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aanslagen IB/PVV 2008 tot en met 2011 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld.

De inspecteur heeft beschikkingen gegeven waarbij boeten zijn opgelegd van 50% van de nagevorderde bedragen. Anders dan belanghebbende stelt, is de inspecteur daarmee niet uitgegaan van een hoger percentage dan vermeld in het Besluit bestuurlijke boeten Belastingdienst. Voor de jaren 2010 tot en met 2012 geldt dat de inspecteur is uitgegaan van een onjuiste grondslag, omdat de inspecteur geen rekening heeft gehouden met de MKB-winstvrijstelling. De rechtbank zal die boetebeschikkingen daarom verminderen.

Bij de beoordeling of de opgelegde boeten passend en geboden zijn, kan de wijze waarop de verschuldigde belasting is komen vast te staan, in dit geval door omkering en verzwaring van de bewijslast, een rol spelen bij de vraag of de boeten passend en geboden zijn. Die omstandigheid leidt niet in alle gevallen tot matiging van een boete, maar de rechtbank ziet daar in dit geval wel aanleiding toe. Ondanks dat de correcties door de inspecteur naar vermogen zijn onderbouwd, bevatten deze toch enige ruwheid. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de boeten te verminderen met 20%. De rechtbank acht boeten tot deze bedragen passend en geboden. Geen rechtsregel dwingt ertoe dat bij omkering en verzwaring van de bewijslast een boete van maximaal 25% van het nagevorderde bedrag kan worden opgelegd. Het andersluidende standpunt van belanghebbende wordt dan ook verworpen.

Gelet op het voorgaande zijn boeten van € 23.748 (2008), € 28.520 (2009), € 34.283 (2010) en € 157.961 (2011) naar het oordeel van de rechtbank passend en geboden.

De rechtbank ziet aanleiding om de passend en geboden geachte boeten verder te verminderen in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Voor de aanvang van de termijn dient beoordeeld te worden aan welke handeling van de inspecteur belanghebbende in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat aan hem een boete zou worden opgelegd.[25] Het rapport is op 22 mei 2013 aan belanghebbende betekend. Overigens zijn op diezelfde dag de beschikkingen gegeven waarbij de boeten zijn opgelegd. De redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep bedraagt twee jaren. De rechtbank ziet aanleiding om de redelijke termijn te verlengen, omdat belanghebbende heeft verzocht om de behandeling van het bezwaar aan te houden tot de rechter een strafzaak een uitspraak heeft gedaan. Die aanhouding is op 7 november 2018 schriftelijk door de inspecteur beëindigd. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met, naar boven afgerond, één jaar en zes maanden. De boetebeschikkingen worden daarom verminderd met nog eens 15%, waarbij de maximale vermindering € 10.000 bedraagt.[26]

De boetebeschikkingen worden daarom verminderd tot de volgende bedragen: € 20.185 (2008), € 24.242 (2009), € 29.140 (2010) en € 147.961 (2011).

Tot slot

Alles wat belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

[12] Hoge Raad 23 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW8043 en Hoge Raad 20 mei 1987, ECLI:NL:HR:1987:AW7660.

[13] Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083.

[14] Zie proces-verbaal nummer PV [p-v 3] .

[15] Zie proces-verbaal nummer PV [p-v 4] .

[16] Zie bijvoorbeeld proces-verbaal nummer [p-v 5]

[17] Vgl. ook gerechtshof ’s-Hertogenbosch 31 augustus 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3650.

[18] Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.

[19] Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401.

[20] Zie bijvoorbeeld proces-verbaal nummer [p-v 5] , waarin belanghebbende

[21] Zie proces-verbaal nummer PV [p-v 3] .

[22] Zie proces-verbaal nummer PV [p-v 3] .

[23] Bijlagen 26 en 37 bij het verweerschrift.

[24] Vgl. Hoge Raad 30 juni 2017, nr. 16/00501, ECLI:NL:HR:2017:1175.

[25] Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4468.

[26] Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298, r.o. 5.7.3.7.

[27] 1 punt voor bezwaarschrift, zie Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit).

