Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 2 november 2021, in de strafzaak met parketnummer 03-700004-20 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1989,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van ‘verkrachting’ (feit 1) en ‘bedreiging met enige misdrijf tegen het leven gericht’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] is toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige deel afgewezen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van gronden en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman met betrekking tot feit 1 voorwaardelijk verzocht om het benoemen van een deskundige. Meer subsidiair, indien het hof komt tot een bewezenverklaring en het voorwaardelijk verzoek afwijst, is een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman primair bepleit dat de - zo begrijpt het hof - benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en subsidiair verzocht om de schadevergoeding te matigen tot € 5.000,- en de benadeelde partij voor het overige gedeelte niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering dan wel het overige gedeelte (surplus genoemd) niet-ontvankelijk te verklaren.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 14 juli 2018 tot en met 15 juli 2018 in de gemeente Landgraaf en/of in de gemeente Heerlen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hieruit dat hij, verdachte,
- die [slachtoffer] heeft doen instappen in een personenauto en/of
- zich met die [slachtoffer] naar zijn, verdachtes, woning heeft laten brengen en/of
- aldaar tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat zij uit moest stappen en/of met hem, verdachte, mee moest gaan naar zijn woning en/of dat hij wat spullen uit zijn woning moest pakken en/of wat wilde drinken en/of die [slachtoffer] daarna naar de camping zou brengen en/of
- in die woning (onverhoeds) de string van die [slachtoffer] omlaag heeft getrokken en/of de jurk van die [slachtoffer] omhoog heeft gedaan en/of
- ( onverhoeds) op die [slachtoffer] is gaan liggen en/of blijven liggen en/of
- ( onverhoeds) zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] heeft geduwd en/of gebracht en/of
- toen die [slachtoffer] tegen hem, verdachte, zei dat hij moest stoppen en/of dat zij wilde gaan lopen naar de camping en/of (vervolgens) opstond en weg wilde gaan, (onverhoeds) die [slachtoffer] (met kracht) aan de haren heeft teruggetrokken (op/naar de bank) en/of
- ( wederom) (onverhoeds) op die [slachtoffer] is gaan liggen en/of blijven liggen en/of (wederom) zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] heeft geduwd en/of gebracht;
2.hij op of omstreeks 7 januari 2020 in de gemeente Heerlen, in elk geval in Nederland, de persoon die tegen hem, verdachte, aangifte heeft gedaan (te weten [slachtoffer] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (kort na zijn, verdachtes, aanhouding) tegen verbalisant [verbalisant 1] (brigadier van Politie Eenheid Limburg) dreigend te zeggen: "Degene die aangifte tegen mij gedaan heeft, zodra ik vrij ben, ga ik een wapen halen en dan schiet ik diegene af.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij in de periode van 14 juli 2018 tot en met 15 juli 2018 in de gemeente Heerlen door geweld en een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheid hieruit dat hij, verdachte,
- in die woning onverhoeds de string van die [slachtoffer] omlaag heeft getrokken en de jurk van die [slachtoffer] omhoog heeft gedaan en
- onverhoeds op die [slachtoffer] is gaan liggen en blijven liggen en
- onverhoeds zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] heeft geduwd en gebracht en
- toen die [slachtoffer] tegen hem, verdachte, zei dat hij moest stoppen en dat zij wilde gaan lopen naar de camping en vervolgens opstond en weg wilde gaan, die [slachtoffer] met kracht aan de haren heeft teruggetrokken op de bank en
- wederom op die [slachtoffer] is gaan liggen en blijven liggen en wederom zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] heeft geduwd en gebracht;
2.
hij op 7 januari 2020 in de gemeente Heerlen de persoon die tegen hem, verdachte, aangifte heeft gedaan (te weten [slachtoffer] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door (kort na zijn, verdachtes, aanhouding) tegen verbalisant [verbalisant 1] (brigadier van Politie Eenheid Limburg) dreigend te zeggen: "Degene die aangifte tegen mij gedaan heeft, zodra ik vrij ben, ga ik een wapen halen en dan schiet ik diegene af.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Feit 1
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 juli 2018, dossierpagina’s 56-57, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
(pagina 56)
Op 15 juli 2018 omstreeks 01.00 uur werden wij gestuurd naar café [café] aan [adres 2] . Aldaar zou een meisje binnen zitten dat aangaf verkracht te zijn. Wij gingen ter plaatse en spraken met het slachtoffer. Het slachtoffer bleek te zijn [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] .
Wij hoorden dat [slachtoffer] aangaf dat zij samen met een vriendin en de rest van de vriendengroep op het festival [festival] was geweest. Het was de bedoeling dat zij samen met de vriendengroep zou overnachten op festivalcamping [camping] te Heerlen. Zij was een op een gegeven moment haar vriendin, [getuige 4] , en de rest van de groep uit het oog verloren. [getuige 4] had de telefoon van [slachtoffer] waardoor zij niet kon bellen. Op een gegeven moment werd [slachtoffer] aangesproken door een jongen . [slachtoffer] is vervolgens in een auto gestapt. Er zaten nog drie jongens in de auto. Zij kende alle inzittenden van de auto niet.
Wij hoorden dat [slachtoffer] zei dat de auto wegreed en ergens in Heerlen stopte. Wij hoorden dat ze zei dat de jongen die haar in eerste instantie had aangesproken, haar vroeg uit te stappen en mee te gaan naar binnen zodat hij daar haar vrienden kon bellen. Hij gaf aan dat [slachtoffer] hem kon vertrouwen.
Wij hoorden dat [slachtoffer] zei dat de jongen haar binnen begon te betasten en dat hij haar jurkje omhoogtrok. [slachtoffer] gaf aan meerdere keren gezegd te hebben dat zij dit niet wilde en dat hij moest stoppen. Ook zou de jongen bij haar zijn binnengedrongen. Wij hoorden dat ze zei dat ze opstond en dat de jongen haar aan haar haren terug op de bank trok.
[slachtoffer] gaf aan doodsbang te zijn geweest en constant te hebben gezegd dat ze dit niet wilde. Als excuus zei zij dat zij heel erg naar het toilet moest, waarna de jongen dit toestond. Zij sloot de toiletdeur waarna de jongen op de deur bonkte en aangaf dat hij ook van het toilet gebruik moest maken. Op het moment dat de jongen op het toilet zat, heeft [slachtoffer] kans gezien om te vluchten.
