ECLI:NL:GHSHE:2024:1152

ECLI:NL:GHSHE:2024:1152, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 03-04-2024, 200.308.285_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 03-04-2024
Datum publicatie 08-12-2025
Zaaknummer 200.308.285_01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0002656 BWBR0002685

Samenvatting

Omgangsregeling

Uitspraak

5. De beschikking d.d. 24 november 2022

Bij die beschikking heeft het hof bepaald dat de vader en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar in het kader van de module Begeleide Omgangsregeling (BOR) niveau 3 van de [instantie 2] ( [ontmoetingsplek/organisatie] ), waarbij de invulling van het BOR-traject wordt overgelaten aan de [instantie 2] ( [ontmoetingsplek/organisatie] ). Het hof heeft de raad verzocht uiterlijk op 1 juni 2023 (pro forma) de rapportage van de [instantie 2] ( [ontmoetingsplek/organisatie] ) omtrent de voortgang bij het hof in te dienen en, indien de raad dat noodzakelijk acht, aanvullend te rapporteren en te adviseren, waarna het hof partijen zal informeren over de verdere voortgang van de procedure. Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

6. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 februari 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. De Gruijl;

-de moeder, bijgestaan door mr. Winkens;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- de rapportage van [ontmoetingsplek/organisatie] van 31 mei 2023;

- de brief van de raad van 2 juni 2023;

- de brief van de advocaat van de vader van 2 juni 2023;

- de brief van de raad van 11 juli 2023;

- het rapport van de raad, ingekomen op 12 september 2023;

- de reactie van de advocaat van de vader d.d. 17 oktober 2023;

- de reactie van de advocaat van de moeder d.d. 24 oktober 2023.

Bij brief van 9 februari 2024 heeft het hof mededeling gedaan aan partijen dat sprake is van een rechterswisseling in deze zaak. Op de mondelinge behandeling is vervolgens uitgelegd dat nog een wijziging was opgetreden omdat een van de andere raadsheren in verband met ziekte niet in staat was de mondelinge behandeling bij te wonen, en zijn partijen op de hoogte gesteld van de nieuwe samenstelling van de kamer. Aan partijen is voorts de gelegenheid geboden hun eerdere standpunten geheel opnieuw voor te dragen.

7. De verdere beoordeling

Procesverloop

Uit de eindrapportage van [ontmoetingsplek/organisatie] van 31 mei 2023 inzake de BOR 3-regeling volgt dat er in de periode december 2022 tot eind mei 2023 tussen de vader en [minderjarige] dertien begeleide omgangscontacten waren. Tijdens deze momenten was er een fijn contact zichtbaar tussen [minderjarige] en de vader; de vader sloot goed aan bij [minderjarige] . De vader en de moeder hebben allebei goed meegewerkt.

Over de manier waarop de omgang na afloop van dit traject in de toekomst het beste kan worden vormgegeven verschillen de ouders van mening. De opgedane ervaringen in het verleden roepen bij de moeder zorgen en wantrouwen op. De vader ervaart gevoelens van frustratie over de manier waarop het contact tussen hem en [minderjarige] verloopt.

De verschillen bij de ouders in de beleving van de ervaringen in het verleden belemmeren voor een deel de voortgang van het genoemde traject. Er is nog weinig vertrouwen in elkaar. Vanwege het contactverbod tussen de ouders was het niet mogelijk om hierover samen in gesprek te gaan. Daarom ligt er geen duidelijk (door beide ouders gedragen) toekomstperspectief met betrekking tot de omgang.

De raad heeft, gelet op de eindrapportage van [ontmoetingsplek/organisatie] , begin juni 2023 een vervolgonderzoek ingesteld. In het daaruit volgende raadsrapport van 12 september 2023 adviseert de raad om het eenhoofdig gezag van de moeder in stand te laten. Ten aanzien van de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader adviseert de raad een opbouwregeling waarbij de vader en [minderjarige] eerst gedurende een periode van zes maanden één keer per veertien dagen op een dag vier uur contact met elkaar hebben, om dit daarna uit te breiden naar een contact van één keer per veertien dagen van acht uur op een dag. Dit alles onder de voorwaarde dat, zolang het contactverbod tussen de ouders geldt, deze regeling plaatsvindt onder begeleiding (BOR 1).

