Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 30 april 2021, in de strafzaak met parketnummer 02-820601-16 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
wonende te [adres verdachte] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder de feiten 2 en 5 tenlastegelegde. De rechtbank heeft het onder de feiten 1, 3 en 4 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van het onder de feiten 2 en 5 tenlastegelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de schorsing van de voorlopige hechtenis zal opheffen.
Door de raadsvrouw van de verdachte is primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis, met verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Bijgevolg komt de daarmee samenhangende overweging van de rechtbank, dus voor zover die ziet op de opgelegde straf, te vervallen en wordt deze in zijn geheel vervangen op de wijze als hierna vermeld.
Verbetering van de bewijsmiddelen
Het hof heeft geconstateerd dat de gebezigde bewijsmiddelen, onder handhaving van het overige, op onderdelen verbetering behoeven in de volgende zin:
Ten aanzien van de feiten 3 en 4:
Ten aanzien van feit 3:
- in bewijsmiddel XIV op pagina 23 van het vonnis wordt geschrapt:‘AAJD8178NL monster crèmekleurig poeder bevat cocaïne’.
Verbetering van de bewijsoverwegingen
Het hof is van oordeel dat de bewijsoverwegingen van de rechtbank onder het kopje ‘Feit 3 en feit 4’ op pagina 8 en 9 van het vonnis (vanaf ‘De verdediging heeft betoogd (..)’ t/m ‘De rechtbank gaat aan dit verweer van de verdediging dan ook voorbij’), onder handhaving van het overige, verbetering behoeven. De bewijsoverwegingen van de rechtbank worden daarom in zoverre vervangen door de navolgende overwegingen en komen mitsdien als volgt te luiden.
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de op 15 november 2016 in de woning aan [adres 1] aangetroffen verdovende middelen, het wapen en de munitie uitgesloten dienen te worden van het bewijs, nu sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek.
Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsvrouw – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het navolgende aangevoerd.
De machtiging tot binnentreden in de woningen gelegen aan [adres 2] en [adres 1] is opgesteld op 14 november 2016. De vermelding van het adres [adres 1] in de machtiging is echter onverklaarbaar; op 14 november 2016 was er nog geen enkele relatie tussen de verdachte en het adres [adres 1] . Het kan daarom niet anders dan dat het adres [adres 1] pas is ingevuld nadat de verdachte bij de observatie op 15 november 2016 op dat adres is gezien, en dat de machtiging dus achteraf is opgesteld, dan wel is aangepast. Dit levert een vormverzuim op. In de optiek van de verdediging is doelbewust een proces-verbaal aangepast om de juiste gang van zaken te maskeren. Hierdoor is de waarheidsvinding belemmerd en is het recht op een eerlijk proces van de verdachte tekort gedaan. Procespartijen moeten erop kunnen vertrouwen dat processen-verbaal waarheidsgetrouw worden opgemaakt en de werkelijke gang van zaken weergeven. Dat laatste is hier niet het geval.
Een en ander dient ertoe te leiden dat de aangetroffen verdovende middelen en het wapen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Het hof stelt voorop dat de strafrechter op grond van artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, onder andere kan bepalen dat de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit. Bij de beoordeling van een vermeend vormverzuim dient de rechter rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, waarbij van belang is of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Daarbij verdient opmerking dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang, zodat een eventuele schending van dit belang als gevolg van een vormverzuim niet een nadeel oplevert als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, Sv. Voorts geldt dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het proces-verbaal onderzoek in woning en ontstaan nieuwe verdenkingen d.d. 23 november 2016 (dossierpagina 1296 tot en met 1300) volgt dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 15 november 2016 de woning aan [adres 1] niet met gebruikmaking van de machtiging tot binnentreden, maar met uitdrukkelijke toestemming van de bewoonster [bewoonster] , zijn binnengetreden. Ook de doorzoeking van de woning heeft plaatsgevonden na – nogmaals – uitdrukkelijke toestemming van bewoonster [bewoonster] .
Nog daargelaten of de machtiging achteraf is opgesteld of aangepast – zoals door de verdediging is gesteld – is daardoor geen nadeel veroorzaakt, nu de woning met toestemming van de bewoonster is binnengetreden en doorzocht en van de machtiging derhalve geen gebruik is gemaakt. Van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv is dan ook geen sprake. Het verweer dient reeds hierom te worden verworpen.
Daarnaast overweegt het hof dat, zo er al sprake zou zijn geweest van een vormverzuim, de verdachte hierdoor geen nadeel heeft ondervonden, nu het niet zijn woning betrof. Ook hierom kan het verweer niet slagen.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een zware mishandeling, gepleegd met voorbedachte raad. Het slachtoffer is op een begrafenis door de verdachte en de medeverdachten met de auto naar een afgelegen plek in het bos gebracht, waar hij meermaals tegen zijn hoofd en lichaam is geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen. Door het handelen van de verdachte en zijn medeverdachten heeft het slachtoffer ernstig letsel opgelopen, te weten meerdere fracturen, onder andere in zijn gezicht, en een ontwrichting ter hoogte van het sleutelbeen. Door aldus te handelen hebben de verdachte en de medeverdachten een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel toegebracht. Het is algemeen bekend dat een gebeurtenis als deze naast lichamelijke gevolgen, een grote emotionele impact heeft op slachtoffers.