Wij hoorden dat [slachtoffer] zei dat ze vervolgens (pagina 57) rechtsaf rende en aan dezelfde kant van de straat bleef. Bij het eerste huis waar zij licht zag branden belde zij aan. Een oude vrouw zou hebben gezegd dat zij de voordeur niet opende en dat [slachtoffer] voor hulp door moest rennen naar het café op de hoek, café [café] .
Vanuit het café werd de politie gebeld.
2. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 18 juli 2018, dossierpagina’s 59-65, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :
(pagina 59)
Informatief gesprek met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] .
Datum en tijd gesprek: 15 juli 2018 om 04.00 uur.
Wat is er globaal gebeurd:
[slachtoffer] is op 14 juli 2018 naar het festival [festival] geweest met een vriendengroep. [slachtoffer] zou vanuit [festival] naar een camping in Heerlen gaan waar ze vannacht met de hele groep zou blijven slapen. [slachtoffer] is met een jongen meegegaan naar een auto op de parkeerplaats bij het festivalterrein.
In deze auto zaten drie jongens , een chauffeur en twee passagiers op de achterbank. [slachtoffer] is met de jongen die zij was tegengekomen voorin op de passagiersstoel gaan zitten. [slachtoffer] is met de jongen bij een huis afgezet. Daar zijn alleen [slachtoffer] en de jongen die met haar op de passagiersstoel zat, uitgestapt.
(pagina 60)
De jongen zei dat hij thuis wat moest ophalen en dat ze daarna naar de camping zouden gaan. [slachtoffer] is met de jongen mee naar boven gegaan. [slachtoffer] is op de bank gaan zitten. [slachtoffer] heeft eerst een sigaretje gerookt en daarna begon de jongen haar meteen op haar mond te kussen. Dit was ongeveer na 3 à 4 minuten. In eerste instantie ging [slachtoffer] erop in, maar toen had [slachtoffer] het gevoel dat de jongen meer wilde. Toen heeft [slachtoffer] gezegd dat ze dat niet wilde en dat ze naar de camping wilde naar de rest van de groep. De jongen zei dat ze dadelijk naar de camping zouden gaan. Hij heeft haar jurkje omhoog gedaan en haar string omlaag gedaan. De jongen is toen met zijn geslachtsdeel naar binnen gegaan bij [slachtoffer] . Toen heeft [slachtoffer] gezegd dat ze dat niet wilde en dat hij moest stoppen en dat hij haar naar de camping moest brengen.
De jongen heeft gezegd dat hij zou stoppen. Maar toen [slachtoffer] overeind kwam en opstond, trok de jongen haar aan haar haren terug. Toen [slachtoffer] weer op de bank lag, ging de jongen weer verder en had hij weer zijn geslachtsdeel bij [slachtoffer] naar binnen gebracht. Toen heeft [slachtoffer] de jongen weer van zich afgeduwd en gezegd dat ze naar de wc moest. [slachtoffer] hield de jongen aan het lijntje door te zeggen dat ze weer naar hem terug zou komen. [slachtoffer] zei dat omdat ze bang was dat hij haar pijn ging doen. [slachtoffer] is naar de wc gegaan, maar heeft niet geplast. Op de wc was ze aan het bedenken hoe ze weg zou kunnen komen. De jongen klopte vervolgens op de deur en zei dat ze open moest doen. [slachtoffer] heeft de deur opengedaan. [slachtoffer] zei tegen de jongen dat hij net gezegd had dat hij ook naar de wc moest, dus dat hij dat nu maar moest doen en dat zij op hem zou wachten. De jongen ging toen naar de wc. [slachtoffer] heeft toen meteen de voordeur geopend en is naar buiten gegaan. Ze heeft toen bij een huis waar nog licht brandde aangebeld. Hier woonde een oudere vrouw die [slachtoffer] niet heeft binnengelaten maar heeft gezegd dat ze naar een café verderop kon lopen.
De jongen is vaginaal bij [slachtoffer] naar binnen gegaan. Hij heeft daarbij geen condoom gebruikt.
(pagina 63)
[slachtoffer] heeft pijn op het achterhoofd, waar aan haar haren is getrokken.
3. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 18 juli 2018, dossierpagina’s 67-79, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :
(pagina 67)
V: Vraag verbalisanten
A: Antwoord aangeefster
O: Opmerking verbalisanten
(pagina 68)
V: Waarvan doe je aangifte?
A: Verkrachting.
V: Wanneer heeft de verkrachting plaatsgevonden?
A: De nacht van zaterdag op zondag, van 14 op 15 juli 2018.
V: Waar heeft de verkrachting plaatsgevonden?
A: Ik heb via streetview gekeken om te zien of ik wat herkende van de route die ik naar het café heb afgelegd. Ik denk dat het aan [adres 3] is geweest, [adres 3] .
(pagina 70)
O: Over de zaak hebben wij nog een aantal vragen.
V: Kun je nog eens vertellen wat er is gebeurd?
A: Ik ben zaterdag naar festival [festival] gegaan. Het was gezellig, maar op het laatst was ik iedereen kwijt. Er kwam toen een jongen naar mij toe, die samen met drie anderen was. Ik zag toen dat anderen al naar buiten liepen en dacht dat het afgelopen was. Ik ben toen met hun meegelopen en in de auto gestapt.
V: Hoe ging het verder?
A: Een van de jongens was de chauffeur. Ik zat op de passagiersstoel samen met die ene jongen . De andere twee jongens zaten achterin. We zijn naar een huis toegereden. Ik moest daar uitstappen samen met de jongen op de passagiersstoel. De anderen bleven in de auto zitten.
V: Je bent dan met die jongen meegegaan?
(pagina 71)
A: Ja.
V: En dat is dezelfde die je aansprak op het festival?A: Ja.
V: En hoe gaat het dan bij de deur?
A: Hij heeft de deur met sleutels opengemaakt. We zijn naar binnen gegaan en naar boven gelopen. Ik ben op de bank gaan zitten. Hij kwam erbij zitten. Ik heb toen een sigaret gerookt.
V: Waarom gingen jullie die woning eigenlijk in?
