ECLI:NL:GHSHE:2024:1656

ECLI:NL:GHSHE:2024:1656, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16-04-2024, 20-000682-23

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 16-04-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20-000682-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging ter zake van het onder feit 2 tenlastegelegde. Veroordeling ter zake van 'poging tot doodslag' tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest, waarvan 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 22 februari 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-659083-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten bewezenverklaard en deze gekwalificeerd als ‘poging tot doodslag’ (feit 1 primair) en ‘handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ (feit 2). De rechtbank heeft de verdachte ter zake het onder 1 primair bewezenverklaarde niet strafbaar verklaard en hem ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweerexces. De rechtbank heeft de verdachte ter zake het onder feit 2 bewezenverklaarde strafbaar verklaard en bepaald dat ter zake dit feit geen straf wordt opgelegd. De rechtbank heeft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis bij voormeld vonnis opgeheven. De benadeelde partij [slachtoffer] is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en deze is veroordeeld in de proceskosten, begroot op nihil.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

De raadsman van de verdachte heeft:

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1. primairhij op of omstreeks 26 december 2019 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer] in de rug en/of borst heeft gestoken en/of geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 26 december 2019 in de gemeente Roermond aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten traumatische hematothorax rechts (bloedophoping in rechterborstholte) en/of traumatische pneumothorax rechts (klaplong) en/of bloeding in de thoraxholte, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug en/of borst te steken en/of te prikken;

1. meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 26 december 2019 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer] in de rug en/of borst heeft gestoken en/of geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.hij op of omstreeks 26 december 2019 in de gemeente Roermond een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een (opvouwbaar) mes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen, heeft gedragen;.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie ter zake feit 2

Blijkens artikelen 54 jo. 56 van de Wet wapens en munitie is het handelen in strijd met artikel 27 Wet wapens en munitie een overtreding. Artikel 70, eerste lid onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt, voor zover hier van belang, dat het recht tot strafvordering vervalt door verjaring in drie jaren voor alle overtredingen. De termijn van verjaring vangt ex artikel 71 Wetboek van Strafrecht aan op de dag na die waarop het feit volgens de tenlastelegging is gepleegd, in deze zaak dus op 27 december 2019. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, zo bepaalt artikel 72, eerste lid, Wetboek van Strafrecht. Het hof stelt, met de advocaat-generaal, vast dat de eerste daad van vervolging is verricht op 28 december 2022 met het uitbrengen van de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg van 8 februari 2023. De verjaring is niet eerder op enigerlei wijze gestuit. Het recht op strafvordering ter zake feit 2 is derhalve verjaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 december 2019 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een mes die [slachtoffer] in de rug en borst heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 december 2019, dossierpagina’s 101-102, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

(pagina 101)

Op 26 december 2019 omstreeks 19.20 uur ontvingen wij de melding via het Operationeel Centrum te Maastricht dat er een steekpartij had plaatsgevonden. Het slachtoffer zou op [adres 2] aanwezig zijn en diverse steekwonden hebben. Daaropvolgend ontvingen wij een tweede melding dat een slachtoffer van een steekpartij in de woning aan [adres 1] aanwezig zou zijn.

(…) Wij besloten naar [adres 2] te gaan. Omstreeks 19.30 uur kwamen wij ter plaatse in de woning. Wij zagen een man met een bebloed grijs shirt op de bank zitten. Ik zag dat de man zijn rechterarm uitreikte en in zijn hand een zilverkleurig ingeklapt zakmes vasthield. Ik, [verbalisant 2] , pakte dit mes en legde het op de salontafel. Wij hoorden dat de man tegen ons zei dat hij het mes van de dader had afgepakt en dat dit het mes was dat nu op de salontafel lag. Wij zagen dat er een zilverkleurig dichtgeklapt zakmes van ongeveer 10 centimeter lang op de salontafel lag. Wij stelden dit mes veilig.

Wij hoorden dat de man tegen ons zei dat hij was aangevallen en gestoken met een mes terwijl hij zijn hond uitliet. Wij vroegen naar zijn naam en hoorden dat hij [slachtoffer] heette. Wij vroegen hem zijn shirt uit te doen en hieraan voldeed hij. Wij zagen dat er ongeveer 5 bloedende sneetjes met een doorsnee van ongeveer 1 centimeter verdeeld over zijn rug zaten en nog ongeveer 4 sneetjes ter hoogte van zijn borst en buik.

