[naam project]
AB-BC-constructie project [naam project]
Uit de gebezigde bewijsmiddelen maakt het hof het volgende op.
[B.V. 1] / [B.V. 4] heeft omstreeks 2004/2005 het postkantoor aan de [adres 2] te Terneuzen aangekocht. De gemeente Terneuzen heeft in onderhandelingen met [B.V. 1] / [B.V. 4] verzocht om ook het naastliggende gebied van het postkantoor met daarop een sporthal mee te nemen in de ontwikkeling van appartementen. [B.V. 1] / [B.V. 4] heeft vervolgens architectenbureau [architectenbureau] – met welk architectenbureau gemeente Terneuzen had ingestemd – een studie uit laten voeren naar de mogelijkheden op deze locatie. Omdat het project te groot werd en zij de risico ’ s wilden delen heeft [B.V. 1] / [B.V. 4] , in de persoon van de heer [getuige 1] , contact gezocht met aannemersbedrijf [aannemersbedrijf] uit Terneuzen.
[aannemersbedrijf] heeft ten behoeve van het project de sporthal kunnen kopen door te onderhandelen met het bedrijf [naam bedrijf] , een bedrijf waarmee aannemersbedrijf [aannemersbedrijf] regelmatig zaken deed en welk bedrijf een optie had op de sporthal.
Op enig moment heeft [getuige 1] , na overleg met aannemersbedrijf [aannemersbedrijf] , contact gezocht met woningbouwverenigingen in Hulst en Terneuzen. De heer [naam directeur 1] , directeur van woningbouwvereniging Hulst, heeft [getuige 1] op zijn beurt doorverwezen naar woningbouwvereniging [woningbouwvereniging] waarvan medeverdachte [medeverdachte 1] de directeur was. [getuige 1] heeft vervolgens contact gezocht met [medeverdachte 1] en op 23 juni 2005 hadden zij, [getuige 1] en [medeverdachte 1] , een afspraak bij [medeverdachte 1] op kantoor. Daar heeft [getuige 1] het plan aan [medeverdachte 1] gepresenteerd en heeft hij gevraagd of [woningbouwvereniging] bereid was om het plan geheel of gedeeltelijk over te nemen. [medeverdachte 1] heeft tijdens dat gesprek aangegeven dat hij het project geheel over wilde nemen, dat hij zijn eigen architect wilde kiezen en dat hij zelf wilde ontwikkelen. Voorts heeft [medeverdachte 1] tijdens dat gesprek het telefoonnummer van [medeverdachte 2] aan [getuige 1] gegeven met de boodschap dat [getuige 1] de zaak verder moest regelen met [medeverdachte 2] . Toen [getuige 1] vervolgens op 24 augustus 2005 telefonisch contact zocht met [medeverdachte 2] en aangaf dat hij het nummer van [medeverdachte 2] van [medeverdachte 1] had gekregen, ging [medeverdachte 2] hier direct op in en was het voor [getuige 1] duidelijk dat [medeverdachte 2] wist dat hij zou gaan bellen.
[getuige 1] en [medeverdachte 2] hebben vervolgens een afspraak gemaakt. Tijdens die afspraak heeft [getuige 1] kennis gemaakt met [zakenpartner medeverdachte 2] , de zakenpartner van [medeverdachte 2] , die altijd aanwezig was bij de besprekingen. [getuige 1] heeft het plan, dat kant en klaar was en waar de gemeente Terneuzen reeds mee had ingestemd, tijdens die afspraak gepresenteerd aan [medeverdachte 2] en zijn zakenpartner [zakenpartner medeverdachte 2] .
[medeverdachte 2] handelde op voorgaande momenten onder de naam van de verdachte. Blijkens correspondentie die hierna in het kader van de onderhandelingen – onder meer over de prijs van het project – heeft plaatsgevonden (DOC.193, DOC.008/11, DOC.008/12 en DOC.008/16) heeft [medeverdachte 2] bij die onderhandelingen steeds gehandeld uit naam van verdachte ‘ [verdachte] ’ . [medeverdachte 2] is bestuurder en 100% aandeelhouder van [verdachte] zodat het handelen van [medeverdachte 2] aan verdachte kan worden toegerekend.
