3. Een eigen waarneming van het gerechtshof:
1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 10 oktober 2022 (dossierpagina’s 61-62), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :
2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 oktober 2022 (dossierpagina’s 35-39), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte 1] :
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 oktober 2022 (dossierpagina’s 50-54), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte 2] :
4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 oktober 2022 (dossierpagina’s 104-109), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op de (ter terechtzitting getoonde) beelden neemt het hof om 03:05 waar dat de verdachte met zijn rechtervoet een trappende beweging maakt in de richting van het hoofd van [slachtoffer 1] . De trap raakt [slachtoffer 1] . Vervolgens trapt de verdachte met zijn linkervoet wederom in de richting van het hoofd van [slachtoffer 1] , welke trap zichtbaar het hoofd van [slachtoffer 1] raakt.
- Feit 2 primair (openlijke geweldpleging)
Ik wens aangifte te doen van mishandeling en openlijke geweldpleging. Dit is gebeurd gisterenavond op straat voor café [café] aan [adres 2] . Net daarvoor was ik binnen in genoemd café en aldaar zag ik ook [verdachte] . Ik ken deze persoon omdat mijn vader (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) en ik hier een conflict mee hebben gehad in het verleden en [verdachte] regelmatig problemen veroorzaakt richting mij en mijn vader. [verdachte] was met meerdere personen aldaar die ik niet ken. (…) Mijn vader is toen gekomen, mijn moeder is mij toen komen halen uit het café. Toen ik naar buiten wilde gaan stond [verdachte] met nog wat personen bij de uitgang. Er ontstond wat gedoe bij de deur. (…) Ik zag dat [verdachte] die in de deuropening stond richting mijn vader spuugde. Op een gegeven moment zag ik dat een persoon mijn vader vol in het gezicht stompte. (…) Ik ben er toen tussen gesprongen en heb deze persoon van mijn vader weg getrokken. Gelijk hierop voelde ik dat ik met kracht twee maal tegen mijn linkerzijde van mijn gezicht werd geslagen. Gelijk hierop werd ik ook nog achterop mijn hoofd geslagen. Door deze klappen/stompen voelde ik op dat moment aan mijn gezicht en achterzijde van mijn hoofd. (…)
(pagina 37)
Ik kwam (het hof begrijpt op 9 oktober 2022) bij het [café] (gelegen aan [adres 2]) met een vriend aan en ik ging naar binnen.
(…)
V: Met wie was u die avond samen?
A: Met [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]). Mijn broertje (het hof begrijpt: [medeverdachte 2]) was al eerder naar het [café] gegaan die avond.
(…)
V: Uit de aangifte en de camerabeelden bleek dat u meneer [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) een vuistslag zou hebben gegeven in het gezicht. Kunt u daar verder nog iets over verklaren?
A: Ja, ik heb hem geslagen.
(…)
V: Met wat sloeg u meneer [slachtoffer 1] neer?
A: Met een vuist.
(…)
O: Ik heb op de beelden gezien dat u vlak nadat u meneer [slachtoffer 1] neersloeg, richting
meneer [slachtoffer 1] zijn zoon [slachtoffer 2] liep en [slachtoffer 2] sloeg.
V: Wat kunt u hierover verklaren?
A: Wat moet ik daarover zeggen. Hij was de aanstichter van alles.
V: Op welke wijze sloeg u [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2])?
A: Met de platte hand.
(…)
O: Na duw en trekwerk zag ik op de beelden dat u nog een keer op [slachtoffer 2] inliep en hem
nogmaals sloeg.
(pagina 53)
V: Klopt het dat je ongeveer op 02:58 iemand trapt tijdens dit incident (het hof begrijpt: het incident op 9 oktober 2022 op [adres 2])?
A: Dat kan best kloppen dat ik een trapje gaf.
V: Wat zie je hier op het beeld om 03:14 ?
A: Ik gaf hem (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]) een vlakke hand (…).
O: Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte een persoon slaat. Deze persoon betreft de jongen met de korte broek (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]).
Ik (…) keek op dinsdag 11 oktober 2022 (…) beelden uit. (…) Ik zag dat de beelden van deze camera, welke hing in de Steenbergsestraat ter hoogte van het zogenaamde café ' [café] , gevestigd in de genoemde straat.