2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 29 december 2019, dossierpagina’s 50-55, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

(pagina 50)

Ik doe aangifte van zware mishandeling op [adres 3] op 26 december 2019 tussen 19.17 uur en 20.15 uur.

(pagina’s 51-52)

Ik zag ze al van ver. Ik zei [naam] kom hier, het hondje kwam. Ik zette hem aan de riem. Ik zag ze splitsen.

Hij was met zijn vrouw en hondje. Vrouw en hondje lopen naar links en hij loopt naar mij toe. Hij zei: “Hee, ik was vergeten dat ik je had gewaarschuwd he”. Ik zei: “Je hebt mij nooit uitgelegd wat die waarschuwing was, ga je mij doodmaken of eh?” Hij zei: “Nee ik ga je doodsteken”. Hij had het mes al open in zijn hand.

Hij stak mij gelijk. Hij begon te steken van voren. Ik sprong naar achteren. Ik kon me herinneren dat ik zo’n spuitbusje had van pepperspray. Ik spoot hem in zijn ogen, recht op de bril. Toen heb ik hem op de grond gelegd, maar het mes kon ik niet wegpakken. Hij stak mij achter. Ik zei: “Geef het mesje want dan laat ik je gaan”. Ik kreeg de kans mijn knieën in zijn ballen te geven. Toen gaf hij zich over.

Tenslotte heeft hij mij het mes gegeven.

V: Wat bedoelde hij met ik heb je gewaarschuwd?

A: Zeven maanden geleden gaf hij mij een waarschuwing dat dit de eerste en de laatste keer was met de hond. Dat ik de hond niet vrij mocht laten lopen.

(pagina 53)

V: Hij stak met een mes in de voorkant van uw lichaam. Wat deed u dat hij op de grond kwam?A: Ik spoot met de pepperspray die had ik in de binnenkant van mijn jas. Het werkte. Ik pakte hem op en werkte hem op de grond. Hij lag op de grond en ik boven hem. Totdat ik zijn andere hand kon bedwingen, stak hij mij vijf keer in de rug. Ik gaf hem een klap in zijn ballen. Het steekwapen was dicht en hij rende weg.

Toen ik de spray pakte, had hij mij al gestoken.

Ik zei “Ik laat je gaan als je het mes geeft”. Hij klapte het mes dicht en gaf het aan mij. Hij stond op en nam de benen.

3. Een geschrift, te weten een Letselrapportage Forensische Geneeskunde van de GGD Limburg-Noord, opgemaakt door forensisch arts KNMG [forensisch arts] d.d. 27 december 2019, dossierpagina’s 56-58, voor zover inhoudende:

(pagina 56)

Naam: [slachtoffer]

Datum letselonderzoek 27 december 2019

Gemelde toedracht: Zou tijdens uitlaten hond plotseling aangevallen zijn en gestoken met mes in borst en rug.

Toelichting: Meerdere steekwonden in borst (4x) en rug (5x)

SEH diagnose: Traumatische hematothorax rechts (bloedophoping in rechter borstholte) en traumatische pneumothorax rechts (klaplong) na diverse steekverwondingen met mes. De bloedophoping werd veroorzaakt door een bloeding uit en doorgesneden/aangesneden intercostaalarterie (arterie die min of meer evenwijdig aan de ribben verloopt). In dit geval tussen rib 7 en 8, rechter achter onder. Deze bloeding is gestelpt middels radiologische embolisatie van de lekkende arterie.

Onderzoek

Toelichting Aangetoond inwendig letsel: 1) longletsel (aangeprikte long) waardoor (pagina 57) pneumothorax 2) vaatletsel, waardoor bloeding in thoraxholte

Om het beschreven letsel te veroorzaken moet toch behoorlijk diep ingestoken worden: 5-7 cm. Als met een dergelijke insteekdiepte in de hartstreek was gestoken, was deze steekpartij waarschijnlijk fataal afgelopen.