[medeverdachte 2] en zijn zakenpartner [zakenpartner medeverdachte 2] hebben op 8 november 2005 een bod gedaan op het [naam project] , welk bod op 18 november 2005 is besproken door [getuige 1] enerzijds en [medeverdachte 2] en [zakenpartner medeverdachte 2] anderzijds. Tijdens die onderhandelingen heeft [medeverdachte 2] verklaard dat er geen garantie gesteld hoefde te worden omdat woningbouwvereniging [woningbouwvereniging] garant zou staan. Dit laatste is door [medeverdachte 2] als vertegenwoordiger van [verdachte] bevestigd door de brief met daarin een korte samenvatting van de overeenkomst tot koop van het project [naam project] van [B.V. 1] / [B.V. 4] voor akkoord te tekenen. De koop van de opstallen ‘postkantoor ’ en ‘sporthal ’ is op 9 december 2005 definitief geworden na de bevestiging van [medeverdachte 2] dat aan de voorwaarden voor de aankoop was voldaan. Op 8 februari 2006 heeft [verdachte] zich teruggetrokken als koper, voor wie [B.V. 2] – die na het aangaan van de koopovereenkomst is opgericht op 22 december 2005 - als koper in de plaats is gekomen. Ten slotte heeft [B.V. 2] (hof: partij B) het project [naam project] met de opstallen ‘postkantoor ’ en ‘sporthal ’ op 14 maart 2006 gekocht van [B.V. 1] / [B.V. 4] (hof: partij A) voor een bedrag van € 2.225.000.
Eveneens op 8 november 2005 – en aldus op dezelfde dag als het bod van [medeverdachte 2] en [zakenpartner medeverdachte 2] op het project van [getuige 1] – hebben [medeverdachte 2] en [zakenpartner medeverdachte 2] een brief gestuurd aan medeverdachte [medeverdachte 1] waarin de bieding van [medeverdachte 1] ter hoogte van € 2.700.000 werd bevestigd. [medeverdachte 1] heeft deze brief als directeur van [woningbouwvereniging] voor akkoord ondertekend. Vervolgens is het project [naam project] met opstallen ‘postkantoor ’ en ‘sporthal ’ op 14 maart 2006 door [B.V. 2] (hof: partij B) geleverd aan woningbouwvereniging [woningbouwvereniging] (hof: partij C), waarbij na verrekening van de kosten voor acquisitie een bedrag van de rekening van [woningbouwvereniging] is afgeschreven van € 2.866.573,67.
Het hof stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat het [naam project] te Terneuzen op 23 juni 2005 direct door [getuige 1] aan [medeverdachte 1] is aangeboden, dat [medeverdachte 1] alstoen meteen zijn interesse kenbaar heeft gemaakt en dat [medeverdachte 1] [getuige 1] op zijn beurt heeft doorgestuurd naar [medeverdachte 2] om de zaken verder te regelen, zodat [medeverdachte 1] - achter de schermen en niet kenbaar voor de raad van commissarissen van [woningbouwvereniging] - invulling en uitvoering kon geven aan een AB-BC-constructie samen met [medeverdachte 2] en [zakenpartner medeverdachte 2] . Daarbij wijst het hof in het bijzonder nog op de verklaring van getuige [naam directeur 2] , directeur van aannemersbedrijf [aannemersbedrijf] Uit diens verklaring volgt dat [naam directeur 2] er, ondanks dat hij al contact had met [medeverdachte 1] in het kader van het [naam project 2] (zie feit 3), niet aan heeft gedacht om over het [naam project] contact op te nemen met woningbouwvereniging [woningbouwvereniging] , dat zij dat gescheiden wilden houden en dat het plan daarnaast meer bij [getuige 1] lag. Voorts heeft medeverdachte [zakenpartner medeverdachte 2] verklaard dat de heren van [B.V. 1] contact hadden gezocht met [woningbouwvereniging] over het postkantoor en heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij over het [naam project] werd gebeld door de heren van [B.V. 1] , welke verklaringen steun bieden aan hetgeen [getuige 1] hierover heeft verklaard. Anders dan de verdediging heeft het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [getuige 1] als gebezigd voor het bewijs, nu het hof niet vermag in te zien welk belang [getuige 1] (zou kunnen) hebben bij het onjuist en niet naar waarheid verklaren over hoe een en ander is gelopen voor wat betreft zijn contacten met eerst [medeverdachte 1] en nadien [medeverdachte 2] en [zakenpartner medeverdachte 2] (en in het verlengde daarvan de vennootschappen, waaronder verdachte). De belangen van de verdachten in de onderhavige strafzaak bij het ontzenuwen van diens verklaringen zijn evident, maar die pogingen slagen niet.