A: Hij moest wat spullen pakken en wilde wat drinken en daarna zouden we naar de camping gaan. Ik heb ook boven nog eens tegen hem gezegd dat ik naar de camping wilde. Eerst zei hij dat we zou zouden gaan.
V: Op welke manier kuste hij jou?
A: Hij zoende mij met zijn tong.
V: Hoe reageerde jij daar op?
A: Ik schrok er super erg van. Ik wist even niet wat er gebeurde. Hij heeft toen mijn string omlaag getrokken en mijn jurkje wat omhoog. Ik heb met mijn arm nog geduwd, maar ik weet nog dat ik geen kracht had. Toen opeens had ik door dat hij dus bij mij naar binnen is gegaan.
V: Waar is hij bij je binnen gegaan?
A: Van voren. Bij mijn vagina.
V: Waarmee is hij naar binnen gegaan in je vagina?
A: Met zijn lul.
(pagina 72)
V: Hij ging met zijn lul in je vagina. Hoe was zijn kleding toen?
A: Ik weet het niet. Ik weet alleen dat hij boven op me lag.
V: Hoe was jij op de bank?
A: Ik zat een beetje onderuitgezakt.
V: Hij doet dan jouw string uit. Hoe ging dat?
A: Hij trok hem gewoon omlaag.
V: Wat zei jij?
A: Dat ik dat niet wilde en dat hij moest stoppen.
V: Wat deed hij toen?
A: Op dat moment ging hij nog verder tot hij in me zat.
V: Hij zit met zijn lul in jouw vagina. Wat doet hij dan?A: Op en neer bewegen.
V: Hoe kwam het dat hij op dat moment stopte?A: Ik zei dat hij moest stoppen en dat ik naar de camping wilde. Hij is toen gestopt en op de bank gaan zitten. Ik zei toen dat hij me nu moest brengen. Hij zei dat ik dan maar moest gaan lopen.
V: Wat zag je aan hem?A: Op het moment dat ik opstond en weg wilde gaan werd hij heel boos en heeft hij me aan mijn haren teruggetrokken en ging hij weer verder. Toen ik stop riep, zei hij dat ik hem ertoe had gedwongen om mij zo te behandelen. Ik schrok dat hij zo giftig werd. Hij had het vuur in zijn ogen staan.
(pagina 73)
V: Waaraan merkte jij dat hij opeens zo boos werd?A: De kracht waarmee hij me terugtrok. Zijn stem was ook heel anders. Ik schrok daar heel erg van.
V: Hij trok je aan je haren en ging toen verder. Waarmee ging hij verder?
A: Met zijn lul in mijn vagina.
4. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 maart 2019, dossierpagina’s 89-91, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
(pagina 89)
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord aangeefster
O: Opmerking verbalisanten
O: Ik wilde je graag als getuige horen over hetgeen is gebeurd op het terras bij café [café] in Heerlen in de nacht van 14 juli 2018 op 15 juli 2018. Toen is er een vrouw op het terras aldaar gekomen die met jouw telefoon heeft mogen bellen. Wat kun je me daarover vertellen?A: Ik zat op het terras bij [café] . Op een gegeven moment kwam er een meisje aangerend. Ze was helemaal in paniek en kreeg er bijna geen woord uit. Ze huilde en haar make-up was helemaal doorlopen. Ze wilde iets vertellen, maar er kwam niets uit ze was aan het hyperventileren. We zijn met haar naar binnengegaan en naar de wc gegaan. Ze gaf aan dat ze bang was dat ze haar zouden zien. We hebben haar iets laten drinken en haar gezicht een beetje verfrist. Toen werd ze iets rustiger en vertelde ze dat ze op het (pagina 90) festival [festival] was geweest, dat ze was meegenomen door meerdere jongens en daarna door één verkracht in een pand vlakbij waar ze was kunnen wegkomen en naar het café was komen rennen.
Ze wees dat het pand om de bocht was en dan onder in de straat. Zoals ze het me uitlegde moest dat het pand naast de “Gym” zijn in de [adres 3] .
5. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 15 maart 2019, dossierpagina’s 96-97, voor zover inhoudende als verhoor van [getuige 2] :
(pagina 96)
Op zaterdag of zondag ergens in juli 2018 werd omstreeks 00.30-01.00 uur aangebeld (het hof begrijpt: bij de woning van [getuige 2] aan [adres 4] ). Als u zegt dat dit in de nacht van 14 juli op 15 juli 2018 was dan kan dat kloppen. Ik liep naar de voordeur en schoof het gordijn aan de kant. Ik zag dat er een vrouw bij ons in de portiek voor onze deur stond. Ze zei tegen mij: “Ik word belaagd, ze zitten achter me aan”. Ik zei: “Ik doe niet meer open, loop maar om de hoek dat café is nog open”. Toen is ze weggelopen richting het café.
6. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 november 2019, dossierpagina’s 98-101, voor zover inhoudende als verhoor van [getuige 3] :
(pagina’s 98-99)
Opmerking verbalisanten: U wordt gehoord als getuige naar aanleiding van de aangifte die is gedaan door een jonge vrouw ter zake verkrachting, in 2018 gepleegd te Heerlen.
Ik ben uitbater van café [café] in Heerlen.
Ik kan me het voorval nog wel herinneren. Ik weet dat ze een jonge blonde vrouw was tussen de 20-25 jaar.
Ze kwam aan lopen en maakte een verwarde indruk op me. Klanten hebben een arm om haar heen gelegd en ik heb de politie gebeld.
7. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 december 2019, dossierpagina’s 102-106, voor zover inhoudende als verhoor van [getuige 4] :
(pagina 102)
V: Vraag verbalisanten
A: Antwoord aangeefster
O: Opmerking verbalisant
(pagina 103)
V: Vertel eens alles wat je weet van hetgeen waar [slachtoffer] aangifte tegen heeft gedaan?A: In juli vorig jaar gingen we naar het festival [festival] . De vuurwerkshow was om 00.00 uur afgelopen. Ik werd gebeld door iemand van de politie. Ik hoorde een vrouwelijke stem die vroeg of ik de vriendin van [slachtoffer] was. Ik zei “Ja” en toen zei ze dat [slachtoffer] ergens verkracht was en naar een café was gerend en dat de politie was gebeld. De politie zei aan de telefoon dat ze mij kwamen halen op de camping.
Ik werd ook gebeld. [slachtoffer] belde. [slachtoffer] klonk neergeslagen en huilde.