De vader heeft samengevat het volgende aangevoerd.

Hij kan zich niet vinden in het raadsrapport en vindt het raadsonderzoek eenzijdig en onvolledig. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de (situatie van de) moeder en de onveiligheid die zij voor [minderjarige] creëert.

De vader is het oneens met het advies om het eenhoofdig gezag van de moeder in stand te laten. Dit is enkel gebaseerd op het contactverbod dat tussen de ouders geldt. Ondanks dat de ouders niet kunnen communiceren meent de vader dat hij wel in staat is om in het belang van [minderjarige] beslissingen te nemen. Er bestaat geen onaanvaardbaar risico voor [minderjarige] dat zij klem of verloren zal raken tussen de ouders wanneer er sprake zou zijn van gezamenlijk gezag. De vader heeft niet eerder beslissingen tegengewerkt en zal dit ook niet doen. Het is zijn wens om met de moeder het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te krijgen.

Ten aanzien van de omgangsregeling heeft de raad een onjuiste afweging gemaakt tussen de gevoelens van de moeder en het belang van de vader en [minderjarige] om een normale omgangsregeling te hebben. De vader benadrukt dat het aan hem opgelegde contactverbod niets te maken heeft met zijn opvoedvaardigheden. Door de raad zijn ook geen contra-indicaties genoemd voor onbegeleide omgang. De vader wenst dat er een structurele regeling komt. Hij wil geen korte termijn-oplossing.

De vader handhaaft zijn verzoeken en wijzigt deze, voor zover noodzakelijk, in zoverre dat hij thans verzoekt om de vaststelling van een zorg- dan wel omgangregeling waarbij hij om de week [minderjarige] op vrijdag uit school haalt en maandagochtend naar school brengt, waarbij tevens de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld, waarbij - voor de duur van het contactverbod - het netwerk van vader of moeder, voor zover nodig, de overdrachten zal begeleiden.

Hoewel hij begrijpt dat de omgang aanvankelijk begeleid dient te worden is het zijn wens dat dit geleidelijk wordt afgebouwd en er wordt toegewerkt naar de voornoemde onbegeleide regeling. Zijn voorstel is om de omgang in drie maanden op te bouwen, waarbij er eerst iedere twee weken vier uur begeleide omgang is en daarna iedere twee weken acht uur begeleide omgang. Vervolgens kan er worden gestart met een weekendregeling.

De vader zal (met tegenzin) akkoord gaan met de door de raad geadviseerde begeleiding

(BOR 1-traject). Een verwijzing naar het Uniform Hulpaanbod of BOR 2-traject vindt de vader niet in het belang van [minderjarige] . De vader verzoekt in alle gevallen om een voorlopige omgangsregeling te bepalen tussen hem en [minderjarige] . Voor de tussentijd wenst de vader dat er door de ouders wordt gestart met een mediationtraject. Hij vindt dat er op een juiste manier contact dient te zijn tussen de ouders, waarbij zij kunnen leren communiceren over zaken die over [minderjarige] gaan.

De moeder heeft samengevat het volgende aangevoerd.

De moeder vraagt zich daarom af waarom het advies van de raad nu anders luidt dan voorheen. De houding van de vader is niet veranderd. De moeder benadrukt dat er veel is gebeurd tussen de ouders en er een contactverbod geldt. Daarom is er geen communicatie. De moeder acht het in het belang van [minderjarige] dat er contact is met de vader en zij stimuleert dit ook. Het is wel haar wens dat de omgang wordt begeleid. De in het raadsrapport geadviseerde omgangsbegeleiding, BOR 1-traject, vindt de moeder niet voldoende. Omdat de moeder zich zorgen maakt over eerder door de vader aan [minderjarige] gedane uitspraken en de moeder niets weet over het leven van de vader op dit moment, heeft zij meer vertrouwen in begeleiding door middel van een BOR 2-traject. Dit wordt verzorgd door professionele begeleiders. De ouders dienen zich dan te conformeren aan de adviezen van die begeleiders en het is aan de instantie om de omgang te begeleiden en te bepalen hoe lang dit gebeurt. De ouders kunnen ondertussen aan de slag gaan met de ouderschapsreorganisatie.