Voor de stelling van de verdediging, dat [medeverdachte 2] al eerder, dus voordat [getuige 1] contact opnam met [medeverdachte 1] , in het kader van het [naam project 2] had gehoord over het [naam project] en dat reeds op die grond geen sprake kan zijn geweest van ‘tussenschuiven ’ , is naar het oordeel van het hof - anders dan de verklaring van [medeverdachte 2] hierover - geen steun te vinden in het dossier.
Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de zogenoemde waardesprong te rechtvaardigen was.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen en het vorenoverwogene volgt dat [B.V. 2] het project uiteindelijk van [B.V. 1] / [B.V. 4] heeft gekocht voor een bedrag van € 2.225.000, en het vervolgens diezelfde dag voor een bedrag van € 2.866.573,67 heeft doorverkocht aan woningbouwvereniging [woningbouwvereniging] .
Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat er door [medeverdachte 2] en [zakenpartner medeverdachte 2] dan wel in hun verlengde de vennootschappen [verdachte] en/of [B.V. 2] werkzaamheden zijn verricht die deze prijsstijging kunnen rechtvaardigen. Daarbij overweegt het hof dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er reeds een ontwikkelstudie c.q. voorbereid plan van architectenbureau [architectenbureau] lag, dat er overeenstemming was met de gemeente over de ontwikkeling van het [naam project] , de gemeente voorts te kennen had gegeven medewerking te zullen verlenen aan de verkoop van de sporthal en de omstandigheid dat aannemersbedrijf [aannemersbedrijf] de sporthal reeds had gekocht na onderhandeling met een haar bekende partij. Er lag, kortom, al een plan gereed voor het [naam project] en het betrof voor [medeverdachte 2] , aldus [medeverdachte 2] , en [zakenpartner medeverdachte 2] louter een echt handelsproject, waar zij op ontwikkelgebied niets mee hebben gedaan. Dat zijdens de verdachten is getracht die toch stevige en duidelijke uitspraak later in de procedure teniet te doen door alsnog veronderstelde ontplooide activiteiten door [medeverdachte 2] , [zakenpartner medeverdachte 2] , [verdachte] en/of [B.V. 2] voor dit project te berde te brengen, activiteiten die zouden zijn ontplooid aan de voorkant, overtuigt het hof niet. Ook hetgeen [zakenpartner medeverdachte 2] hierover heeft verklaard, brengt het hof niet tot een ander oordeel. En bij het uitblijven van een overtuigende redengevende verklaring vermag het hof dan ook niet in te zien waarom het door [medeverdachte 2] en [zakenpartner medeverdachte 2] aanvaarde aanbod van [getuige 1] , niet rechtstreeks door [medeverdachte 1] ten behoeve van [woningbouwvereniging] had kunnen worden aanvaard. Gelet op het voorgaande is de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] , inhoudende dat [B.V. 2] bij het project onmisbaar was omdat [woningbouwvereniging] zelf geen ontwikkelmogelijkheden had, alles behalve aannemelijk geworden. Daarbij wijst het hof ten slotte nog op de verklaring van getuige [getuige 2] , mede MT-lid van [woningbouwvereniging] , inhoudende dat op het moment dat [medeverdachte 1] de onderhandelingen voerde er vaak nog geen plan lag. Hieruit leidt het hof af dat het ontbreken van een plan voor [medeverdachte 1] kennelijk geen belemmering hoefde te vormen om een dergelijk project rechtstreeks van een aanbieder te kopen.