(pagina 105)
V: Wat zei [slachtoffer] precies toen zij jou belde?A: Ik vroeg hoe het met haar was. Ik hoorde dat ze huilde en ze zei dat ze bang was.
8. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 december 2019, dossierpagina’s 107-112, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 5] :
(pagina 107)
V: Vraag verbalisanten
A: Antwoord aangeefster
O: Opmerking verbalisant
(pagina 110)
V: Door wie werd u op de hoogte gebracht?
A: Door de politie.
V: Wanneer hoorde u dit?A: ’s-Nachts, vlak nadat het gebeurd was, hoorde ik dit. Ze was weggerend naar een café en rond 2.00 uur ben ik op de hoogte gebracht en toen naar Heerlen gereden. Ik ben daar op het bureau gekomen en daar zat [slachtoffer] met doorgelopen mascara. Daarna zijn we naar het ziekenhuis in Roermond gegaan en daar heeft zij onderzoeken gehad.
V: Wat zei [slachtoffer] toen u bij haar kwam?A: Niks, ze was alleen maar aan het huilen.
9. Een geschrift, te weten een ‘onderzoeksrapport zedendelict’ en ‘lichaamsbemonsteringen’, ingevuld door forensisch arts dr. [arts] op 15 juli 2018, dossierpagina’s 116-133 in combinatie met de bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] , neergelegd in het relaas proces-verbaal, dossierpagina 9, voor zover inhoudende:
(pagina 9, relaas proces-verbaal)
Op 15 juli 2018 werd oor de Forensische Arts, dr. [arts] , een lichte zwelling op het achterhoofd van [slachtoffer] waargenomen. Dit omschreef hij in het onderzoeksrapport zedendelict.
Bron: Onderzoeksrapport zedendelict zie pagina 116 t/m 133
(pagina 117, 2. onderzoeksrapport zedendelict)
Datum onderzoek: 15 juli 2018.
Set afgenomen bij [slachtoffer] , geboren te [geboortedatum] .
(pagina 120, 3C. Lichaamsbemonsteringen Deel 1/2)
Bemonsteringen vagina
Vagina bemonsterd Ja
Buitenste schaamlippen swab nr: 1
Binnenste schaamlippen swab nr: 2
Diep vaginaal swab nr: 3
(pagina 121, 3C. Lichaamsbemonsteringen Deel 2/2)
Overige lichaamsbemonsteringen uitgevoerd
Overige lichaamsbemonsteringen Ja Mond buitenkant swab nr: 4
Mond binnenkant swab nr: 5
(pagina 124, Verklaring onderzoek zedendelicten, Volwassene – Achterzijde lichaam en hoofd/bovenzijde hoofd/onderzijde voeten)
Lichte zwelling op het achterhoofd.
10. Het proces-verbaal aanvraag DNA-onderzoek sporen en benoeming DNA-deskundige d.d. 12 juli 2019, dossierpagina’s 144 -voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 7] :
(pagina 144)
Op zondag 15 juli 2018 werd melding gedaan van verkrachting te Heerlen.
Aangeefster/Slachtoffer
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Geboren: [geboortedatum]
Geslacht: vrouw
Hierbij zijn in het kader van de waarheidsvinding stukken van overtuiging veiliggesteld en inbeslaggenomen, waaronder biologische sporen. Deze stukken van overtuiging lenen zich voor DNA-onderzoek.
Aan de volgende stukken van overtuiging dient DNA-onderzoek te worden verricht:
(pagina 145)
SIN : ZAAC9298NL
Object : Zedenkit
Land : Nederland
Datum onderzoek : 15 juli 2018
SIN : WAAB4680NL
Soort : Biologisch
Spooromschrijving : Referentiemonster wangslijmvlies
Datum afname : 13 februari 2019
Afgenomen bij : [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum]
In het belang van het opsporingsonderzoek is het noodzakelijk dat ide in deze aanvraag genoemde stukken van overtuiging worden onderzocht ter bepaling van en vergelijking met DNA-profielen.
11. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 31 oktober 2019, dossierpagina’s 148-152, opgemaakt door NFI-deskundige DNA-analyse en
-interpretatie – bronniveau dr. ir. [arts 2] , voor zover inhoudende:
(pagina 148)
Onderzoeksset zedendelicten ZAAC9298NL van [slachtoffer] .
Het onderzoeksmateriaal betreft bemonsteringen van de buitenste schaamlippen, de binnenste schaamlippen, diep vaginaal en van de buitenkant en binnenkant van de mond.
(pagina 149)
Resultaten, interpretatie en conclusie
Van het referentiemonster van slachtoffer [slachtoffer] is een DNA-profiel verkregen. Dit DNA-profiel is vergeleken met de DNA-profielen van de bemonsteringen. Naar aanleiding van een match in de Nederlandse databank voor strafzaken (zie ‘DNA-databank’) is het DNA-profiel van [verdachte] (geboren op [geboortedag 1] 1989) betrokken bij het vergelijkend onderzoek. In tabel 1 staat vermeld van wie het DNA op grond van het vergelijkend DNA onderzoek afkomstig kan zijn.
Tabel 1
SIN DNA kan afkomstig zijn van
ZAAC9298NL#03 - [slachtoffer]
(diep vaginaal) - [verdachte]
SINDNA kan afkomstig zijn van
ZAAC9298NL#04 - [slachtoffer]
(buitenkant van de mond) - [verdachte]
- Minimaal één onbekende man
(pagina 150)
Hypothese 1: De bemonstering bevat DNA van slachtoffer [slachtoffer] en [verdachte] .
Hypothese 2: De bemonstering bevat DNA van [slachtoffer] en één onbekende persoon.
Het verkregen DNA-mengprofiel ZAAC9298NL#03 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.
Hypothese 3: De bemonstering bevat DNA van slachtoffer [slachtoffer] , [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon.
Hypothese 4: De bemonstering bevat DNA van [slachtoffer] en twee willekeurige onbekende personen.
Het verkregen DNA-mengprofiel ZAAC9298NL#04 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 3 waar is, dan wanneer hypothese 4 waar is.