4. Een geschrift, te weten een brief van de huisarts [huisarts] d.d. 2 februari 2023, als bijlage gevoegd bij het voegingsformulier van de benadeelde partij, voor zover inhoudende:

Betreft dhr. [slachtoffer]

Betrokkene liep na een groot aantal steekwonden een levensgevaarlijk letsel op longbloeding en klaplong. Patiënt kwam op de IC terecht nadat er een drain geplaatst werd voor de klaplong en de bloeding moest via een katheter in de bloedvaten gestopt worden.

5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 27 december 2019, dossierpagina’s 35-39, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

(pagina 37)

V: Kun je aangeven wat je gisteren hebt gedaan?

A: (…) Om 19.00 uur/19.30 uur ben ik samen met mijn vrouw gaan wandelen met de hond. Ik zag toen de man met de andere hond lopen. Deze man woont in de flat aan de [adres 2] . (…) We liepen verder en gingen een hofje in. We hebben ongeveer 10 minuten in het hofje gelopen. Vervolgens troffen we de man weer bij de bij-ingang van het kerkhof. Deze ligt aan [adres 3] . Mijn vrouw stak vervolgens direct over met de hond. Ik ben niet overgestoken en heb de man aangesproken in het voorbijgaan. Ik sprak hem aan over het loslopen van zijn hond. De man begon te tieren. Hij begon te schelden of roepen. Ik kon dat alleen niet verstaan. (…) Ik draaide me daarom om.

(…)

Ik pakte mijn zakmes.

(…)

Ik heb hem vervolgens overal gestoken waar ik hem raken kon. Ik lag snel op de grond. Ik verstond dat de man mij los zou laten als ik het mes af zou geven. Ik heb het mes afgegeven en de man ging van mij af.

V: Waarom draaide u zich om?

A: Ik wilde verhaal halen. Ik wilde weten wat hij zei en wat er aan de hand was. (…) Ik ben terug gelopen.

V: Wat voor mes was dit?A: Een zakmes, ik schat dat het lemmet 8 centimeter is en het handvat 10 centimeter.

V: Wij laten de verdachte een mes zien met SIN AALZ5406NL (het hof begrijpt: het onder [slachtoffer] inbeslaggenomen mes).

A: Ja, dat is mijn mes.

6. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29 december 2019, dossierpagina’s 40-44, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

(pagina 42)

Ik pakte mijn mes uit mijn rechter broekzak en pakte dit met twee handen vast om het open te klappen.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Het hof is van oordeel dat noch uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat de verdachte de intentie (het volle opzet) had om [slachtoffer] van het leven te beroven.

Ten aanzien van de vraag of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet overweegt het hof als volgt. Het hof stelt voorop dat volgens de vaste rechtspraak van de Hoge Raad van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – sprake is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte aangever [slachtoffer] met een mes, met een snijgedeelte van 8 centimeter lang, negen keer in diens bovenlichaam heeft gestoken, te weten vijf keer in de rug en vier keer in de borst. [slachtoffer] heeft hierbij onder andere een klaplong en vaatletsel en daardoor bloedophoping in de borst opgelopen.

Door met een dergelijk mes zo vaak in het bovenlichaam van [slachtoffer] te steken bestond er een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] als gevolg daarvan zou komen te overlijden. Dat dit gevaar zich in deze zaak ook concreet heeft voorgedaan, blijkt wel uit de letselrapportage en de brief van de huisarts. Zo is [slachtoffer] op de intensive care opgenomen en moest de bloeding worden gestelpt middels radiologische embolisatie. Forensisch geneeskundige dr. [forensisch arts] heeft voorts aangegeven dat er diep (5-7 centimeter) moet zijn ingestoken en dat als met een dergelijke insteekdiepte in de hartstreek was gestoken, dit waarschijnlijk fataal was afgelopen.

De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft gestoken waar hij hem maar raken kon. Met andere woorden: het maakte voor de verdachte kennelijk geen verschil of hij daarbij wel of niet op een plek in het lichaam zou steken die potentieel dodelijk kon zijn. Uit die verklaring volgt naar het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op een dodelijk gevolg bewust heeft aanvaard.

Het hof acht de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep, zoals nader verwoord in de pleitnota, bepleit dat de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hij heeft gehandeld uit noodweer(exces).

