GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.341.394/01
arrest van 3 december 2024
gewezen in het incident tot tussenkomst in de zaak van
[appellante] ,
gevestigd te [plaats] ,
appellante,
verweerster in het incident tot tussenkomst,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. M.C.E. Wirken te [plaats] ,
tegen
[geïntimeerde] ,
[woonplaats] ,
geïntimeerde,
verweerster in het incident tot tussenkomst,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. T.M. ten Velde te Tilburg,
en
[tussenkomende partij] ,
[woonplaats] ,
eiseres in het incident tot tussenkomst,
hierna aan te duiden als [tussenkomende partij] ,
advocaat: mr. S.A. Chedie te Rotterdam,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 1 oktober 2024 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer 10385302 CV EXPL 23-803 gewezen vonnis van 4 oktober 2023.
8. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenarrest van 1 oktober 2024 waarbij het hof de vordering van [tussenkomende partij] tot tussenkomst heeft toegewezen en [tussenkomende partij] in de gelegenheid heeft gesteld om haar vordering nader te omschrijven in een conclusie van eis.
Bij H4-formulier voor de rol van 29 oktober 2024 heeft [tussenkomende partij] haar verzoek ingetrokken.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
9. De beoordeling
In het incident
[tussenkomende partij] is als tussenkomende partij in de gelegenheid gesteld om haar vordering nader te onderbouwen, maar heeft vervolgens bij H4-formulier (Verzoek intrekken nieuwe zaak voor eerstdienende dag) haar verzoek ingetrokken zonder nadere toelichting.
Het hof leidt hieruit af dat zij thans geen vordering wenst in te stellen in het incident tot tussenkomst. Dit leidt ertoe dat het hof [tussenkomende partij] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar verzoek tot tussenkomst nu zij geen zelfstandige vordering heeft ingediend.
Het hof zal [tussenkomende partij] veroordelen in de proceskosten in het incident, nu zij dit incident nodeloos heeft opgeworpen.
In de hoofdzaak
De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van grieven aan de zijde van [appellante] . Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
10. De uitspraak
Het hof:
in het incident:
verklaart [tussenkomende partij] alsnog niet-ontvankelijk in haar verzoek tot tussenkomst;
veroordeelt [tussenkomende partij] in de proceskosten van het incident, welke kosten (salaris advocaat) aan de zijde van [appellante] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 1.214,- (1 punt liquidatietarief II) en aan de zijde van [geïntimeerde] op nihil;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 14 januari 2025 voor memorie van grieven aan de zijde van [appellante] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.H. Schoenmakers, K.J.H. Hoofs en J.A. van Strijen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 december 2024.
griffier rolraadsheer