Feit 2
12. Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 7 januari 2020, dossierpagina's 14-15, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 8] , hoofdagent van politie, en [verbalisant 1] , brigadier van politie:
(pagina 14)
Op dinsdag 7 januari 2020 waren wij belast met incidentenafhandeling in het politiedistrict Heerlen. Wij waren in uniform gekleed en verplaatsten ons in een zodanig herkenbaar voertuig van politie Nederland.
Wij reden samen met collegae naar het adres [adres 3] in verband met de aanhouding buiten heterdaad van [verdachte] van [geboortedag 1] 1989 in [geboorteplaats] ter zake van vermoedelijke overtreding van artikel 242 Wetboek van Strafrecht. Om 07:04 uur kwamen wij ter plaatse op het adres [adres 3] . Nadat wij aangeklopt hadden, werd de voordeur geopen. Wij verbalisanten herkenden direct de persoon als zijnde [verdachte] .
Hierop hebben wij [verdachte] direct aangehouden. Vervolgens hebben wij de aangehouden verdachte in ons dienstvoertuig geplaatst teneinde hem te vervoeren naar het politiebureau te Roermond. Ik, [verbalisant 8] liep nog even terug naar de woning om even wat kort te sluiten. Ik [verbalisant 1] hoorde dat [verdachte] op enig moment in het dienstvoertuig zei “Diegene die aangifte tegen mij gedaan heeft, zodra ik vrij ben, ga ik een wapen halen en dan schiet ik diegene af” of woorden van gelijke strekking.
13. Een geschrift, te weten een niet ondertekend proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 maart 2020, ongenummerd deel van het dossier, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Op 10 januari 2020 nam ik telefonisch contact op met het slachtoffer. Ik vertelde haar dat een rechter had besloten dat de verdachte nog 14 dagen gehouden zou worden. Ik heb het slachtoffer in dit telefoongesprek ook geïnformeerd over bedreigingen die de verdachte had geuit richting degene die aangifte had gedaan. Ik hoorde dat het slachtoffer aan mij vertelde dat waar zij al sinds de verkrachting bang voor was, nu zou gebeuren. Ik vroeg aan haar wat zij hiermee bedoelde en ik hoorde dat zij aan mij vertelde dat zij bang was dat de verdachte achter haar aan zou komen.
14. Een proces-verbaal verhoor van getuigen bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken d.d. 12 maart 2021, voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :
Ik wil er wel even op wijzen dat hij tegenover de politie gedreigd heeft dat hij degene die die aangifte heeft gedaan zou neerschieten. In mijn visie heeft hij mij dus bedreigd.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Feit 1
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is, op gronden als nader verwoord in de pleitnota, aangevoerd dat de verklaring van aangeefster onbetrouwbaar is en onvoldoende steun vindt in het dossier.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt op grond van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast, die door de verdediging niet worden betwist. De verdachte en aangeefster hebben elkaar op 14 juli 2018 in de avond op het festival [festival] ontmoet. Aangeefster was haar vriendengroep met wie zij op het festival was, kwijtgeraakt en haar telefoon zat in de tas van haar vriendin [getuige 4] . Aangeefster is vervolgens bij de verdachte in de auto gestapt en heeft zo het festivalterrein verlaten. In die auto zaten nog drie andere mannen. Aangeefster en de verdachte zaten op de bijrijdersstoel. De auto is naar de woning van de verdachte in Heerlen gereden, waar zij beiden zijn uitgestapt en de woning van de verdachte zijn binnengegaan. In de woning hebben zij allebei plaatsgenomen op de bank. Op enig moment hebben de verdachte en aangeefster gezoend en uiteindelijk heeft er seks plaatsgevonden. Aangeefster heeft de woning van de verdachte aan het begin van de nacht van 15 juli 2018, tussen 00.30 uur en 01.00 uur, weer verlaten.
De verklaringen van aangeefster en de verdachte lopen uiteen ten aanzien van de vraag of deze seksuele handelingen vrijwillig hebben plaatsgevonden. Aangeefster heeft verklaard dat zij de seksuele handelingen niet wilde en dat ook tegen de verdachte heeft gezegd, maar dat de verdachte doorging. Toen zij op enig moment opstond om te gaan, heeft de verdachte haar aan haar haren teruggetrokken en nogmaals tegen haar wil seks met haar gehad. Op enig moment, toen de verdachte op de wc zat, is zij uit de woning gevlucht.
Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster te twijfelen. Het hof is van oordeel dat zij gedetailleerd en consistent heeft verklaard. Zij heeft direct na het voorval in café ‘ [café] ’ tegen de politieambtenaren die ter plaatse waren gekomen en enkele uren later op het politiebureau tijdens het informatief gesprek, twee uitgebreide verklaringen afgelegd. Drie dagen later heeft zij bij gelegenheid van haar aangifte wederom een uitgebreide verklaring afgelegd en later is zij bij de rechter-commissaris uitvoerig gehoord. De verklaringen van aangeefster [slachtoffer] bevatten weliswaar op onderdelen kleine discrepanties, doch het hof is van oordeel dat de verklaringen in grote mate en op wezenlijke onderdelen met elkaar overeenkomen. De (door de raadsman naar voren gebrachte) discrepanties doen geen afbreuk aan de kern van haar verklaringen met betrekking tot het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt.
Het hof is voorts van oordeel dat haar verklaringen een authentieke indruk maken. Zij noemt van meet af aan specifieke details, zoals dat zij door de verdachte is aangesproken met de vraag of zij een vriendin van [naam] was, dat de verdachte voorstelde om haar naar de camping te brengen waar zij met haar vriendengroep zou overnachten, dat hij aan haar haren trok op het moment dat zij opstond om te gaan en dat zij in de woning van de verdachte als een soort afleidingsmanoeuvre eerst zelf naar de wc is gegaan en toen de verdachte daarna naar de wc ging, kans zag om te vluchten. Het hof ziet niet in waarom zij doelbewust in strijd met de waarheid dergelijke specifieke uitlatingen zou doen, met het kennelijke doel om de verdachte voor dit feit te laten opdraaien.
Voorts overweegt het hof, grotendeels conform de rechtbank, dat de verklaringen van aangeefster voldoende steun vinden in de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen.