(…)
Uit onderzoek bleek dat verdachte 1, de persoon die als eerste zichtbaar geweld gebruikte, was:
- [medeverdachte 1] ,
geboren op [geboortedag 2] 1973 te [geboorteplaats 2] ,
verder beschreven in dit proces als verdachte 1.
Uit onderzoek bleek dat de persoon die als verdachte 2 viel aan te merken, was:
- [verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1974 te [geboorteplaats 1] ,
verder aangeduid als verdachte 2.
Uit onderzoek bleek dat de persoon die als verdachte 3 viel aan te merken, was:
- [medeverdachte 2]
geboren op [geboortedag 3] 1979 TE [geboorteplaats 3] -
De slachtoffers bleken mij achteraf te zijn genaamd:
- [slachtoffer 1]
geboren op [geboortedag 4] 1974 te [geboorteplaats 4] ,
- [slachtoffer 2]
geboren op [geboortedag 5] 2001 te [geboorteplaats 5]
(…) Ik zag dat op seconde 3 van het fragment door de beschreven vrouw de deur van [café] (het hof begrijpt telkens: café [café]) werd geopend en dat er een blanke man naar buiten kwam. (…) Deze persoon bleek mij achteraf het slachtoffer [slachtoffer 2] te zijn. [slachtoffer 2] was door mij als volgt te omschrijven: een blanke man met kort donkerkleurig haar, gekleed in een shirt met lange mouwen. Ik zag dat op de voorzijde van het grijze shirt een niet verder te omschrijven opdruk stond. [slachtoffer 2] droeg verder een bodywarmer waarvan de voorzijde openstond. Ik zag verder dat hij een broek droeg met pijpen tot met over de knie en witte dan wel lichtkleurige schoenen. Ik zag dat [slachtoffer 2] enkele seconden bij de voordeur stond te praten met een persoon die uiteindelijk op seconde 19 van het filmfragment deels in het deurkozijn van [café] verscheen. Ik zag op seconde 32 van het filmfragment dat dit een blanke vrouw was met kort, donker haar, welke lichtkleurige bovenkleding droeg met daarover een donkerkleurige, lange jas. Ik zag dat de vrouw verder een lange broek droeg en donkerkleurige schoenen. (…) Deze vrouw bleek uit onderzoek de getuige [getuige] te zijn.
(…)
Op seconde 32 van het filmfragment komt [verdachte] in beeld. Hij staat dan in de deuropening van het café [café] . Van binnenuit verscheen hij in de deuropening. Ik zag dat [verdachte] een kaal hoofd had, geen bril droeg of zichtbare baardgroei had, een corpulent dan wel vadsig uiterlijk had, een donkerkleurig vest droeg met een soort van schoudertasje over de rechterschouder waarvan de tas zelf links op zijn lijf hing. Ik zag dat [verdachte] een donkerkleurige joggingbroek droeg en lichtkleurige sneakers.
Begin incident
Op seconde 24 van het filmfragment zag ik dat de man in de bodywarmer, slachtoffer [slachtoffer 2] , werd tegengehouden door de beveiliger. Ik zag dat zowel de beveiliger als de vrouw in het zwarte T-shirt tegen deze man praatten en dat de beveiliger met zijn rechterarm de man tegenhield. Ik zag dat [slachtoffer 2] weg liep van de deur van [café] in de richting van de kruising van de Steenbergsestraat met de Noordsingel. Ik zag dat hij op seconde 29 van het fragment zich omdraaide en terug naar [café] liep. Ik zag dat op dat moment de personen die voor [café] stonden, verlicht werden door een schijnsel. Ik zag dat er op seconde 30 een lichtkleurige personenauto in beeld verscheen. Ik zag dat deze uit de rijrichting van de eerder vermelde kruising Steenbergsestraat-Noordsingel kwam. Later werd zichtbaar - op 4 minuten en 51 seconden van het filmfragment - dat dit een Toyota was met het Nederlandse kenteken [kenteken] (Opmerking hof: op de beelden is te zien een Nissan Note) .
Ik zag dat de personenauto direct voor [café] stopte op het moment dat getuige [getuige] geheel buiten de deur van [café] stapte.