De raad heeft het advies van het raadsrapport van 12 september 2023 aangevuld en gewijzigd tijdens de voortgezette mondelinge behandeling. De raad vindt, gelet op hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling, dat er meer professionele begeleiding nodig is en adviseert nu een BOR 2-traject. De raad hoopt dat de ouders zo snel mogelijk aan de beurt komen bij [instantie 3] . Op die manier kunnen de begeleide contacten tussen de vader en [minderjarige] , die eerder in het kader van BOR 3 plaatsvonden en daarna zijn gestopt, weer worden opgestart. Van daaruit kan er dan worden toegewerkt naar contacten bij de vader thuis. Daarbij acht de raad het ook van belang dat de ouders samen aan de slag gaan met ouderschapsreorganisatie.

Motivering van de beslissing

Gezag

Het hof stelt voorop dat de vader en de moeder na het verbreken van hun relatie gezamenlijk het gezag over [minderjarige] zijn blijven uitoefenen. De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking op verzoek van de moeder het gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige] beëindigd en bepaald dat de moeder alleen het ouderlijk gezag heeft over [minderjarige] .

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Het hof is van oordeel dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden nu er sprake is van een contactverbod tussen de ouders en er geen sprake meer is van het in onderling overleg nemen van beslissingen over [minderjarige] . Dit maakt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, zodat het hof aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de vader in hoger beroep toekomt.

Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die tot de bestreden beslissing hebben geleid en neemt die na eigen onderzoek en afweging over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

Het uitgangspunt van de wetgever is, zoals hiervoor vermeld, dat het gezag over een minderjarige bij beide ouders berust, tenzij er sprake is van een situatie waarin de minderjarige klem of verloren zal raken of beëindiging van het gezag anderszins noodzakelijk is. Het hof is van oordeel dat beide situaties in het geval van [minderjarige] aan de orde zijn. Met de raad ziet het hof dat er geen enkele basis is tussen de ouders om gezamenlijk het gezag uit te oefenen. Daarbij is het niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. De vader benoemt dat het zijn streven is dat de ouders een goede basis gaan creëren voor [minderjarige] , tot op heden is echter nog niet gebleken dat ouders hiertoe in staat zijn. Het hof acht het dan ook in het belang van [minderjarige] dat de moeder alleen het gezag heeft over haar.

Het hof zal op grond van het voorgaande de beschikking waarvan beroep op dit punt bekrachtigen.

Omgang

Uit de stukken en het besprokene ter mondelinge behandeling is gebleken dat de ouders het er over eens zijn dat het in het belang van [minderjarige] is dat er contact is tussen haar en de vader.

De vader wil [minderjarige] graag vaker zien en het liefst zonder begeleiding bij hem thuis. Het is zijn wens dat er uiteindelijk wordt toegewerkt naar een structurele regeling. De moeder vindt de contacten tussen de vader en [minderjarige] belangrijk maar hecht waarde aan een professionele begeleiding en een opbouw. Evident is echter ook dat de ouders verdeeld blijven over de manier waarop de omgang er uit moet gaan zien. Een belemmerende factor daarbij is het tussen de ouders geldende contactverbod.

Het hof neemt verder in aanmerking dat ook de raad een omgangsregeling met vader in het belang acht van [minderjarige] . Het hof is, met de raad, van oordeel dat op dit moment het opleggen van een BOR 2-traject in het belang van [minderjarige] is. Omdat er sinds het einde van het voornoemde BOR 3-traject al enige tijd (9 maanden) geen contact meer is geweest tussen [minderjarige] en de vader, acht het hof het essentieel dat het contact(-herstel) tussen [minderjarige] en de vader op die manier in een veilige setting onder begeleiding van professionals kan plaatsvinden.