Aangeefster heeft verklaard dat ze na de verkrachting de woning van de verdachte uit is gerend en bij het eerste huis waar nog licht brandde, heeft aangebeld. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van de getuige [getuige 2] , die vlak bij de verdachte woonde en heeft verklaard dat er die nacht inderdaad een vrouw aan de deur heeft aangebeld die zei dat ze werd belaagd. Omdat het laat was en zij niet wist of aangeefster alleen was, heeft zij de deur niet geopend, maar haar doorgestuurd naar café ‘ [café] ’ verderop op de hoek van de straat. Dat zij dus niets heeft verklaard over de gemoedstoestand van aangeefster is te verklaren.
Dat geldt wel voor de getuigen die aangeefster daarna hebben gezien. Zij hebben verklaard over de emotie bij aangeefster (kort) na het incident, zoals nader uitgewerkt in de bewijsmiddelen. Getuigen [getuige 1] en [getuige 3] hebben verklaard over de emotionele toestand waarin aangeefster verkeerde toen zij bij het café aankwam.
Ook getuigen [getuige 4] en [getuige 5] verklaren over de emoties van aangeefster die zij direct na het incident hebben waargenomen. Uit de verklaringen kan worden opgemaakt dat de emotionele toestand van aangeefster direct en kort na het incident te herleiden is tot/het gevolg is van onderhavig incident.
Hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de bij de raadsheer-commissaris afgelegde getuigenverklaringen, doet geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van aangeefster. Voor zover hun verklaringen op onderdelen afwijken ten opzichte van hun verklaringen bij de politie, overweegt het hof dat dit te wijten kan zijn aan de mede door tijdsverloop natuurlijke feilbaarheid van het menselijk geheugen. De verhoren bij de raadsheer-commissaris vonden immers eerst plaats op 11 april en 16 november 2023. Zij verklaren ook een aantal keer dat zij bepaalde dingen niet meer weten/zich niet meer kunnen herinneren. Bovendien zien deze discrepanties voornamelijk op wat zij van aangeefster zouden hebben gehoord, terwijl het hof deze getuigen van belang acht voor wat betreft de emoties die zij bij aangeefster hebben waargenomen.
Verder vinden de verklaringen van aangeefster steun in objectief bewijs. Aangeefster heeft verklaard aan haar haren te zijn getrokken en de forensisch arts heeft direct na het incident een lichte zwelling op het achterhoofd van aangeefster waargenomen. Verder vinden de verklaringen die aangeefster direct na het incident heeft afgelegd met betrekking tot de seksuele handelingen (eerst zoenen en daarna seks) die zij heeft ondergaan steun in het DNA-onderzoek door het NFI. Daaruit volgt namelijk dat zowel op de buitenzijde van de mond als diep vaginaal DNA-materiaal van de verdachte is aangetroffen.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg een alternatief scenario geschetst, inhoudende dat aangeefster en hij in zijn woning wel kortstondig seks hebben gehad, maar dat dit was met wederzijdse instemming. Zij heeft hem gepijpt, waarna hij op de bank is gaan liggen, haar string naar de zijkant heeft gedaan en zijn penis in haar vagina heeft gebracht. Zijn penis schoot er echter weer uit, waarna de verdachte een vieze geur rook. Hij heeft dat tegen haar gezegd en haar daarop gevraagd om te vertrekken. Aangeefster werd daarop heel boos en is vertrokken, aldus nog steeds de verdachte.
Het hof overweegt in de eerste plaats dat de verdachte pas in een rijkelijk laat stadium met deze verklaring naar voren is gekomen. De verdachte heeft zich, behoudens een kale ontkenning dat hij iemand heeft verkracht (p. 37 en p. 41), in zijn verhoren bij de politie van 7 en 9 januari 2020 op zijn zwijgrecht beroepen. Op 23 januari 2020 heeft de verdachte in de raadkamer gevangenhouding alleen verklaard seks te hebben gehad, maar niet tegen haar zin. Daarbij is zijn verklaring gebleven tot de regiezitting van 20 oktober 2020. Bij die gelegenheid heeft de verdachte een (door zijn zus) op schrift gestelde verklaring voorgelezen en een jaar later tijdens de inhoudelijke behandeling van 19 oktober 2021 heeft de verdachte een inhoudelijke verklaring afgelegd. De verklaring is in een stadium afgelegd dat het dossier al ter beschikking van de verdediging stond en dit heeft hem de gelegenheid gegeven om de verklaring op de inhoud van het dossier af te stemmen. Dit doet naar het oordeel van het hof afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn alternatieve lezing.
Daar komt bij dat het hof, met de rechtbank, van oordeel is dat de verklaring van de verdachte haaks staat op de gebezigde bewijsmiddelen. De verdachte verklaart dat aangeefster heel boos was en begon te schelden en schreeuwen, maar getuigen verklaren dat aangeefster in paniek was, hyperventileerde, huilde en een verwarde indruk maakte. Deze reactie past dus niet bij de reactie van aangeefster zoals door de verdachte is omschreven en ligt ook niet voor de hand als het seksueel contact zou zijn gegaan en geëindigd op de wijze zoals de verdachte heeft verklaard.
Verder wordt het scenario niet ondersteund door de onderling uiteenlopende verklaringen van de getuigen [getuige 6] en [getuige 7] , die de verdachte zelf heeft aangedragen. Zij verklaren beiden dat zij van de verdachte hadden gehoord dat er in het geheel geen seks zou hebben plaatsgehad en dat de verdachte de onaangename lucht uit de vagina van aangeefster zou hebben bemerkt toen zij haar broek uitdeed ( [getuige 6] ), respectievelijk toen de verdachte na haar de wc bezocht ( [getuige 7] ).
Ook voor zover de verdediging een beroep heeft gedaan op enige tijdlijn, biedt deze verdachtes scenario geen soelaas. Uitgaande van de verklaring van de chauffeur van de auto [getuige 6] d.d. 11 februari 2020, die naar eigen zeggen geen alcoholische drank had genuttigd op het festival, vertrok hij met de verdachte en een meisje dat op verzoek van verdachte werd meegenomen alsmede met twee vrienden tussen 11 en 12 uur in de avond, misschien na 12 uur, maar hij dacht net voor 12 uur (het hof begrijpt dat hij met 12 uur doelt op 00.00 uur middernacht). Getuige [getuige 1] bevestigt op 25 maart 2019 dat het tijdstip van tegen 00.30 uur goed kan kloppen dat een meisje in paniek bij café [café] kwam aanrennen op 15 juli 2018 en vast staat dat omstreeks 01.00 uur die nacht de dienstdoende verbalisanten naar café [café] werden gestuurd. Uitgaande van een autorit van minimaal 10 minuten, vermag het hof niet in te zien, waarom het scenario dat de verdachte schetst, beter zou passen op zijn scenario dan op de aangifte. Integendeel, de korte tijdspanne waarbinnen een en ander moet hebben plaatsgevonden biedt steun aan de verklaringen van aangeefster. Het hof gaat derhalve ook hieraan voorbij.