(…)
Rol verdachte 1 ( [medeverdachte 1] )
Op seconde 37 van het filmfragment zag ik dat verdachte 1 de Steenbergsestraat over stak en direct in gesprek ging met aangever [slachtoffer 1] . Ik zag dat hij [slachtoffer 1] direct met de linkerarm tegen de romp wegduwde en met hem in gesprek ging. Ik zag dat dit gesprek voor de neus van de personenauto van aangever [slachtoffer 1] plaats had en dat vanuit het camerazichtpunt direct rechts van verdachte 1 en aangever [slachtoffer 1] het buurmeisje [betrokkene] stond. Direct rechts van hen stonden slachtoffer [slachtoffer 2] en getuige [getuige] , op hun beurt weer geflankeerd door de beveiliger en verdachten 2 en 3 ( [verdachte] en [medeverdachte 2] ). Zichtbaar was dat aangever [slachtoffer 1] , al gebarende richting verdachte 2, in gesprek was met verdachte 1.
Ik zag dat op 1 minuut 22 van het filmfragment aangever [slachtoffer 1] in het gezicht werd gespuugd door verdachte 2, waarop verdachte 1 niet reageerde. Ik zag dat er een gesprek was tussen verdachte 2 en aangever [slachtoffer 1] , waarbij verdachten 1 en 3 bij [slachtoffer 1] stonden. Ik zag dat [getuige] zich ook in het gesprek mengde. Tussen 1 minuut 22 en 2 minuten 26 zag ik dat het gesprek met emoties gepaard ging, maar nog geen geweld.
Ik zag dat op 2 minuten en 27 seconden dat aangever [slachtoffer 1] aan de rechterzijde van verdachte 1 stond en een wijzende beweging maakte naar verdachte 2. Ik zag dat verdachte 1 met zijn rechterarm een wegduwende beweging maakte naar aangever [slachtoffer 1] . Ik zag dat het gesprek vanaf dat moment tot en met 2 minuten en 36 seconden tussen verdachte 1 en aangever [slachtoffer 1] liep, waarbij [slachtoffer 1] op 2 minuten en 37 seconden een duw kreeg van verdachte 1. Verdachte 1 fixeerde met zijn rechterhand duidelijk zichtbaar de linkerarm van [slachtoffer 1] op 2 minuten en 38 seconden van het filmfragment en deed dit op 2 minuten en 42 seconden nogmaals.
Verdachte wees bij de hernieuwde fixatie met zijn linkerarm zichtbaar in de richting van de verderop liggende kruising van de Steenbergsestraat met de Antoniusstraat. Op 2 minuten en 44 seconden zag ik verdachte 1 zich omdraaien waarbij hij met de rug naar de deur van [café] stond. Ik zag dat hij met zijn linkerhand de rechterarm van [slachtoffer 1] vasthield ter hoogte van de elleboog van [slachtoffer 1] . Ik zag dat op 2 minuten en 45 seconden verdachte 1 duidelijk zichtbaar ineens zijn rechterhand tot vuist balde, zijn rechtervuist omhoog bracht en zijn bovenlichaam iets naar achteren bracht. Ik zag dat verdachte vervolgens zijn rechtervuist met veel kracht in het aangezicht van [slachtoffer 1] sloeg, die daardoor achterover sloeg en op zijn rug op het wegdek van de Steenbergsestraat viel. Ik zag dat de klap van verdachte 1 er voor zorgde dat het lichaam van [slachtoffer 1] verstijfde. Ik zag dat de armen van [slachtoffer 1] geen enkel reflex vertoonden om zich op te vangen. Ik zag dat [slachtoffer 1] hard op de grond viel. Ik zag dat [slachtoffer 1] , toen hij een tel na de val op de rug op de grond lag, bij bewustzijn leek te komen. Ik zag dat hij een verdwaasde indruk maakte en op de rug bleef liggen.
(…)
Ik zag dat getuige [getuige] tussenbeide kwam, waarop verdachte 1 naar de linkerzijde van de personenauto liep. Ik zag dat hij daar direct naar slachtoffer [slachtoffer 2] liep
Ik zag dat verdachte 1 vervolgens direct [slachtoffer 2] 2 maal met een tussenpauze van ongeveer 5 seconden met rechter gebalde vuist in zijn gezicht sloeg. Dit was op 2 minuten en 53 seconden. (…) Ik zag dat [slachtoffer 2] bijna tegen de linkerzijde van de Toyota stond. Ik zag dat hij door de slag op het gezicht door verdachte 1 met kracht tegen de Toyota aan kwam en dat deze Toyota daardoor zichtbaar heen en weer schudde. Ik zag op 2 minuten en 57 seconden dat verdachte 1 (…) met de rechter vuist een slaande beweging richting [slachtoffer 2] maakte.