In dit kader wijst het hof er voorts op dat [medeverdachte 2] tijdens het verhoor bij de ILT nog heeft verklaard dat hij en [zakenpartner medeverdachte 2] in (het hof begrijpt: bij de verwerving/acquisitie van) het [naam project] geen noemenswaardige werkzaamheden hebben verricht anders dan dat zij gebeld zijn door de heren van [B.V. 1] (hof: [getuige 1] ). Ook ter terechtzitting in eerste aanleg heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij niet nauw bij dit project betrokken is geweest en dat er door hen geen externe kosten zijn gemaakt. Ten slotte betrekt het hof bij dit oordeel dat [medeverdachte 2] en zijn zakenpartner [zakenpartner medeverdachte 2] door getuigen worden beschreven als handelaren in onroerend goed en niet als projectontwikkelaars, dat getuigen de rol van [B.V. 2] in deze niet begrepen nu [woningbouwvereniging] zelf de kennis en expertise had om onroerend goed te verwerven en er ten slotte geen financieel risico bij [B.V. 2] lag. Het hof concludeert dan ook dat de hoogte van de door [B.V. 2] ontvangen betalingen onverklaarbaar en disproportioneel was, bezien vanuit de belangen van [woningbouwvereniging] .
Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld of het vorenomschreven handelen kan worden aangemerkt als ‘oplichting ’ als bedoeld in artikel 326 Sr.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof concludeert zoals hiervoor vermeld dat het (min of meer kant en klare) [naam project] aanvankelijk door [getuige 1] direct aan [medeverdachte 1] is aangeboden, dat op geen enkele aannemelijke wijze is gebleken dat de rol van [B.V. 2] – dat pas, nadat de koop tussen [verdachte] en [B.V. 1] / [B.V. 4] begin december 2005 al rond was, is opgericht – oftewel die van [medeverdachte 2] en [zakenpartner medeverdachte 2] onmisbaar was voor het ontwikkelen van het [naam project] en dat [medeverdachte 1] dit project aldus, in zijn rol als directeur-bestuurder van [woningbouwvereniging] , direct van [getuige 1] had kunnen kopen.
Zoals hiervoor overwogen bekleedde [medeverdachte 1] een sleutelpositie die hem in staat stelde om [B.V. 2] ( [medeverdachte 2] en [zakenpartner medeverdachte 2] ) bij de aankoop van het [naam project] een rol te geven en deze vennootschap ( [medeverdachte 2] en [zakenpartner medeverdachte 2] ) via een AB-BC-constructie te bevoordelen.
Nu [medeverdachte 1] op zijn beurt van meet af aan ten stelligste ontkent dat hij [B.V. 2] heeft ‘tussengeschoven ’ , kan daaruit louter worden afgeleid dat [medeverdachte 1] de raad van commissarissen niet heeft geïnformeerd over dit ‘tussenschuiven ’ . Dat dit (informeren) niet is gebeurd, spreekt naar het oordeel van het hof ook voor zich, omdat niet is gebleken van een daarvoor redengevende verklaring die de belangen van [woningbouwvereniging] dient, terwijl deze wel door de raad van commissarissen van [medeverdachte 1] zou mogen worden verlangd. Het hof kan [medeverdachte 1] daarin wel volgen, want als hij die informatie had verstrekt, had hij die raad ook over diens beweegredenen dienen te informeren. En daar gaat het hier nu net om. Dan had [medeverdachte 1] de raad van commissarissen ook moeten uitleggen/informeren waarom hij, [medeverdachte 1] , niet zelf namens [woningbouwvereniging] de onderhandelingen met [getuige 1] heeft gedaan voor het [naam project]
- hetgeen volgens [getuige 1] zonder meer had gekund - maar [medeverdachte 1] [getuige 1] naar [medeverdachte 2] (toen als bestuurder van [verdachte] , later aldus [B.V. 2] ) heeft verwezen voor het ‘afregelen ’ hiervan. Vanuit financiële overwegingen, bezien vanuit de belangen van [woningbouwvereniging] , zou een AC-constructie immers zonder meer voor de hand hebben gelegen, temeer nu [getuige 1] ervan overtuigd is dat [woningbouwvereniging] dan goedkoper uit zou zijn geweest. [medeverdachte 1] is evenwel verre van die onderhandelingen en een dergelijke AC-constructie gebleven, naar is gebleken aldus om hem moverende financiële overwegingen.