Daartoe is in de kern aangevoerd dat [slachtoffer] de verdachte als eerste heeft aangevallen door hem met pepperspray in zijn gezicht te spuiten. De verdachte kon vervolgens niets meer zien en raakte daardoor in paniek. In die paniek heeft de verdachte zijn mes gepakt, waarop er een worsteling met de aangever is ontstaan, de verdachte een pijnscheut in zijn been heeft gevoeld en hij daarna de aangever met het mes heeft gestoken. Hoewel de aangever anders heeft verklaard over de gebeurtenissen, dient de verklaring van de verdachte als het meest betrouwbaar te worden gevolgd, omdat de aangever [slachtoffer] wisselend heeft verklaard over diverse momenten.

Het hof overweegt als volgt.

Noodweer

Voor het slagen van een beroep op noodweer is vereist dat de handeling van de verdachte wordt geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging daarvan. In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is "geboden door de noodzakelijke verdediging" worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.

Het hof stelt op grond van de verklaringen van de verdachte en aangever [slachtoffer] vast dat de verdachte op 26 december 2019 tijdens het uitlaten van zijn hond aangever heeft aangesproken op het feit dat hij zijn hond niet had aangelijnd, waar dit wel had gemoeten. De verdachte had aangever daar al enkele maanden eerder een keer op aangesproken. Nadat de verdachte aangever daar op 26 december 2019 wederom op aansprak, is dit uitgelopen op een fysieke confrontatie tussen beiden, waarbij zij (uiteindelijk) samen op de grond in een worsteling zijn beland. De verdachte heeft aangever tijdens dit gevecht negen keer (in borst en rug) gestoken met een uitklapbaar zakmes dat hij bij zich had en aangever heeft de verdachte in zijn gezicht gespoten met pepperspray.

De verklaringen van de verdachte en aangever [slachtoffer] lopen uiteen met betrekking tot de vraag wie als eerste geweld heeft gebruikt. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte wisselend verklaard over het moment waarop hij door de aangever met de pepperspray zou zijn aangevallen, tegen welke aanval hij zegt zich te hebben moeten verdedigen. In de eerste plaats heeft de verdachte verklaard dat [slachtoffer] de pepperspray direct in zijn gezicht spoot toen de verdachte zich omdraaide en hij op ongeveer twee meter van [slachtoffer] afstond (pag. 37 en ter zitting bij de rechtbank). In zijn eigen aangifte verklaart hij evenwel dat hij zich op dat moment omdraaide, naar [slachtoffer] toeliep en hem tot dichtbij was genaderd, toen hij werd bespoten met de pepperspray (pag. 47 en ook ter zitting bij het hof). Ook heeft de verdachte geen duidelijkheid kunnen of willen geven over hoe vaak hij [slachtoffer] heeft gestoken, anders dan dat hij weet dat hij één of twee keer heeft gestoken en dat zijn herinneringen vanaf dat moment weg zijn. De verdachte meent niet meer te hebben gestoken toen hij op de grond lag (p. 38), maar [slachtoffer] heeft vijf steekverwondingen in zijn rug en daarvoor kan de verdachte geen verklaring geven. Dat geldt ook voor twee steekverwondingen in de borst.

Verder schept de verklaring van de verdachte geen helderheid over wat er precies zou zijn gebeurd nadat, in de lezing van de verdachte, hij zich had omgedraaid en [slachtoffer] hem (direct) in zijn gezicht had gepepperd. Volgens de verdachte heeft hij zijn mes gepakt en uitgeklapt en ontstond er vervolgens een worsteling, maar in zijn verklaring geeft hij geen antwoord op de vraag hoe de worsteling is ontstaan, dus wie de fysieke toenadering zocht en wie de ander aanviel. Het hof merkt in dat kader op dat de verdachte heeft verklaard dat hij door de pepperspray niets meer kon horen en zien. Het komt het hof onaannemelijk voor dat [slachtoffer] , die zich op dat moment op korte afstand van de verdachte bevond, heeft laten gebeuren dat de verdachte zijn mes pakte en uitklapte, althans niet heeft ingegrepen of is weggevlucht en zich vervolgens in een daaropvolgende worsteling negen keer heeft laten steken, terwijl de verdachte door de pepperspray in feite was uitgeschakeld.