(…)
Ik zag op 3 minuten en 27 seconden, toen [slachtoffer 2] zijn vader, de op het wegdek zittende aangever [slachtoffer 1] , wilde helpen, verdachte 1 naar [slachtoffer 2] rende. Ik zag dat hij zijn rechterhand wederom tot vuist balde en dat hij zijn rechterarm naar achteren haalde. Ik zag dat verdachte met zijn rechtervuist vol uithaalde op het aangezicht van [slachtoffer 2] . (…) Ik zag dat verdachte 1 met de vuistslag [slachtoffer 2] wel raakte en dat de vuistslag met veel kracht werd gegeven.
(…)
Rol verdachte 2 ( [verdachte] )
Ik zag, zoals eerder omschreven in dit proces-verbaal, dat verdachte 2 op 1 minuut en 22 seconden [slachtoffer 1] in het gezicht spuugde. Ik zag dat hij zijn hoofd ietwat hief en vervolgens met het hoofd een spuwende beweging maakte in de richting van [slachtoffer 1] . Ik zag dat [slachtoffer 1] hierop het gezicht direct wegdraaide en met een hand door zijn haar wreef. Ik zag dat - na het moment van spugen door verdachte 2 en het tijdstip 2 minuten en 20 seconden - verdachte 2 veelvuldig aan het praten was op een opgewonden manier met veel gebaren met de linkerarm en -hand richting [slachtoffer 1] . Ik zag dat vanaf 2 minuten en 21 seconden tot en met 2 minuten en 42 seconden verdachte 2 met veel linkerarm en -handgebaren in discussie was met [slachtoffer 1] .
Ik zag dat verdachte 2 op het moment dat [slachtoffer 1] geslagen werd door verdachte 1 in de rug van verdachte 1 het conflict opzocht met [slachtoffer 2] . (…) Ik zag dat op 2 minuten en 55 seconden van het filmfragment, [slachtoffer 2] vanuit de uiterste linkerzijde van het camerabeeld door verdachte 2 werd geslagen. (…) Ik zag dat hij naar slachtoffer [slachtoffer 1] liep die op dat moment nog op de grond lag. Ik zag dat verdachte 2 met kracht met zijn rechter voet tegen het hoofd van [slachtoffer 1] schopte. Ik zag dat [slachtoffer 2] zijn vader [slachtoffer 1] trachtte te ontzetten door verdachte 2 een schop te geven ter hoogte van zijn billen. Ik zag dat verdachte 3 vervolgens met kracht en met rechter gebalde vuist [slachtoffer 2] in zijn gezicht sloeg. Ik zag dat [slachtoffer 2] door de kracht van deze klap naar achteren viel. Ik zag dat [getuige] trachtte tussen beiden te komen. Ik zag dat slachtoffer [slachtoffer 1] trachtte op te staan. Zoals eerder omschreven zag ik dat verdachte 1 naar [slachtoffer 2] stapte en hem krachtig met rechter gebalde vuist in zijn gezicht sloeg.
5. De eigen waarneming van het hof:
6. Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting d.d. 10 september 2024 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep:
ii. Immateriële schade ad € 6.500,00
Op enig moment heeft de verdachte [verdachte] in het gezicht van [slachtoffer 1] gespuugd. Aangever [slachtoffer 1] krijgt hierna uit het niets een harde klap met gebalde vuist tegen zijn gezicht, welke klap afkomstig is van [medeverdachte 1] . Hierop lopen [medeverdachte 1] en verdachte [verdachte] in de richting van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] wordt terstond door [medeverdachte 1] in het gezicht geslagen. Hierna haalt [medeverdachte 1] nog eenmaal uit in het gezicht van [slachtoffer 2] . Hieropvolgend stapte verdachte [verdachte] richting [slachtoffer 2] en raakt met een voorwaartse slaande beweging met zijn rechterarm het hoofd van [slachtoffer 2] , waardoor deze richting en tot vlakbij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wordt gedrongen. Vandaar wordt [slachtoffer 2] richting voorzijde van de Nissan [kenteken] weggeduwd waarna [medeverdachte 2] nog een schoppende beweging maakt in de richting van [slachtoffer 2] . Hierna maakt [medeverdachte 1] nog een slaande beweging richting [slachtoffer 2] , maar mist. Nadat verdachte [verdachte] de op de grond liggende [slachtoffer 1] tegen het hoofd heeft geschopt (en [slachtoffer 2] zich wil ontfermen over [slachtoffer 1] ) wordt [slachtoffer 2] wederom in zijn gezicht geslagen door [medeverdachte 2] en daarna nogmaals door [medeverdachte 1] .