Op grond van al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het alternatieve scenario van de verdachte niet aannemelijk is geworden en ook om deze reden terzijde moet worden gesteld.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan. Hetgeen overigens is aangevoerd brengt het hof niet tot een ander oordeel.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het benoemen van een deskundige op het gebied van de beoordeling van de verklaringen van aangeefster en de waarnemingen van getuigen omtrent haar emotionele toestand, tegen de achtergrond van een kennelijke persoonlijkheidsstoornis bij aangeefster. De raadsman stelt dat haar emotionele toestand na het incident niet los kan worden gezien van een bij haar bestaande persoonlijkheidsstoornis. Het betreft een herhaald verzoek dat eerder is gedaan bij schriftuur van 30 november 2021.
Het hof acht zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht en acht het niet noodzakelijk om een deskundige te benoemen die zich uitlaat over de mogelijke doorwerking van een persoonlijkheidsstoornis bij aangeefster op hetgeen zij heeft verklaard of de emoties die getuigen bij haar hebben waargenomen. Het hof herhaalt dat het haar verklaringen betrouwbaar acht, omdat deze zeer gedetailleerd en consistent zijn en steun vinden in andere bewijsmiddelen. De verklaringen van aangeefster en de waarnemingen van getuigen direct na het incident dienen te worden bezien in onderling verband en samenhang met elkaar en met de overige bewijsmiddelen. Het hof acht op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat de verklaringen van aangeefster en haar emotionele toestand na het delict het gevolg zijn van dissociatieve of paranoïde denkbeelden, zoals de raadsman heeft gesuggereerd. Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek derhalve af.
Feit 2
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging is onder meer vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht. Dit impliceert dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat het opzet van de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, daar ook op gericht is geweest. Niet nodig is dat de bedreiging rechtstreeks tegen de bedreigde zelf is geuit om strafbaar te zijn; de bedreiging kan de bedreigde ook langs indirecte weg hebben bereikt. Voor het bewijs van het voorwaardelijk opzet in voormelde zin is het van belang dat de verdachte zich bewust is van de aanmerkelijke kans dat de betrokkene op enigerlei wijze bekend wordt met de door hem geuite bedreiging en ook dat de verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.
De raadsman van de verdachte heeft opgemerkt dat ‘de woorden’ die de verdachte heeft geuit nooit door de politie aan aangeefster zijn medegedeeld. Voorts is betwist dat verdachte de wetenschap had dan wel de ‘aanmerkelijke kans’ bewust zou hebben aanvaard dat aangeefster van de door hem geuite bewoordingen op de hoogte zou raken. Ten slotte is aangevoerd dat de geobjectiveerde redelijke vrees bij aangeefster niet kan worden vastgesteld, daar de verdachte in emotie uitingen van onmacht en frustratie deed, zeker niet daar de verdachte direct zijn excuses heeft aangeboden en aangeefster daarvan op de hoogte is gesteld.
Uit het dossier komt het volgende naar voren.
De verdachte is bij zijn aanhouding door de zedenpolitie is geïnformeerd over de reden van zijn aanhouding: de verdenking van het plegen van een verkrachting. Nadat de verdachte was geboeid, werd hij boos, stond hij op, en sprak hij met stemverheffing. Met luide stem zei de verdachte dat ze gek waren en ze zijn handboeien los moesten maken zodat hij een opstoot kon geven. Tegen een verbalisant zei de verdachte met stemverheffing ‘ik ken jou’, waarbij zijn gezicht op geringe afstand van dat van de verbalisant verwijderd was. Hoewel de verdachte desgevraagd vervolgens weer rustiger werd en ging zitten, stond hij daarna weer op en sloeg hij met zijn voorhoofd tegen een muur. Nadat de verdachte wat was gekalmeerd, werd hij in een politieauto meegenomen naar het bureau.
Nadat hij was aangehouden ter zake van verkrachting, heeft hij in de dienstauto tegen verbalisant [verbalisant 1] gezegd: “Diegene die aangifte tegen mij gedaan heeft, zodra ik vrij ben ga ik een wapen halen en dan schiet ik diegene af”, of woorden van gelijke strekking. Verder blijkt uit het dossier dat verbalisant [verbalisant 4] op 10 januari 2020 telefonisch contact heeft gehad met [slachtoffer] en haar toen heeft geïnformeerd over deze bedreiging die de verdachte had geuit richting degene die aangifte had gedaan. Echter, verbalisant [verbalisant 6] , die het eindproces-verbaal heeft opgemaakt, heeft gerelateerd dat aangeefster op 15 januari 2020 telefonisch contact met haar, [verbalisant 6] , heeft opgenomen. Verbalisant [verbalisant 6] deelde in dit telefoongesprek mede dat de verdachte eveneens werd vervolgd ter zake van bedreiging jegens degene die aangifte tegen hem had gedaan. Aangeefster zei daarop dat zij niet wist waar deze bedreigingen uit bestonden. Desalniettemin bleek aangeefster ten tijde van haar verhoor bij de rechter-commissaris op 12 maart 2021 volledig van ‘de woorden’ op de hoogte, waar zij verklaart ‘Ik wil er wel even op wijzen dat hij tegenover de politie gedreigd heeft dat hij degene die die aangifte heeft gedaan zou neerschieten’ en ‘in mijn visie heeft hij mij dus bedreigd’.
Het hof stelt vast dat verdachtes gedrag bij zijn aanhouding tegenover de politie zonder gevolg is gebleven. Anders is dat voor wat betreft diens uitlatingen aan het adres van aangeefster.
