Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad (22/03554) op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht,
van 23 december 2021, parketnummer 03-235080-21 in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,
thans uit anderen hoofde verblijvende in [verblijfplaats] .
Hoger beroep
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Procesverloop
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde vernieling en is hij ter zake van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, wegmaken (feit 1), belaging (feit 3) en oplichting (feit 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.
Zijdens de verdachte is bij akte d.d. 27 december 2021 partieel (ten aanzien van de veroordelingen voor het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde) hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld.
Bij arrest van 26 september 2022 (parketnummer 20-003074-21) heeft dit hof het beroepen vonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende, de verdachte vrijgesproken van de onder 4 tenlastegelegde oplichting en hem ter zake van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, wegmaken (feit 1) en belaging (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken.
Zijdens de verdachte is vervolgens bij akte cassatie d.d. 27 september 2022 partieel (ten aanzien van de veroordelingen van het onder 1 en 3 tenlastegelegde en derhalve niet ten aanzien van de vrijspraak voor feit 4) beroep in cassatie ingesteld tegen voornoemd arrest.
Bij arrest van 12 maart 2024, nr. 22/03554, heeft de Hoge Raad beslist dat ’s hofs oordeel dat degene die huisvuil aanbiedt door dit te plaatsen aan de stoeprand met het oog op vernietiging daarvan, ‘hooguit (...) afstand doet van zijn eigendomsrecht ten behoeve van de vuilnisverwerker en dat de vuilniszak die door [benadeelde 1] voor zijn woning was geplaatst om te worden opgehaald aan hem “toebehoorde” in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht’ getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
De Hoge Raad heeft de bestreden uitspraak vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging en de zaak terug gewezen naar dit hof, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Omvang van het hoger beroep
Zoals hiervoor vermeld heeft de Hoge Raad het eerdere arrest van dit hof in deze zaak vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging. Voor het overige is het beroep verworpen. Gelet hierop zijn nog enkel de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging aan het oordeel van het hof onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep – voor zover nog aan het oordeel onderworpen – zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde en de verdachte ten aanzien van de eerder door dit hof onder 3 bewezenverklaarde belaging zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.
De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde zal ontslaan van alle rechtsvervolging wegens niet kwalificeerbaarheid van het feit. Ten aanzien van de strafoplegging van de eerder door dit hof bewezenverklaarde belaging heeft de verdediging het hof verzocht te volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:
1.
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2020 tot en met 23 september 2020 te Maastricht opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere vuilniszakken, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of diens buurtbewoners, in elk geval aan een ander, toebehoorde(n), heeft weggemaakt.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
De verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat hij opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere vuilniszakken, die aan [benadeelde 1] en/of diens buurtbewoners toebehoorden, heeft weggemaakt.
Op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen, waaronder de aangifte van [benadeelde 1] , een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot camerabeelden alsmede herkenningen door verbalisanten van de verdachte op de beelden, is het hof gebleken dat de verdachte vuilniszakken die met het oog op het ophalen door de plaatselijke huisvuilophaaldienst aan de straat waren geplaatst door [benadeelde 1] dan wel een buurtbewoner, heeft opgepakt en hiermee is weggelopen.
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht. Van een goed dat ‘geheel of ten dele toebehoort aan een ander’ in de zin van dat artikel is geen sprake als de eigenaar de eigendom van dat goed heeft prijsgegeven.
Het hof is gelet op het terugwijzend arrest van de Hoge Raad van oordeel dat degene die vuilniszakken ter inzameling aanbiedt door deze aan de straatzijde te plaatsen, geacht moet worden de eigendom van die zakken en de inhoud daarvan prijs te hebben geven. Dit betekent dat de vuilniszak(ken) alsmede de inhoud daarvan op dat moment niet (meer) aan een persoon toebehoorde(n), zodat het wegmaken hiervan niet langer een overtreding van het bepaalde in artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht kan opleveren. Het hof zal de verdachte om die reden vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde.
Op te leggen sanctie
Zoals reeds vermeld heeft de Hoge Raad de strafoplegging vernietigd, zodat het hof opnieuw een straf dient te bepalen ten aanzien van de eerder door dit hof bij arrest van
26 september 2022 onder 3 bewezenverklaarde belaging.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.
De verdediging heeft het hof verzocht te volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast heeft het hof gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij in de periode van 8 januari 2021 tot en met 17 april 2021 wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 2] , door haar in die periode veelvuldig gedurende de nachtelijke uren te bellen met het oogmerk om die [benadeelde 2] te dwingen iets te dulden. Dit handelen van de verdachte was niet alleen hinderlijk, maar heeft bovendien bij [benadeelde 2] gevoelens van angst en onveiligheid opgeroepen.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 augustus 2024 betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte. Blijkens dit uittreksel is de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde herhaaldelijk onherroepelijk veroordeeld ter zake van belaging. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte kennelijk niet het laakbare van zijn handelen doen inzien en hebben er evenmin voor gezorgd dat de verdachte zich niet opnieuw schuldig zou maken aan een dergelijk strafbaar feit.
Tot slot heeft het hof bij het bepalen van de op te leggen straf rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. In dat kader is het hof allereerst gebleken dat de verdachte thans uit andere hoofde preventief is gehecht. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte in die zaak (parketnummer 03-319681-23) is onderzocht door het Pieter Baan Centrum en dat is geadviseerd om over te gaan tot de oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging. Tot slot heeft de verdachte verklaard dat hij lijdt aan onder andere een obsessief-compulsieve stoornis en aan autisme en dat hij ook te kampen heeft met lichamelijke klachten.
Met name in voornoemde persoonlijke omstandigheden ziet het hof – ondanks de ernst van het bewezenverklaarde – termen aanwezig om te volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en zal de duur hiervan bepalen op 4 weken. Met de oplegging van deze voorwaardelijke gevangenisstraf beoogt het hof om enerzijds alsnog de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking te brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar te maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt de verdachte ten aanzien van het in het arrest van dit hof d.d. 26 september 2022 onder parketnummer 20-003074-21 onder 3 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. G.J. Schiffers en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,
en op 28 oktober 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.