Op 9 oktober 2022 was ik aanwezig in café [café] aan [adres 2] . Ik was met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . (…) Ik heb gezien dat [slachtoffer 2] werd geslagen. (…) Op enig moment ben ik op [slachtoffer 2] afgegaan (…) ik heb een beweging met mijn arm naar voren gemaakt richting hem. (…) Het klopt dat ik mij heb gemengd in het opstootje.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Aan de verdachte is als feit 1 thans onder meer tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] en het plegen van openlijk geweld jegens [slachtoffer 2] .
Feit 1 (poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] )
Uit de bewijsmiddelen volgt dat het de verdachte is geweest die tweemaal heeft getrapt met zijn geschoeide voet in de richting van het hoofd van [slachtoffer 1] . De verdachte heeft dit bekend en noch door hem noch namens hem is betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.
Het hof overweegt dat het tweemaal schoppen met geschoeide voet in de richting van het hoofd van een persoon, waarvan één schop in ieder geval raak is, reeds de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in zich bergt. Daarbij heeft te gelden dat voornoemde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht zijn op dat toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.
Mitsdien is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] .
Feit 2 (openlijke geweldpleging jegens [slachtoffer 2] )
Uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte [verdachte] en aangever [slachtoffer 2] elkaar in café [café] te Bergen op Zoom hebben getroffen. Bij de ingang naar het café is een opstootje ontstaan. Op enig moment heeft de verdachte [verdachte] in het gezicht van [slachtoffer 1] gespuugd. Aangever [slachtoffer 1] krijgt hierna uit het niets een harde klap met gebalde vuist tegen zijn gezicht, welke klap afkomstig is van [medeverdachte 1] . Hierop lopen [medeverdachte 1] en verdachte [verdachte] in de richting van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] wordt terstond door [medeverdachte 1] in het gezicht geslagen. Hierna haalt [medeverdachte 1] nog eenmaal
uit naar het gezicht van [slachtoffer 2] . Hieropvolgend werd [slachtoffer 2] door verdachte [verdachte] met zijn rechterarm in een voorwaartse slaande beweging wederom tegen het hoofd geraakt. Te zien op de beelden hierna is dat [slachtoffer 2] richting [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wordt gedrongen en tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in komt te staan, waarna hij wordt weggeduwd. Daarbij maakt [medeverdachte 2] nog een schoppende beweging in de richting van [slachtoffer 2] en [medeverdachte 1] maakt hierna nog een slaande beweging richting [slachtoffer 2] . Nadat verdachte [verdachte] , [slachtoffer 1] in het gezicht heeft geschopt wordt [slachtoffer 2] wederom in zijn gezicht geslagen door [medeverdachte 2] en daarna nogmaals door [medeverdachte 1] .
Voor een veroordeling ter zake van openlijke geweldpleging als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht is onder meer vereist dat het geweld ‘in vereniging’ is gepleegd. Van zulks plegen is sprake indien en voor zover er een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld is geleverd (HR 11 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6209, HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AM0208, NJ 2004/144; HR 13 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5755, NJ 2006/449 en HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1328). Het dient daarbij te gaan om een materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht aan het openlijk in vereniging gepleegde geweld (HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3029). Voor een significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld is echter niet vereist dat de deelnemers gelijktijdig aan het geweld zijn begonnen (vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132). Daarbij heeft te gelden dat de enkele omstandigheid dat de dader de groep getalsmatig versterkt ‘niet zonder meer’ een voldoende significante of wezenlijke bijdrage oplevert. Dat geldt eveneens voor het enkele niet-distantiëren (vgl. HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1819, NJ 2011/519 en HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1328). Het is niet vereist dat de dader zelf geweld pleegt of daaraan fysiek deelneemt. Van een significante en wezenlijke bijdrage kan eveneens sprake zijn wanneer verdachte, zonder aan de geweldpleging deel te nemen, die geweldpleging heeft ‘bevorderd en wellicht zelfs uitgelokt’ (HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0132, NJ 2011/174).