[slachtoffer] op zijn beurt heeft uitvoerig en in de kern gedetailleerd en consistent verklaard over de opeenvolgende gebeurtenissen, waarbij hij ook duidelijk verklaart over zijn eigen rol en het geweld dat hij heeft toegepast. De door de verdediging naar voren gebrachte discrepanties in de verklaringen van [slachtoffer] doen geen afbreuk aan de kern van zijn verklaringen. Hierbij wordt ook opgemerkt dat aangever [slachtoffer] door toedoen van het steken door verdachte op de intensive care is opgenomen en er medisch slecht aan toe was. Dat de onder die omstandigheden door aangever [slachtoffer] afgelegde verklaringen op minder cruciale punten uiteenlopen (zoals de wijze waarop de verdachte tijdens de worsteling op de grond is terechtgekomen) acht het hof niet onbegrijpelijk en daarmee van ondergeschikt belang.

Het hof acht het op grond van het voorgaande aannemelijker dat het is gegaan zoals [slachtoffer] heeft verklaard, namelijk dat de verdachte [slachtoffer] heeft aangevallen met het mes, [slachtoffer] zich vervolgens heeft verdedigd met de pepperspray en de verdachte op de grond heeft gewerkt om de aanval van de verdachte te doen stoppen en het mes afhandig te maken, [slachtoffer] vervolgens boven op de verdachte op de grond lag, waarna [slachtoffer] fysiek de overhand had maar niet bij het mes kon en de verdachte hem tijdens die worsteling nog meerdere keren in de rug heeft gestoken. De negen steekwonden bij [slachtoffer] , waarvan vijf in de rug, corresponderen met die verklaring.

Het hof betrekt bij zijn weging van de verklaringen ook dat zowel [slachtoffer] als de verdachte hebben verklaard dat [slachtoffer] tijdens de worsteling op de grond tegen de verdachte heeft gezegd dat hij hem zou laten gaan als de verdachte het mes zou afgeven, hetgeen de verdachte uiteindelijk ook heeft gedaan. [slachtoffer] heeft de verdachte vervolgens niet gestoken, maar hem laten gaan en het mes zelf mee naar huis genomen en even later aan de politie overhandigd. Ook deze gang van zaken past naar het oordeel van het hof beter bij de door [slachtoffer] beschreven toedracht dan de door de verdachte beschreven toedracht.

Het bovenstaande in onderling verband en samenhang beschouwd brengt het hof tot het oordeel dat de door en namens de verdachte aan het noodweerverweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk is geworden. De gedragingen van de verdachte moeten – naar de kern bezien – als aanvallend worden aangemerkt.

Het hof verwerpt om die reden het beroep op noodweer.

Noodweerexces

Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie kan het beroep op noodweerexces evenmin slagen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door aangever [slachtoffer] in totaal negen keer met een mes te steken in borst en rug. Door aldus te handelen heeft de verdachte een zeer ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer gemaakt. Dat dit niet tot de dood van het slachtoffer heeft geleid, is een gelukkige omstandigheid, die geenszins aan de verdachte is te danken. De ervaring leert dat slachtoffers van een dergelijk feit nog lang gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Dat is in deze zaak ook het geval. Uit het dossier, waaronder de stukken ter onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij, komt naar voren dat het handelen van de verdachte een forse lichamelijke en psychische impact op het slachtoffer heeft gehad. Voor het slachtoffer was het om die reden zelfs te moeilijk om de behandeling van deze strafzaak ter zitting van het hof bij te wonen.

Aanleiding voor het geweld was een ogenschijnlijk futiel conflict over het niet aanlijnen van de hond door [slachtoffer] . Daarover was, zo verklaren beiden, al eerder een aanvaring geweest en op 26 december 2019 is dat helemaal uit de hand gelopen toen de verdachte aangever daar opnieuw op aansprak. Wat er ook zij van het handelen van [slachtoffer] omtrent het aanlijnen van de hond en zijn mogelijk geprikkelde of tegendraadse reactie op het feit dat hij door de verdachte daarop werd aangesproken, voor het handelen van verdachte kan dit alles geen enkele rechtvaardiging zijn.

Het hof rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Met oplegging van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, wordt naar het oordeel van het hof onvoldoende recht gedaan aan de ernst van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit.