Het hof concludeert dat [medeverdachte 1] aan de raad van commissarissen van [woningbouwvereniging] een onvolledig beeld heeft geschetst van deze acquisitie door de raad van commissarissen vooraf noch achteraf erover te informeren dat [woningbouwvereniging] het [naam project] ook zonder tussenkomst van [B.V. 2] had kunnen verwerven. [getuige 1] had het hem immers gepresenteerd en aangeboden. Dat dit informeren vooraf niet mogelijk was, is gesteld noch gebleken. Ook achteraf heeft [medeverdachte 1] de raad van commissarissen hieromtrent niet geïnformeerd. Het kan dan ook niet anders, omdat het gezien al het hiervoor overwogene voor zich spreekt, dat deze informatie door [medeverdachte 1] is verzwegen voor de raad van commissarissen om hem moverende redenen, zijn eigen financiële belangen. Gezien zijn directeursfunctie/bestuurdersrol had het daarentegen wel op zijn weg gelegen de raad van commissarissen te informeren. In die hoedanigheid was hij immers gehouden de raad van commissarissen die informatie te verschaffen waarvan hij redelijkerwijs diende te vermoeden dat die voor de uitoefening van de taak van die raad noodzakelijk of gewenst was. Gelet op de hiermee gemoeide financiële belangen van [woningbouwvereniging] is het vanzelfsprekend dat dit vermoeden bij [medeverdachte 1] heeft bestaan, maar hij daarmee niets heeft gedaan. Het door [woningbouwvereniging] meer betaalde, de winst van [B.V. 2] , is immers terechtgekomen bij [medeverdachte 2] , [zakenpartner medeverdachte 2] en op basis van de bewijsmiddelen concludeert het hof dito - via de gewoonlijke douceurtjes, gerelateerd aan de verdiensten van dit project- bij [medeverdachte 1] . Indien de raad van commissarissen was geïnformeerd, zouden zij hebben ingegrepen door minst genomen [medeverdachte 1] hieromtrent te bevragen en daaraan alsdan noodzakelijk geoordeelde gevolgen te verbinden. Immers, zoals uit de bewijsmiddelen volgt, zou met het verschaffen van deze informatie aan de raad van commissarissen diens dagen bij [woningbouwvereniging] zijn geteld en zou dit een bom onder het [naam project] hebben gelegd.
[medeverdachte 1] heeft zo bij de raad van commissarissen de indruk doen/laten bestaan dat bij de aankoop van het [naam project] de (financiële) belangen van [woningbouwvereniging] op een zo goed mogelijke wijze werden gediend, terwijl hij ten nadele van [woningbouwvereniging] verzweeg dat hij en zijn partners in dezen – waaronder ook de verdachte – een persoonlijk financieel belang hadden bij die AB-BC-constructie. Hoewel de bewijsmiddelen op dit punt voor zich spreken, heeft [medeverdachte 1] ook het ontvangen van de douceurtjes van meet af aan stellig ontkend. Dat [medeverdachte 1] de raad van commissarissen over die douceurtjes niet heeft geïnformeerd, terwijl dit vanzelfsprekend relevant te achten informatie voor die raad betrof, spreekt dan ook voor zich.