Op grond van het voorgaande zal het hof partijen verwijzen naar een BOR 2-traject bij [instantie 3] , dan wel bij een andere zorgaanbieder in de regio [regio] . De invulling van het traject wordt overgelaten aan [instantie 3] , dan wel aan de andere zorgaanbieder (mits deze ook op het gebied van ouderschapsreorganisatie is gespecialiseerd).

Het doel is in de eerste plaats om binnen dit traject te komen tot een contactherstel tussen de vader en [minderjarige] , zodat de eerder, in het kader van het BOR 3-traject, reeds begeleide omgang kan worden hervat. Daarbij dient de aard, de duur en de frequentie van de omgang te worden bepaald door de desbetreffende zorgaanbieder. Ook dient daarbij op termijn te worden meegenomen in hoeverre er omgang bij de vader thuis kan plaatsvinden.

In de tweede plaats dient er, gelijktijdig met het traject inzake de omgang, met de ouders te worden gewerkt aan de ouderschapsreorganisatie. Daarbij dient er tevens aandacht te zijn voor het verleden van partijen en waar nodig psycho-educatie wordt aangeboden.

Het hof is ermee bekend dat [instantie 3] ook mogelijkheden heeft voor ouderschapsreorganisatie. De ouders dienen zich via de gemeente voor beide hulptrajecten bij [instantie 3] aan te melden. In dit geval dient de moeder het initiatief te nemen en de hulpvragen bij haar gemeente in gang te zetten, nu [minderjarige] bij haar staat ingeschreven. Het hof verwacht van de moeder dat zij dat onverwijld gaat doen in het belang van [minderjarige] . Het hof gaat ervan uit dat beide ouders, in het belang van [minderjarige] , instemmen met de verwijzing naar het BOR 2-traject en hieraan hun medewerking zullen verlenen. Zo nodig kunnen de advocaten hierbij behulpzaam zijn.

Het hof gaat er vanuit dat mochten er voorafgaand en/of gedurende het BOR 2-traject problemen ontstaan waardoor het BOR-traject niet kan worden opgestart, dan wel het BOR-traject voortijdig wordt beëindigd, het hof daarvan door de advocaten van partijen zo spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld.

Tijdens de mondelinge behandeling is ter sprake gekomen dat de moeder er voor openstaat wanneer de vader kaartjes wil sturen aan [minderjarige] . De vader kan dit, indien hij dit wenst, via zijn advocaat regelen.

Het hof zal de verdere behandeling van de zaak zes maanden aanhouden, derhalve tot 3 oktober 2024 PRO FORMA, teneinde de resultaten van het BOR 2-traject af te wachten.

Iedere beslissing ten aanzien van de omgang tussen de vader en [minderjarige] zal worden aangehouden in afwachting van voormeld BOR 2-traject.

8. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 25 januari 2022, voor zover het betreft het ouderlijk gezag;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van

deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

bepaalt dat de vader en [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] , voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar in het kader van een BOR 2-traject bij [instantie 3] , dan wel bij een andere zorgaanbieder in de regio [regio] , waarbij de invulling van het BOR 2-traject wordt overgelaten aan [instantie 3] , dan wel aan die andere zorgaanbieder;

verwijst de ouders tevens naar een hulptraject voor ouderschapsreorganisatie of een daarmee vergelijkbaar traject, een en ander zoals omschreven in rechtsoverweging 7.8. van deze beschikking;

houdt iedere verdere beslissing omtrent de omgang aan tot 3 oktober 2024 PRO FORMA, in afwachting van het verloop van het BOR 2-traject;

verzoekt de advocaat van de vader het hof tijdig vóór bovenstaande pro forma datum het eindrapport van het BOR 2-traject in het geding te brengen, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaat van de moeder en aan de raad;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, H. van Winkel en E.M.C. Dumoulin, en is op 3 april 2024 uitgesproken in het openbaar door mr. E.M.C. Dumoulin in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.M.C. Dumoulin in tegenwoordigheid van de

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?