ECLI:NL:GHSHE:2025:1052

ECLI:NL:GHSHE:2025:1052, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15-04-2025, 200.346.521_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 15-04-2025
Datum publicatie 15-07-2025
Zaaknummer 200.346.521_01
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Hoger beroep kort geding
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBLIM:2024:5895
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 5 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0005290

Samenvatting

hoger beroep kort geding. Mondelinge opzegging arbeidsovereenkomst door werknemer duidelijk en ondubbelzinnig? Instemming met de opzegging door de werkgever is, als de werknemer niet aan de opzegging kan worden gehouden, niet een opzegging door de werkgever waarop een vervaltermijn van toepassing is. Hof gelast de werknemer om een deskundigenverklaring over te leggen in verband met de gestelde loonvordering en ziekte en het beroep van de werkgever op opschorting.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.346.521/01

arrest van 15 april 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te Polen,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. L.M.J. Pelswijk te Amsterdam,

tegen

[XX] Kappersbenodigdheden B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.A.M.G. Vogels te Roermond,

op het bij exploot van dagvaarding van 18 september 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 29 augustus 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, als voorzieningenrechter gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 11244192 \ CV EXPL 24-4061)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

In het principaal en incidenteel hoger beroep

De feiten

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

[appellant] is op 21 augustus 2023 in dienst van [geïntimeerde] getreden in de functie van logistiek medewerker. De arbeidsovereenkomst is op enig moment verlengd tot 20 maart 2025. De vriendin van [appellant] was ook werkzaam bij [geïntimeerde] .

Op 10 juni 2024 heeft het logistiek personeel (waaronder [appellant] en zijn vriendin) overgewerkt.

Op 11 juni 2024 is de vriendin van [appellant] niet op het werk verschenen.

[appellant] is die dag wel op het werk verschenen en heeft aan [geïntimeerde] laten weten dat hij en zijn vriendin ontslag nemen en terugkeren naar Polen. Na het inwinnen van advies van haar accountant heeft [geïntimeerde] daarna aan [appellant] laten weten dat hij na ontslagname geen recht zou hebben op een WW-uitkering. [geïntimeerde] heeft toen voorgesteld aan [appellant] om een vaststellingsovereenkomst te sluiten om zijn WW-rechten veilig te stellen.

Op diezelfde dag heeft [appellant] persoonlijk afscheid genomen van de aanwezige collega’s en aan hen verteld dat hij en zijn vriendin niet meer komen werken en terugkeren naar Polen. Ook heeft [appellant] later die dag een bericht geplaatst in de [YY] Team whatsappgroep, waarin hij (tezamen met zijn vriendin) afscheid neemt van zijn team en de whatsappgroep vervolgens (tezamen met zijn vriendin) verlaat.

Op diezelfde dag (11 juni 2024) heeft [geïntimeerde] aan [appellant] per e-mail laten weten:

“As discussed this morning during our meeting, I am sending you the settlement agreement attached to this email. Please read through the agreement carefully, sign it, and return it to us as soon as possible.

If you have any questions or need further clarification, please do not hesitate to contact me.

Thank you in advance for your cooperation.”

[appellant] heeft hierop via WhatsApp de dag erna, 12 juni 2024, als volgt gereageerd:

Dear [persoon A] ,

Thank you for your E-mail. I have read that document and I cannot accept it.

I have contacted with few people, including health service and I have decided that I need to take care about my health as priority.

Last weeks in works caused a lot of stress and cost me a lot health. I am worry about my mental health and I would like to inform you that regarding my condition I need to start sick leave (ziekteverlof).

In case of any questions I would like to ask you for e-mail correspondention. Phone calling or meeting can have bad Impact for my mental health and I need to avoid stress.

[persoon B] will give you an answer in separate message.

Yours faithfully,

De echtgenoot van de eigenaresse van) [geïntimeerde] heeft op 13 juni 2024 geconstateerd dat de woning van [appellant] ontruimd is.

Op 14 juni 2024 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] bevestigd dat hij op 11 juni 2024 zijn arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang heeft opgezegd.

Bij brief van 4 juli 2024 heeft de gemachtigde van [appellant] (kort gezegd) bezwaar gemaakt tegen het einde van het dienstverband van [appellant] . De gemachtigde laat ook weten dat [appellant] ziek is en in een ziekenhuis in Polen ligt.

Bij brief van 12 juli 2024 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] aan de gemachtigde van [appellant] (onder meer) laten weten dat [appellant] de arbeidsovereenkomst op 11 juni jl. met onmiddellijke ingang heeft opgezegd. Als reactie hierop heeft de gemachtigde van [appellant] bij brief van 15 juli 2024 (onder meer) laten weten dat de arbeidsovereenkomst nog wel voortduurt, omdat (kort gezegd) uit het bericht van 12 juni 2024 van [appellant] duidelijk blijkt dat de door hem gedane opzegging niet kan worden aangemerkt als een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring die gericht is op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het lag op de weg van [geïntimeerde] om dit te onderzoeken, hetgeen zij heeft nagelaten.