Het hof stelt vast dat de verdachte, kort na zijn aanhouding waarbij hij zich onbetamelijk zou hebben gedragen tegenover de aanhoudende verbalisanten, een ernstige bedreiging heeft geuit aan het adres van aangeefster. De verdachte kon zonder meer gevoeglijk aannemen dat zo een ernstige bedreiging aangeefster zou bereiken. Het ligt immers niet alleen op de weg van de politie in dergelijke gevallen een betrokkene hierover te informeren, maar ook overigens de nodige maatregelen te treffen naar aanleiding van die uitlatingen voor het geval een verdachte op vrije voeten komt. Aangeefster is van de inhoud van de bedreiging, getuige de bewijsmiddelen, door de politie op de hoogte gebracht. Hierover bestaat naar het oordeel van het hof geen misverstand.
De verdachte zal ongetwijfeld - net als vele verdachten met hem - geëmotioneerd zijn geweest en mogelijk een aanhouding niet (meer) hebben verwacht, maar dat laat onverlet dat hij naar het oordeel van het hof met zijn uitlatingen minst genomen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster door deze woorden, in de gegeven omstandigheden waarin zij hem heeft beschuldigd van verkrachting die hij ontkent, in redelijkheid de vrees kon krijgen dat zij na verdachtes vrijlating haar leven zou kunnen verliezen. In dat verband neemt het hof in aanmerking dat de verdachte zijn voornemen allerminst vaag of onduidelijk heeft bewoord en dit niet voor meerderlei uitleg vatbaar is. Dat zijn woorden louter moeten worden bezien in de context van een emotionele ontlading dan wel als een uiting van frustratie en onmacht, deelt het hof niet, nu deze ook geobjectiveerd van dien aard zijn dat aangeefster door toedoen van de verdachte haar leven kon vrezen. Dat de verdachte zich op enig moment nadien, na zijn eerste contact met zijn raadsman en na het eerste verhoor, al dan niet meermalen zou hebben verontschuldigd bij de politie voor - naar het hof begrijpt - zowel zijn gedrag als zijn uitlatingen, moge zo zijn en siert hem, maar zulks doet aan diens voorwaardelijk opzet, noch aan de opgewekte vrees iets af.
Gelet hierop gaan de tot vrijspraak strekkende verweren ter zake van feit 2 niet op.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
verkrachting.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting en bedreiging van hetzelfde slachtoffer. Hij heeft het slachtoffer [slachtoffer] - die op dat moment haar vriendengroep kwijt was geraakt en ook niet met hen in contact kon komen omdat zij haar telefoon niet bij zich had - aangesproken op festival [festival] . De verdachte heeft [slachtoffer] aangeboden om haar naar de camping te brengen waar zij zou overnachten. Zij zijn vervolgens echter naar de woning van de verdachte gereden en daar is [slachtoffer] met de verdachte mee naar binnen gegaan. In de woning heeft de verdachte haar vervolgens verkracht. De verdachte heeft daarbij ook fysiek geweld toegepast. De verdachte heeft door het bewezenverklaarde handelen, kennelijk uit het oogpunt van eigen seksuele behoeftebevrediging, op grove wijze de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijk gedrag langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Uit hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep namens [slachtoffer] door haar advocate naar voren is gebracht, komt naar voren dat zij tot op de dag van vandaag de gevolgen hiervan ervaart. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Ook rekent het hof het de verdachte aan dat hij geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen. De verdachte is immers blijven volhouden dat er geen sprake was van dwang. Hij heeft daarmee laten zien dat hij geen inzicht heeft in de verwerpelijkheid van zijn gedrag. Voor wat betreft de bedreiging heeft de verdachte weliswaar op enig moment excuses aangeboden, maar toen hadden de woorden reeds hun effect gesorteerd: aangeefster was en bleef bang voor de verdachte.
Het hof is van oordeel dat gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Voor wat betreft de duur van de op te leggen gevangenisstraf stelt het hof voorop dat de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, sinds 2013 als uitgangspunt voor verkrachting een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden kenden, waarbij rekening kon worden gehouden met strafvermeerderende en/of strafverminderende factoren. Sinds mei 2022 geldt binnen de rechtspraak een nieuw oriëntatiepunt voor straftoemeting voor verkrachting dat gedifferentieerd is naar de mate van dwang. Indien sprake is van een verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 februari 2024. Daaruit volgt dat de verdachte eerder voor het begaan van strafbare feiten is veroordeeld, ter zake onder meer mishandeling, vernieling en openlijk geweld. Hoewel deze onherroepelijke veroordelingen dateren van behoorlijke tijd geleden (2014 en verder terug), ontwaart het hof daaruit wel een patroon van delicten met een geweldscomponent in het verleden en in onderhavige zaak is ook geweld gebruikt.
Het hof houdt echter ook rekening met het feit dat het inmiddels een relatief oude zaak betreft, het feit is bijna 6 jaar geleden gepleegd. Het hof zal vanwege dit forse tijdsverloop geen aansluiting zoeken bij het nieuwe LOVS-oriëntatiepunt van 36 maanden gevangenisstraf.
Alles afwegende acht het hof net als de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, in beginsel passend en geboden. De straf is overeenkomstig de straf van de rechtbank.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende.
In eerste aanleg is de redelijke termijn van twee jaren, te rekenen vanaf het moment dat de verdachte in verzekering is gesteld op 7 januari 2021, niet verstreken. De rechtbank heeft datzelfde jaar nog op 2 november 2021 vonnis gewezen. Vervolgens is door de verdachte op 16 november 2021 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 1 mei 2024 – einduitspraak. De behandeling in hoger beroep bedraagt derhalve 2 jaren en ruim 5 maanden.
Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen, zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn van twee jaren in hoger beroep verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen gevangenisstraf zal matigen met 3 maanden.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is voor het overige deel afgewezen.
De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof is van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Voorts is het hof van oordeel dat de geleden immateriële schade voldoende is onderbouwd tot het na te noemen bedrag. Het hof stelt deze voldoende onderbouwde immateriële schade, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen voor het slachtoffer, naar billijkheid vast op een bedrag van € 5.000,00. Het hof sluit daarbij, net als de rechtbank, aan bij de in de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven omschreven categorie 3 (€ 5.000,00). Voor het overige zal het hof de vordering afwijzen.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, tot heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder feit 1 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 5.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op
te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 242 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 juli 2018.
Aldus gewezen door:
mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,
mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. H.N. Brouwer, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. van Dijk, griffier,
en op 1 mei 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. H.N. Brouwer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.