Het hof is van oordeel dat gelet op de aard en ernst van het feit alsmede de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere jaren in beginsel gerechtvaardigd is. Het hof houdt in strafmatigende zin wel rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting komt naar voren dat de zaak ook flinke gevolgen voor de verdachte heeft gehad. Het doet hem zichtbaar veel dat hij zo buiten zijn boekje is gegaan en het slachtoffer in een moment van razernij bijna heeft doodgestoken. De verdachte heeft, hoewel hij niet helemaal open en eerlijk is geweest over de toedracht, er verder blijk van gegeven dat hij de ernst van zijn handelen inziet en hij heeft zijn spijt over hetgeen het slachtoffer is overkomen ten overstaan van de politie en de rechter betuigd. Een en ander komt ook naar voren in het Pro Justitia-rapport psychologisch onderzoek d.d. 11 maart 2020 en het reclasseringsadvies d.d. 3 februari 2023, waarvan het hof kennis heeft genomen. Verder is de verdachte blijkens de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 februari 2024 niet eerder voor enige strafbaar feit veroordeeld. Het hof gaat ervan uit dat het bewezenverklaarde moet worden bestempeld als een incident, zonder aan de ernst van het feit voorbij te gaan.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden, waarvan 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, in beginsel passend en geboden.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende.

Het hof stelt vast dat de verdachte op 27 februari 2019 in verzekering is gesteld en voor het eerst door de politie is verhoord. De rechtbank heeft op 22 februari 2023 – en dus niet binnen het uitgangspunt van 2 jaren – vonnis gewezen. Het tijdsverloop tussen het begin van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en het wijzen van het vonnis door de rechtbank bedraagt ongeveer 38 maanden.

Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen, zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen gevangenisstraf zal matigen met 6 maanden.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 7.650,00, bestaande uit een bedrag van € 150,00 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij is daarin bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Materiële schade

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij de gestelde schade die ziet op kapotte kleding voldoende heeft onderbouwd en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de onder feit 1 bewezenverklaarde poging tot doodslag. Uit het dossier is voldoende gebleken dat door de messteken die de verdachte heeft toegebracht zowel de leren jas als de trui van [slachtoffer] kapot zijn gegaan. Het hof schat de omvang van de schade naar billijkheid op

€ 150,00, zoals gevorderd. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 primair bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof is van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Voorts is het hof van oordeel dat de geleden immateriële schade voldoende is onderbouwd ter zake het na te noemen bedrag. Het hof stelt deze voldoende onderbouwde immateriële schade, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen voor het slachtoffer, naar billijkheid vast op het gevorderde bedrag van € 7.500,00.

Totale schade en wettelijke rente

In totaal wijst het hof een bedrag van € 7.650,00 aan schadevergoeding toe.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskostenveroordeling

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Het hof is van oordeel dat in het kader van de vaststelling van de proceskostenveroordeling aansluiting moet worden gezocht bij het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven. Voor de rechtsgang in eerste aanleg wordt bij een vordering met een geldswaarde beneden

€ 10.000 in hoofdsom in de regel € 508,00 per punt als salaris toegekend (tarief I per 1 februari 2023). De benadeelde partij komt in dit verband twee punten toe: één punt voor het door zijn advocaat indienen van de vordering en één voor de bijstand van zijn advocaat ter terechtzitting in eerste aanleg.

Voorts is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt ter verkrijging van medische informatie ad een bedrag van € 331,65 (bestaande uit € 242,- ter zake een medisch haalbaarheidsonderzoek en € 89,65 ter zake schriftelijke informatieverstrekking). Deze kosten waren nodig ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid en komen dus voor toewijzing in aanmerking.

In totaal wijst het hof derhalve een bedrag van € 1.016,00 aan proceskosten toe.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) jaren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.650,00 (zevenduizend zeshonderdvijftig euro) bestaande uit € 150,00 (honderdvijftig euro) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 1.016,00 (duizend zestien euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.650,00 (zevenduizend zeshonderdvijftig euro) bestaande uit € 150,00 (honderdvijftig euro) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 73 (drieënzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 26 december 2019.

Aldus gewezen door:

mr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,

mr. S.V. Pelsser en mr. A. Muller, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. van Dijk, griffier,

en op 16 april 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. A. Muller is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?