Gelet op dit alles oordeelt het hof dat medeverdachte [medeverdachte 1] in een nauwe en bewuste samenwerking met onder andere [medeverdachte 2] en [zakenpartner medeverdachte 2] alsmede aan hen gelieerde vennootschappen (waaronder verdachte), met het oogmerk om zich en [zakenpartner medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het door [medeverdachte 1] aannemen van een valse hoedanigheid, zijnde die van betrouwbare en integere bestuurder/directeur door middel van de hiervoor door het hof opgesomde verschillende misleidende feitelijke handelingen rondom de aankoop van het project aan de [adres 2] te Terneuzen, een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen waardoor [woningbouwvereniging] is bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 2.866.573,67.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof dan ook buiten twijfel af dat [woningbouwvereniging] door het aannemen van een valse hoedanigheid door [medeverdachte 1] in een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 2] , [zakenpartner medeverdachte 2] en de vennootschappen en de door hen in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot afgifte van enig goed als bedoeld in artikel 326, eerste lid, Sr, te weten een geldbedrag van € 2.866.573,67 op de rekening van [B.V. 2] Het hof wijst daarbij nog in het bijzonder op de verklaringen van de leden van de raad van commissarissen, inhoudende dat zij, als zij hadden geweten dat [medeverdachte 1] geld toegeschoven kreeg, niet akkoord zouden zijn gegaan met projecten. Zou [medeverdachte 1] de raad van commissarissen over zijn handelen wel volledig hebben geïnformeerd, dan staat naar het oordeel van het hof aldus vast dat de raad van commissarissen zou hebben ingegrepen en de aankoop van dit project niet op deze wijze zou hebben plaatsgevonden.
Dat de verdachten deze handelingen hebben verricht met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling, volgt eveneens uit al het vorenoverwogene. Het kan dan ook niet anders dan dat zij ten tijde van hun handelen hebben beseft dat hun gedragingen als noodzakelijk en dus door hen gewild gevolg met zich brachten dat door hun bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven werd geroepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte en/of zijn medeverdachten geen listige kunstgrepen hebben toegepast, nu het toepassen van een AB-BC-constructie als zodanig en het louter verzwijgen door [medeverdachte 1] van relevante informatie jegens de Raad van Commissarissen van [woningbouwvereniging] en in dit geval ook de combinatie van beide zoals tenlastegelegd niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. Het hof zal de verdachte daarom hiervan partieel vrijspreken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van oplichting, begaan door een rechtspersoon.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Nu de Hoge Raad het bestreden arrest van het hof met betrekking tot de strafoplegging heeft vernietigd, dient het hof thans bij de strafoplegging het onder feit 5 bij cassatie door de Hoge Raad in stand gelaten bewezenverklaarde, waarvoor de verdachte strafbaar is, te betrekken. Bij arrest van dit hof van 5 oktober 2020 is onder 5 het medeplegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, bewezenverklaard. Het hof dient aldus ten aanzien van dit niet aan zijn oordeel onderworpen bewezenverklaarde feit, alsmede ter zake van het bij dit arrest onder feit 1 primair bewezenverklaarde feit, één straf op te leggen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte een geldboete zal worden opgelegd ter hoogte van € 25.000,-.
De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de strafmaat.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en voorts op de aard en de hoedanigheid van de verdachte als rechtspersoon en haar draagkracht, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [woningbouwvereniging] . Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft vanuit zijn positie als directeur-bestuurder van [woningbouwvereniging] binnen het [naam project 2] een rol aan de verdachte toebedeeld. De prijs die [woningbouwvereniging] in het kader van dit project aan [B.V. 2] heeft betaald is zakelijk gezien niet verklaarbaar. Ondertussen werden door [medeverdachte 2] en [zakenpartner medeverdachte 2] , respectievelijk bestuurder van verdachte en bestuurder van [B.V. 3] , aan [medeverdachte 1] douceurtjes toegestopt. Zodoende vonden buiten het zicht van (de raad van commissarissen van) [woningbouwvereniging] een-tweetjes plaats waarmee [medeverdachte 2] (en daarmee ook de verdachte), [zakenpartner medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zich over de rug van [woningbouwvereniging] bevoordeelden. Verdachte en haar mededaders hebben hun oplichtingshandelingen verricht jegens een woningcorporatie, zijnde een instelling werkzaam in het belang van de volkshuisvesting. Daarmee reikt de impact van hun handelen verder dan alleen die organisatie zelf; ook de huurders merken de gevolgen. Daar komt bij dat het oplichten van een woningcorporatie leidt tot ondermijning van het vertrouwen dat de samenleving in zodanige organisaties moet kunnen stellen.
