ECLI:NL:GHSHE:2024:1919

ECLI:NL:GHSHE:2024:1919, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12-06-2024, 22/1675 en 22/1676

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 12-06-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/1675 en 22/1676
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2022:5362
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:306
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0002320 BWBR0011353 CELEX:32004R0883 EU:32004R0883

Samenvatting

Deze uitspraak is op verzoek gepubliceerd en niet door het gerechtshof geselecteerd om te worden gepubliceerd. Derhalve is er geen samenvatting beschikbaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: /1675 en 22/221676

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te Spanje,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 september 2022, nummers BRE 22/1870 en 22/1871, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft aan belanghebbende de aanslagen inkomstenbelasting (IB) over de jaren 2017 en 2018 opgelegd.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen IB. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn, via een digitale verbinding, gehoord de echtgenoot van belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Belanghebbende was niet bij de zitting aanwezig. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken van belanghebbendes echtgenoot met nummers: 22/1672 tot en met 22/1674.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Belanghebbende is sinds 1997 woonachtig in Spanje.

Belanghebbende ontvangt over de jaren 2017 en 2018 een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank (de SVB) alsmede pensioenuitkeringen van twee Nederlandse pensioenfondsen (het [pensioenfonds 1] en het [pensioenfonds 2] ). Niet in geschil is dat Nederland op grond van het belastingverdrag met Spanje enkel het heffingsrecht heeft over de pensioenuitkering die belanghebbende heeft ontvangen van het pensioenfonds [pensioenfonds 1] .

De SVB heeft in de onderhavige jaren een buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: de buitenlandbijdrage) ingehouden op de uitkeringen aan belanghebbende.

Belanghebbende heeft in haar aangiften IB de buitenlandbijdragen als loonheffing vermeld.

De inspecteur is bij het opleggen van de aanslagen IB over de jaren 2017 en 2018 afgeweken van de aangifte en heeft deze buitenlandbijdragen niet als voorheffing verrekend met de op deze aanslagen verschuldigde bedragen aan IB. Het betreft de volgende door de SVB ingehouden buitenlandbijdragen:

2017: € 772

2018: € 648

Belanghebbende is in de onderhavige jaren niet sociaal verzekerd in Nederland en daarom ook niet premieplichtig voor de volksverzekeringen.

3. Geschil en conclusies van partijen

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de ingehouden buitenlandbijdragen aangemerkt dienen te worden als een voorheffing die verrekenbaar is met de verschuldigde IB.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vermindering van de aanslagen IB over de jaren 2017 en 2018 met de ingehouden buitenlandbijdragen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Belanghebbende is door het Centraal Administratiekantoor (CAK) op grond van de Verordening (EG) nr. 883/2004 als verdragsgerechtigde aangemerkt. Belanghebbende heeft als verdragsgerechtigde op grond van de Zorgverzekeringswet recht op medische zorg in zijn woonland Spanje waarvan de kosten voor rekening van Nederland komen. Voor dit recht op medische zorg is belanghebbende de zogenoemde buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet verschuldigd. Deze buitenlandbijdrage is in de onderhavige jaren ingehouden op de AOW- uitkering van belanghebbende.

Belanghebbende heeft betwist de buitenlandbijdrage verschuldigd te zijn en heeft hierover een bestuursrechtelijke procedure gevoerd. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat belanghebbende de buitenlandbijdrage verschuldigd is en dat deze op de juiste wijze berekend is. Daarnaast heeft de Centrale Raad van Beroep in een andere uitspraak geoordeeld dat de buitenlandbijdrage niet als een belasting gekwalificeerd wordt, maar als een bijdrage bestemd voor de financiering van (een deel van) het Nederlandse socialezekerheidsstelsel.

De stelling van belanghebbende dat de buitenlandbijdrage als voorheffing verrekenbaar is met de op de aanslagen over de jaren 2017 en 2018 verschuldigde bedragen aan IB is niet juist. Gelet op artikel 9.2 Wet op de Inkomstenbelasting 2001(Wet IB) is de buitenlandbijdrage geen voorheffing die met de op de aanslag verschuldigde IB verrekend kan worden

Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het belastingverdrag Nederland-Spanje en gesteld dat de buitenlandbijdrage als een (verkapte) bronheffing dient te worden aangemerkt die niet is opgenomen in dit belastingverdrag. Het hof stelt vast dat de reikwijdte van het belastingverdrag Nederland-Spanje is beperkt tot door Nederland geheven belastingen. Zoals in 4.2 is opgenomen heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat de buitenlandbijdrage niet als een belasting kwalificeert. Het hof ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen. Reeds daarom faalt deze stelling van belanghebbende.

Belanghebbende heeft tevens gesteld, zonder een feitelijke onderbouwing te geven, dat sprake is van een dubbele heffing omdat ook in Spanje, via de inkomstenbelasting, een bijdrage van zorgkosten van haar zou zijn geheven. Het hof heeft in 4.2 vastgesteld dat belanghebbende, op grond van de nationale wetgeving en een toepasselijke EU-verordening, de buitenlandbijdrage verschuldigd is. De vraag of dit een dubbele heffing van bijdragen voor zorgkosten tot gevolg heeft kan niet door de Nederlandse belastingrechter worden beoordeeld. Daarom kan deze stelling belanghebbende in deze procedure niet baten.

Conclusie

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

5. Beslissing

Het hof:

De uitspraak is gedaan door A.H.W. Steijn, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.

De griffier, De voorzitter,

R. Camps A.H.W. Steijn

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Belastingzaken 2024/893 V-N Vandaag 2024/1693 NLF 2024/1892 V-N 2024/42.1.6
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?