[28] 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In geschil is of de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw naar het juiste bedrag zijn vastgesteld. Niet in geschil is dat het niet aangegeven inkomen in box 1 kwalificeert als winst uit onderneming en dat belanghebbende recht heeft op de MKB-winstvrijstelling.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw en dienovereenkomstige vermindering van de rentebeschikkingen.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Omkering en verzwaring van de bewijslast

Op grond van artikel 27e, lid 1, AWR, in samenhang met artikel 27h, lid 2, AWR wordt, indien de vereiste aangifte niet is gedaan, het hoger beroep ongegrond verklaard, tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). Op de belastingplichtige rust dan de last om te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aan te tonen, dat de (navorderings)aanslag onjuist is.

Van het niet doen van de vereiste aangifte is onder andere sprake indien met toepassing van de normale regels van stelplicht en bewijslast kan worden vastgesteld dat sprake is van gebreken in de aangifte die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel op zichzelf beschouwd als verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting (HR 23 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW8043, BNB 1986/276). Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden in dit geval slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De stelplicht en bewijslast hiervan rust op de inspecteur (HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, BNB 2010/47).

De Inspecteur betoogt dat in de onderhavige jaren de vereiste aangiften niet zijn gedaan en verwijst daarbij naar het strafrechtelijk en fiscaal onderzoek en in het bijzonder naar de verklaringen van de informant en van belanghebbende, het contante geld dat is aangetroffen bij de huiszoekingen, het vonnis van de strafkamer van de Rechtbank en de door hem opgestelde vermogensvergelijking. Op grond van deze informatie concludeert de Inspecteur dat belanghebbende aanzienlijke bedragen aan inkomsten en vermogen niet in zijn aangiften IB/PVV/Zvw heeft vermeld en dat, gelet op de aard en herkomst van deze inkomsten en dit vermogen, belanghebbende zich ervan bewust was dat een substantieel bedrag aan inkomstenbelasting niet zou worden geheven.

De Rechtbank heeft op goede gronden, opgenomen in rechtsoverwegingen 4.20 tot en met 4.22 van haar uitspraak, geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in de onderhavige jaren het door hem genoten inkomen en het door hem aangehouden vermogen niet in aanmerking heeft genomen bij het doen van de aangiften IB/PVV. Hierdoor is de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel op zichzelf beschouwd als verhoudingsgewijs aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting. Het voorgaande geldt eveneens voor de Zvw. Gelet op de aard van de inkomsten en de herkomst van de aangehouden contanten is bovendien aannemelijk dat belanghebbende wist dat door het niet verantwoorden hiervan een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Dit leidt ertoe dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, hetgeen tot gevolg heeft dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.

Redelijke schatting

Indien de bewijslast is omgekeerd en verzwaard, blijft de inspecteur gehouden om bij het vaststellen van de (navorderings)aanslagen uit te gaan van een redelijke schatting van het belastbare inkomen. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door de inspecteur (HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, BNB 2013/181). In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan; de inspecteur moet aannemelijk maken dat zijn schatting redelijk (niet willekeurig) is (vgl. HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4483 en 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6486, BNB 2003/203). Als de inspecteur daarin slaagt dan ligt het op de weg van belanghebbende, wanneer hij de schatting betwist, om daarvoor het verzwaarde tegenbewijs te leveren.

De Inspecteur heeft de correctie van het belastbare inkomen uit werk en woning gebaseerd op de gedetailleerde verklaringen van de informant over de betrokkenheid van belanghebbende bij de teelt en handel in hennep, de plaatsen waar hennepkwekerijen werd gehouden, de opbrengsten die belanghebbende daaruit heeft verkregen en de kosten die zijn gemaakt. De Inspecteur heeft de correctie van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen gebaseerd op de contanten die zijn aangetroffen tijdens de huiszoekingen en de verklaringen van de informant en van belanghebbende. Gelet op deze wijze van totstandkoming van de correcties, is sprake van een redelijke schatting, aldus de Inspecteur.

Belanghebbende betoogt dat de kwalificatie van de inkomsten als winst uit onderneming tot een lager bedrag aan te heffen belasting leidt dan door de Inspecteur is berekend, en dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om dit in eerste aanleg cijfermatig aan te tonen In januari 2013, kort voor de zitting, heeft belanghebbende een nader stuk ingediend met bijlagen, namelijk het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van 1 november 2010 opgesteld door het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (het rapport), de versie van 1 juni 2016 van dit rapport en een berekening van de winst uit onderneming van belanghebbende door [naam bedrijf] .