Voldoende is dat degene die zelf geen geweld heeft gepleegd opzet op het in vereniging plegen van openlijk geweld heeft gehad, en daaraan een voldoende significante bijdrage heeft geleverd (Kamerstukken II 1998/99, 26519, 3, p. 6). De dader dient zich aldus te manifesteren als lid van een groep die openlijk geweld pleegt, bijvoorbeeld door aan die groep ‘vocale, intellectuele of andere bijdragen’ te leveren (Kamerstukken II 1998/99, 26519, 3, p. 4). Bij geweldshandelingen binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan ontstaan samenwerkingsverband kan uit de omstandigheid dat de betrokkene zich ervan bewust was dat ook anderen deelnamen aan de openlijke geweldpleging worden afgeleid dat verdachte opzet had op het in vereniging plegen van geweld (HR 27 september 2016, NJ 2016/437).
Het hof overweegt dat de beschreven geweldshandelingen elkaar in een snel tempo opvolgden. Te zien is dat de ‘groep’ bestaande uit [verdachte] en de beide broers [medeverdachte 1] telkenmale achter [slachtoffer 2] aan lijken te gaan. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte op onmiskenbare wijze onderdeel uitgemaakt van een geweldsgolf jegens (onder meer) [slachtoffer 2] , en heeft hij zich blijkens zijn gedragingen gevoegd bij de door hem waargenomen geweldshandelingen van zijn mededaders en heeft zich na de eerste klappen opgedrongen richting [slachtoffer 2] waarbij hij met een voorwaartse slaande beweging met zijn rechter arm die [slachtoffer 1] ook heeft geraakt. De stelling van de verdachte dat hij [slachtoffer 2] niet heeft geslagen, vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat hij, anders dan door de verbalisant is geverbaliseerd, [slachtoffer 2] niet heeft geraakt, hoewel op de beelden wel is waar te nemen dat zijn gestrekte arm richting [slachtoffer 2] gaat. Het hof is echter van oordeel dat, ook al zou de stelling van de verdachte worden gevolgd dat hij slechts een beweging met zijn arm richting [slachtoffer 2] zou hebben gemaakt, dit eveneens, gelet op de wijze waarop hij zich in het conflict heeft gemengd en alle omstandigheden zoals bovenbeschreven tezamen genomen, een voldoende significante en wezenlijke bijdrage oplevert aan het richting [slachtoffer 2] gepleegde openlijke geweld.
Het hof is mitsdien van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens [slachtoffer 2] .
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
poging tot zware mishandeling.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en openlijke geweldpleging jegens een persoon. Deze feiten zijn gepleegd in het uitgaansleven in Bergen op Zoom, pal voor een vol café. Het hof overweegt dat feiten als deze voor de slachtoffers ervan - naast fysieke malheur - een mentale klap veroorzaken. Feiten als deze laten meer dan eens angstgevoelens bij de slachtoffers ervan achter. Daarenboven doen feiten als deze afbreuk aan het collectieve veiligheidsgevoel in het uitgaansleven.
Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij blijkens zijn houding op de terechtzitting weinig inzicht lijkt te hebben in de strafwaardigheid van zijn handelen, met name met betrekking tot de openlijke geweldpleging.
Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte d.d. 12 juli 2024, waaruit volgt dat de verdachte eerder - weliswaar in een al wat verder verleden – meermaals onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten, welke veroordelingen hem er kennelijk niet van hebben weerhouden om zich daaraan opnieuw schuldig te maken. Daarenboven volgt uit voornoemd uittreksel dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht toepassing vindt.
Het hof acht gelet op het vorenstaande de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 34 dagen onvoorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden.
Aan de voorwaardelijke veroordeling zal het hof als bijzondere voorwaarden een locatie- en contactverbod koppelen, zoals in het dictum vermeld.
Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De door de benadeelde partij [slachtoffer 1] in eerste aanleg ingestelde vordering bedroeg in totaal € 15.649,75, bestaande uit € 9.149,75 materiële schade en € 6.500,00 immateriële schade. De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade.
De benadeelde partij heeft op 25 oktober 2023 middels een wensenformulier schriftelijk te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij echter te kennen gegeven dat hij de vordering wenst te verlagen met € 1.403,00 tot een bedrag van € 14.246,75.