Bovendien heeft de verdachte zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen (in totaal € 535.600,00) afkomstig van de oplichting van [woningbouwvereniging] . Met dit handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de integriteit van het financiële en economische verkeer. Daarnaast heeft de verdachte er met dit handelen aan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zich van justitie worden onttrokken. Het hof rekent verdachte dit alles zeer aan.
Voor wat betreft het witwassen houdt het hof er rekening mee dat deze gedragingen in het verlengde liggen van de bewezenverklaarde oplichting.
Alles afwegende acht het hof in beginsel – zoals de rechtbank heeft gedaan - oplegging van een geldboete ter hoogte van € 35.000,00 passend en geboden. Het hof heeft echter ook oog voor het tijdsverloop; de bewezenverklaarde feiten dateren uit de periode van 2005 tot en met 2012. Gelet op de ouderdom van de feiten acht het hof in dit geval oplegging van een geldboete van € 25.000,00 in beginsel passend en geboden.
Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof het navolgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van de verdachte, de aard en ernst van het tenlastegelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.
In onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 21 mei 2012, het moment waarop er in de strafzaak tegen verdachte op haar vestigingsadres een doorzoeking werd gedaan.
De rechtbank heeft vonnis gewezen op 1 februari 2018. Het hof stelt vast dat de behandeling in eerste aanleg derhalve niet is afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaren na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn is bij de behandeling in eerste aanleg met iets meer dan 3 jaren en 8 maanden overschreven.
In eerste aanleg heeft op 17 november 2015 een zitting plaatsgevonden, op welke zitting beslissingen zijn genomen ten aanzien van de door de verdediging op 29 oktober 2015 (en bij brief van 13 november 2015 nader gemotiveerde) ingediende onderzoekswensen. Vervolgens hebben in de periode van 5 januari 2017 tot en met 26 januari 2017 getuigenverhoren plaatsgevonden bij de rechter-commissaris. De inhoudelijke behandeling heeft vervolgens een aanvang genomen op 12 december 2017, waarna nog vijf zittingsdagen zijn gevolgd, waarbij sprake was van gelijktijdige behandeling van alle zaken.
Het hof is van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding in eerste aanleg gedeeltelijk rechtvaardigen, met name gelegen in de ingewikkeldheid en omvang van de zaak en het gegeven dat er op verzoek van de verdachte en medeverdachten vele getuigen gehoord zijn.
Op 6 februari 2018 is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld namens de verdachte. Het dossier is op 19 juni 2018 bij het hof ingekomen. Vervolgens heeft het hof op 5 oktober 2020 arrest gewezen. Het hoger beroep is derhalve niet afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van hoger beroep. In hoger beroep is sprake van een schending van de redelijke termijn en wel met een periode van 8 maanden.
Voor wat betreft de redelijke termijn in de cassatiefase en in de periode na terugwijzing door de Hoge Raad stelt het hof vast dat cassatie is ingesteld op 13 oktober 2020 en dat de Hoge Raad arrest heeft gewezen op 1 februari 2022. In deze fase, die binnen twee jaren is afgerond, heeft derhalve geen overschrijding van de redelijke termijn plaatsgevonden.
Na terugwijzing door de Hoge Raad wijst het hof op 5 juni 2024, en derhalve niet binnen de redelijke termijn van 2 jaren, arrest. Het hof stelt vast dat in deze fase sprake is van een schending van de redelijke termijn met een periode van iets meer dan 4 maanden.
Zonder schending van de redelijke termijn zou een geldboete ter hoogte van € 25.000,00 passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal het hof aan de verdachte een geldboete opleggen ter hoogte van € 21.000,00.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 47, 51, 57, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 21.000,00 (eenentwintigduizend euro).
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Schiffers, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. A. Muller, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E.F.G. Truijen, griffier,
en op 5 juni 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.