Belanghebbende betwist met het nader stuk en de bijlagen kennelijk de redelijkheid van de schatting van de Inspecteur.

Bij de beoordeling van die stelling dient voorop te worden gesteld dat in een geval als het onderhavige, waarin enerzijds de inspecteur over minimale gegevens voor het opleggen van een (navorderings)aanslag beschikt, terwijl anderzijds de belastingplichtige in het algemeen in staat is openheid van zaken te geven, de berekening van de correcties een zekere mate van ruwheid mag vertonen. De Inspecteur heeft echter met gebruikmaking van de gedetailleerde verklaringen van de informant voldoende aanknopingspunten verschaft voor de door hem aangebrachte correcties op het in de aangiftes opgenomen inkomen uit werk en woning voor de jaren 2008 tot en met 2012. Hetgeen belanghebbende daartegen heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Het door belanghebbende overgelegde rapport bevat slechts standaardberekening en normen waarvan het Openbaar Ministerie gebruik maakt in ontnemingszaken met betrekking tot hennepkwekerijen. In het voorwoord van dit rapport staat vermeld dat bij de berekening in eerste instantie moet worden uitgegaan van de werkelijkheid en dat alleen uitgegaan kan worden van de normen uit het rapport, indien de werkelijke gegevens ontbreken. De Inspecteur is uitgegaan van de verklaringen van de informant over de opbrengsten per hennepkwekerij en de door belanghebbende daaruit genoten inkomsten. Wat betreft de opbrengsten uit de door belanghebbende specifiek genoemde panden gelegen aan de [adres 2] in [woonplaats 2] en de [adres 3] in [woonplaats 3] heeft te gelden dat de daarop gebaseerde correcties hun grondslag onder meer vinden in respectievelijk het Proces-verbaal met nummer [p-v 1] (verhoor van informant), blz. 9 en 10, en het Proces-verbaal met nummer [p-v 2] (verhoor van informant), blz. 13. Ook ten aanzien van deze correcties heeft de Inspecteur voldoende aanknopingspunten verschaft.

Gelet op het voorgaande heeft de Rechtbank onder r.o. 4.29 en 4.30 van haar uitspraak op goede gronden, welke als hier overgenomen moeten worden beschouwd, geoordeeld dat de schatting van de Inspecteur van het belastbare inkomen uit werk en woning en van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen redelijk is.

Belanghebbende heeft evenmin voldaan aan de op hem rustende verzwaarde bewijslast om aan te tonen dat en in hoeverre de (navorderings)aanslagen onjuist zijn. Het overleggen van een algemeen rapport en een daarop gebaseerde berekening is onvoldoende. De Inspecteur heeft de correcties gemotiveerd onderbouwd op basis van de gegevens in het procesdossier. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om feiten en omstandigheden aan te voeren waarmee de bevindingen waarop de Inspecteur de correcties heeft gebaseerd op overtuigende wijze konden worden weerlegd. Hetgeen belanghebbende in het nadere stuk en ter zitting van het Hof heeft aangevoerd is daarvoor onvoldoende.

Er is daarom geen aanleiding de (navorderings)aanslagen IB/PVV (verder) te verminderen.

(Navorderings)aanslagen Zvw

Voormeld oordeel dat de (navorderings)aanslagen IB/PVV niet te hoog zijn vastgesteld, houdt tevens in dat het bijdrage-inkomen voor de (navorderings)aanslagen Zvw niet te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen deze aanslagen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het hoger beroep tegen die (navorderings)aanslagen is daarom eveneens ongegrond.

Boeten

Belanghebbende heeft tegen de boetebeschikkingen geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Aangezien in de hogerberoepsfase geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, ziet het Hof geen aanleiding de boetes (verder) te verminderen.

Rentebeschikkingen

Belanghebbende heeft tegen de rentebeschikkingen geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de heffingsrente of de belastingrente ten onrechte of op onjuiste wijze in rekening is gebracht. De rentebeschikkingen blijven eveneens in stand.

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en I. Reijngoud, in tegenwoordigheid van de griffier M.G. Kastelein. De beslissing is op 28 februari 2023 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2023/590 V-N 2023/22.24.3 Viditax (FutD) 2023031405 FutD 2023-0723
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?