Het hof heeft aldus te beslissen op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , voor zover deze € 14.246,75 bedraagt. Deze vordering valt uiteen in de volgende deelposten:
i. Materiële schade ad € 7.746,75
a. Verlies arbeidsvermogen ad € 5.115,00
b. Aanschaf beveiligingscamera’s ad € 2.631,75
Posten i.a en i.b verlies arbeidsvermogen en aanschaf camera’s
Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding is het hof op basis van de thans voorliggende gegevens onvoldoende in staat een afgewogen oordeel te geven over de vraag of ook dat deel van de schade door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. Het inwinnen van de benodigde informatie op dat punt zou een nadere terechtzitting vergen en daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Het hof zal daarom bepalen dat de vordering ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
ii. Immateriële schade
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich jegens de benadeelde partij [slachtoffer 1] schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling, waardoor [slachtoffer 1] pijn en letsel (met name aan zijn hoofd en aan zijn gehoor) heeft bekomen en nadeel ondervindt in de vorm van concentratie- en geheugenproblemen. In zoverre is er sprake van de grond als bedoeld in artikel 6:106 lid 1, sub b van het Burgerlijk Wetboek. Het hof acht de toewijzing van een bedrag van € 1.500,00 naar de maatstaven van billijkheid toewijsbaar. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 1.500,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op
te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van 25 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [getuige]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding is het hof op basis van de thans voorliggende gegevens onvoldoende in staat een afgewogen oordeel te geven over de vraag of ook dat deel van de schade door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. Het inwinnen van de benodigde informatie op dat punt zou een nadere terechtzitting vergen en daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Het hof zal daarom bepalen dat de vordering niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.000,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich jegens de benadeelde partij [slachtoffer 2] schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging, waardoor [slachtoffer 1] pijn en letsel (met name aan het hoofd) heeft bekomen en nadeel heeft ondervonden in de vorm van duizeligheid, hoofdpijn en concentratie- en visusklachten. In zoverre is er sprake van de grond als bedoeld in artikel 6:106 lid 1, sub b van het Burgerlijk Wetboek. Het hof acht de toewijzing van een bedrag van € 1.000,00 naar de maatstaven van billijkheid hoofdelijk toewijsbaar. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.
Hoofdelijkheid mededader(s)
Tot vergoeding van de schade zijn naast de verdachte ook de mededaders gehouden. Zij zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn betalingsverplichting.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 2] is toegebracht tot een bedrag van € 1.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op
te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van 20 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis
Aangezien het hof tot de oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf komt, waarvan het onvoorwaardelijke deel na aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht reeds is uitgezeten door de verdachte, acht het hof geen verdere termen (meer) aanwezig om de voorlopige hechtenis te continueren. Mitsdien zal het hof het reeds geschorste bevel, strekkende tot voorlopige hechtenis opheffen.
Opheffing van het bevel tot dadelijke uitvoerbaarverklaring van de bijzondere voorwaarden
Nu het hof de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar zal verklaren, zal het door de rechtbank gegeven bevel dat daartoe strekt worden opgeheven.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 63, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 meer subsidiair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 86 (zesentachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarde dat het de verdachte gedurende de volledige proeftijd verboden is (direct of indirect) contact te leggen of te laten leggen met:
stelt als bijzondere voorwaarde dat het de verdachte gedurende de volledige proeftijd verboden is zich te bevinden binnen een straal van 100 meter van het adres [adres 3] ;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) bestaande uit vergoeding van de immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2022 tot aan de dag der voldoening;
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van €5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade af;
verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige (betreffende de materiële schade ter hoogte van € 7.746,75) niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2022 tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
Vordering van de benadeelde partij [getuige]
verklaart de vordering van de benadeelde partij [getuige] tot vergoeding van immateriële schade (ter hoogte van € 5.000,00) niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2022 tot aan de dag der voldoening en bepaalt dat de verdachte met zijn/haar mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2022 tot aan de dag der voldoening.
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
heft op het reeds geschorste bevel strekkende tot voorlopige hechtenis;
heft op het door de rechtbank gegeven bevel strekkende tot de dadelijke uitvoerbaarverklaring van de opgelegde bijzondere voorwaarden.
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. W.F. Koolen en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. van den Akker, griffier,
en op 24 september 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.