Voorts is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij een grote hoeveelheid harddrugs (amfetamine en cocaïne), een scherpschietend vuurwapen (omgebouwd gaspistool) en tien patronen – die echter niet met het omgebouwde gaspistool verschoten konden worden – aanwezig heeft gehad.
Door het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid van in totaal meer dan 20 kilogram harddrugs, heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het illegale harddrugscircuit, dat (vaak) allerlei maatschappelijk ongewenste effecten veroorzaakt. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs schadelijk is voor de gezondheid van de gebruikers daarvan.
Het onbevoegd voorhanden hebben van een wapen en munitie is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege de grote dreiging die daarvan uitgaat voor anderen. Een dergelijk wapen kan gebruikt worden voor allerlei (levens)bedreigende activiteiten. Het voorhanden hebben daarvan vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde.
Het hof rekent het de verdachte ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft bij de straftoemeting acht geslagen op de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geformuleerde oriëntatiepunten. Ten aanzien van het onder feit 3 bewezenverklaarde geldt als oriëntatiepunt in een geval als dit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van meer dan 36 maanden. Ten aanzien van het onder feit 4 bewezenverklaarde gaspistool geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand. Ten aanzien van het onder feit 1 bewezenverklaarde acht het hof, mede gelet op het feit dat sprake is van zowel medeplegen als voorbedachte raad, geen passend oriëntatiepunt voorhanden.
Het hof heeft in strafverzwarende zin acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 juli 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij in 2014 onherroepelijk tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld ter zake van overtreding van de Opiumwet.
Het hof acht de rol van de verdachte bij het onder feit 3 bewezenverklaarde, anders dan de verdediging, niet van gering, dan wel benedengemiddeld, gewicht, waarbij aandacht verdient dat ten aanzien van de verdachte enkel is tenlastegelegd en bewezenverklaard het aanwezig hebben van de desbetreffende harddrugs. Het feit dat de verdachte de drugs heeft verplaatst met het oogmerk ontdekking door de politie te voorkomen is naar het oordeel van het hof veeleer als strafverzwarend aan te merken.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte in dit verband – onderbouwd met stukken – verklaard dat hij werkzaam is als medewerker inkoop en logistiek bij een allround catering en productiebedrijf. Daarnaast heeft hij een eigen onderneming waar hij online spirituele producten verkoopt. Tot slot
heeft de verdachte verklaard dat hij drie kinderen heeft en dat hij bij zijn moeder woont.
Het hof is van oordeel dat, ondanks de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot de berechting binnen een redelijke termijn in deze zaak evenwel nog het volgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Als uitgangspunt heeft voorts te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld.
Het hof stelt vast dat de verdachte in deze zaak op 13 januari 2017 in verzekering is gesteld. De voorlopige hechtenis van de verdachte is op 14 juli 2017 geschorst. Nadat de verdachte was gedagvaard voor de rechtbank en de zaak in eerste aanleg was behandeld, heeft de rechtbank op 30 april 2021 vonnis gewezen. Vervolgens is namens de verdachte op 14 mei 2021 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 12 september 2024 – einduitspraak. Het tijdsverloop tussen het aanvangsmoment van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 EVRM en het wijzen van het vonnis door de rechtbank bedraagt derhalve vier jaar en ruim drie maanden. Het tijdsverloop tussen het instellen van het hoger beroep en het wijzen van eindarrest bedraagt op basis van het voorgaande drie jaar en ruim drie maanden.
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden met twee jaar en ruim drie maanden, en in hoger beroep met één jaar en ruim drie maanden.
Het hof zal deze aanzienlijke overschrijdingen van de redelijke termijn in het voordeel van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen gevangenisstraf zal matigen met zes maanden (ongeveer 15 procent).
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
Bij beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 13 juli 2017 is de voorlopige hechtenis van de verdachte per 14 juli 2017 geschorst.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de schorsing van de voorlopige hechtenis zal opheffen. De raadsvrouw van de verdachte heeft primair verzocht het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Subsidiair heeft zij verzocht de schorsing te laten voortduren.
Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof, in het bijzonder ook gelet op het tijdsverloop in de zaak, geen reden om de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis thans op te heffen. De daartoe strekkende vordering van de advocaat-generaal zal daarom worden afgewezen.
Het hof ziet evenmin reden om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen, gelet op het veroordelend arrest en in het bijzonder hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen en beslist. Het primaire verzoek van de raadsvrouw zal derhalve eveneens worden afgewezen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 57, 63 en 303 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder de feiten 2 en 5 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst af de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte;
wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. van Kaathoven, griffier,
en op 12 september 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. O.A.J.M. Lavrijssen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.