GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Wrakings- en verschoningskamer
Reisnummers: 200.340.391/01 en 200.340.392/01
Datum beslissing: 24 april 2024
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
gegeven op het schriftelijke verzoek, gedateerd 23 april 2024, als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), ingekomen ter griffie van het hof op 24 april 2024, in de belastingzaken met nummers BK-SHE [nummer 1] tot en met [nummer 2] en BK-SHE [nummer 3] tot en met [nummer 4], in hoger beroep aanhangig bij dit gerechtshof, ingediend namens:
[B.V. 1] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
en
[B.V. 2] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
hierna gezamenlijk: de verzoekers,
gemachtigde: mr. [gemachtigde] (hierna: de gemachtigde),
strekkende tot wraking van mr. drs. L.B.M. Klein Tank (hierna: de raadsheer), raadsheer in het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, team belastingrecht.
1. Procesverloop
Verzoekers hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank in eerste aanleg. De zaken zijn vervolgens bij de belastingkamer van dit hof ingeschreven onder de nummers BK-SHE [nummer 1] tot en met [nummer 2] ten aanzien van het hoger beroep namens [B.V. 1] B.V. en onder de nummers BK-SHE [nummer 3] tot en met [nummer 4] ten aanzien van het hoger beroep namens [B.V. 2] B.V.
De mondelinge behandelingen van de zaken staan gepland op 25 april 2024.
Bij op 24 april 2024 ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift is door verzoekers de wraking verzocht van de raadsheer. De raadsheer heeft op 24 april 2024 laten weten niet in de wraking te berusten.
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek, zonder daaraan voorafgaande behandeling ter zitting, in raadkamer van 24 april 2024 behandeld.
De wrakingskamer heeft daarna besloten dat zo spoedig mogelijk op het wrakingsverzoek zal worden beslist.
2. Ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek
Ingevolge het bepaalde in artikel 8:15 Awb kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Op grond van artikel 8:16, lid 1, Awb moet het verzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
Verzoekers hebben op 23 april 2024 schriftelijk een wrakingsverzoek ingediend. De wrakingskamer stelt vast dat het wrakingsverzoek (samengevat) is gebaseerd op de stelling dat de raadsheer niet adequaat heeft gereageerd op het verzoek van de gemachtigde om de zitting van 25 april 2024 uit te stellen dan wel digitaal te laten plaatsvinden.
Vermoed wordt volgens de gemachtigde dat er sprake is van een persoonlijke vooringenomenheid van de raadsheer: in bijna alle zaken van cliënten van de gemachtigde die de raadsheer heeft behandeld moesten zij het onderspit delven. Hiermee wekt de raadsheer de schijn van partijdigheid.
Verzoekers zijn op 9 februari 2024 uitgenodigd voor de fysieke mondelinge behandeling die zal plaatsvinden op 25 april 2024. In deze uitnodigingen is de naam van de raadsheer vermeld. De raadsheer heeft op 15 februari 2024 de verzoeken van de gemachtigde, om de zitting op 25 april 2024 uit te stellen dan wel digitaal te laten plaatsvinden, gemotiveerd afgewezen. De gemachtigde heeft daarop op 20 februari 2024 geprinte e-mails overgelegd waaruit zou moeten blijken dat de gemachtigde op 25 april 2024 in [plaats] verblijft. Op 21 februari 2024 en 29 februari 2024 heeft de raadsheer de verzoeken om uitstel van de zitting dan wel een digitale zitting opnieuw gemotiveerd afgewezen. In de brief van 29 februari 2024 wordt tevens kenbaar gemaakt dat de gemachtigde van deze afwijzing geen nader bericht van het hof zal ontvangen. De gemachtigde heeft op 8 april 2024 via de mail zijn verhinderdata doorgegeven. Op deze mail is niet meer gereageerd.
Daargelaten de vraag of de gemachtigde het wrakingsverzoek wel heeft ingediend namens partijen (belastingplichtigen) in de hoofdzaken, is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek te laat is ingediend. Per brief van 29 februari 2024 heeft de raadsheer het verzoek om uitstel gemotiveerd afgewezen. In die brief is ook vermeld dat er geen nader bericht zal volgen van het hof. Op dat moment was het voor de gemachtigde duidelijk dat ook het verzoek om een digitale zitting definitief was afgewezen door de raadsheer en waren de relevante feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek berust zodoende bekend. Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede ‘zodra de feiten of omstandigheden (...) bekend zijn geworden’ uit artikel 8:16, lid 1, Awb betekent dat een wrakingsverzoek dient te worden gedaan onmiddellijk na het bekend worden van de feitelijke grond tot wraking, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is. Deze tijd was evenwel op 23 april 2024 ruimschoots verstreken.
De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat niet aan de eis van artikel 8:16, lid 1, Awb is voldaan en dat het wrakingsverzoek te laat is ingediend. De wrakingskamer zal verzoekers derhalve niet-ontvankelijk verklaren in hun wrakingsverzoek. Aan een inhoudelijke behandeling van het wrakingsverzoek komt de wrakingskamer om die reden niet toe.
De wrakingskamer stelt ten overvloede vast dat zowel het weigeren van uitstel van de zitting als de afwijzing van het verzoek tot het houden van een digitale zitting zijn aan te merken als rechterlijke regiebeslissingen, waarvoor geldt dat die als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking, tenzij de motivering van de (regie)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Dat van dit laatste in dit geval sprake is is door verzoekers onvoldoende onderbouwd noch is dit anderszins aannemelijk geworden.
Wraking is geen verkapt rechtsmiddel tegen dergelijke beslissingen. Ook op basis van die grond wordt het wrakingsverzoek afgewezen.
De wrakingskamer stelt vast dat het verzoek om uitstel van de zitting respectievelijk een digitale zitting al geruime tijd voor de aanvang van de zitting is afgewezen. Een wrakingsverzoek dat de dag voor de zitting is ingediend, terwijl het verzoek om uistel respectievelijk een digitale zitting ruim voor de zitting is afgewezen, is kennelijk enkel bedoeld om het niet gekregen uitstel van de mondelinge behandeling alsnog te bewerkstelligen. Daarmee wordt misbruik gemaakt van het middel. De wrakingskamer zal daarom een volgend wrakingsverzoek in deze zaken niet in behandeling nemen.
BESLISSING
Het hof:
verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek tot wraking;
bepaalt dat de hoofdzaken worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de zaken met nummers BK-SHE [nummer 1] tot en met [nummer 2] en BK-SHE [nummer 3] tot en met [nummer 4] niet in behandeling zal worden genomen;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, de gemachtigde, de heffingsambtenaar, alsmede aan de raadsheer.
Aldus gegeven te ’s-Hertogenbosch op 24 april 2024 door mr. J.W. van Rijkom, voorzitter, mr. C.N.M. Antens en mr. drs. T.A. Gladpootjes, leden, bijgestaan door mr. E. Royakkers, griffier.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers J.W. van Rijkom