De gemachtigde van [geïntimeerde] heeft bij brief van 22 juli 2024 (onder meer) laten weten dat [geïntimeerde] blijft bij haar standpunt dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

De procedure bij de kantonrechter

In deze procedure heeft [appellant] - samengevat – bij de kantonrechter (hierna ook aangeduid als: de voorzieningenrechter) in kort geding als voorlopige voorziening achterstallig loon (inclusief vakantiegeld) gevorderd over de maand juni 2024 van € 1.046,50 bruto en vanaf juli 2024 € 2.300,00 (of 70% daarvan indien [appellant] nog ziek is) tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente.

[appellant] heeft aan de vordering, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] heeft de arbeidsovereenkomst niet opgezegd. Na veel pesterijen en discriminatie op het werk die zorgden voor veel stress en mentale problemen bij [appellant] , vond op 11 juni 2024 de druppel plaats die de emmer deed overlopen. Die dag kregen zowel [appellant] als zijn vriendin te maken met verbale agressie en discriminatie van [geïntimeerde] . Door de stress besloot [appellant] de samenwerking te beëindigen en op 12 juni 2024 stapte hij ook uit de bedrijfsgroep chat en wenste iedereen geluk. Voor zover hij op 11 of 12 juni 2024 ontslag heeft genomen, kan [geïntimeerde] hem hieraan niet houden. Op 12 juni 2024 heeft [appellant] zich ziekgemeld. Voor [geïntimeerde] was dit een duidelijke aanwijzing dat hij niet de intentie had om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Van belang hierbij is dat op 10 juni 2024 een incident heeft plaatsgevonden op het werk waardoor de gemoederen hoog opliepen. [geïntimeerde] heeft aldus niet voldaan aan haar onderzoeksplicht.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, hierna aan de orde komen.

In het vonnis van 29 augustus 2024 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. De voorzieningenrechter overwoog daartoe, kort weergegeven, dat [geïntimeerde] er niet van mocht uitgaan dat [appellant] de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk wilde opzeggen. Een en ander betekent dat geen sprake is van een rechtsgeldige ontslagname door [appellant] , althans dat [geïntimeerde] [appellant] daar in beginsel niet aan kan houden. De opzegging door [appellant] , ervan uitgaande dat die onder invloed van een wilsontbreken tot stand is gekomen, moet dus weggedacht worden. Dan kwalificeert de door [appellant] (in elk geval) op 12 juni 2024 ontvangen mededeling van [geïntimeerde] d.d. 11 juni 2024, inhoudende dat zij uitgaat van een einde van het dienstverband, als een opzeggingshandeling van [geïntimeerde] , die maakt dat aan het dienstverband met onmiddellijke ingang een einde is gekomen. Van die opzegging heeft [appellant] niet binnen de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) een vernietigingsverzoek bij de kantonrechter ingediend. Het ligt in de rede dat in een bodemprocedure een loonvordering daarop zal afstuiten. Daarmee kan in dit kort geding niet gezegd worden dat de vorderingen in een bodemprocedure hoogstwaarschijnlijk zullen worden toegewezen, wat meebrengt dat geen grond aanwezig is voor het treffen van de voorzieningen zoals door [appellant] in dit kort geding gevorderd.

De procedure in hoger beroep

Nederlandse rechter bevoegd

[appellant] woonde ten tijde van de inleidende dagvaarding in Polen. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. Dat is het geval: het geschil betreft een handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de herschikte EEX-Verordening. Ingevolge artikel 21 lid 1 van deze verordening heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.

Principaal en incidenteel hoger beroep

[appellant] heeft in hoger beroep één grief aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

[geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep twee grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot het gegrond verklaren van haar grieven en tot vernietiging van het beroepen vonnis in overeenstemming met deze gegrondverklaring en tot bekrachtiging van het beroepen vonnis op alle overige punten, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] volledig afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Het hoger beroep van [geïntimeerde] strekt dan ook niet tot het verkrijgen van een andere uitspraak maar tot verbetering van gronden. [geïntimeerde] had kunnen volstaan met het voeren van verweer in het principaal hoger beroep. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het hof, nu het principaal hoger beroep slaagt, de door [geïntimeerde] in eerste aanleg gevoerde en in hoger beroep niet prijsgegeven verweren beoordeelt. [geïntimeerde] kon bij memorie van antwoord ook zonder incidenteel hoger beroep nieuwe verweren tegen de loonvordering van [appellant] aanvoeren. Het hof zal hetgeen [geïntimeerde] heeft aangevoerd in haar memorie dan ook beschouwen als nader verweer tegen de vordering van [appellant] en daarbij ook betrekken wat [appellant] in reactie daarop in zijn tweede memorie heeft aangevoerd. Het hof zal geen proceskostenveroordeling in het incidenteel hoger beroep uitspreken.

Exceptief verweer: het beroep van [geïntimeerde] op nietigheid van de dagvaarding in hoger beroep

Het hof zal eerst het door [geïntimeerde] opgeworpen formele verweer bespreken. [geïntimeerde] heeft gevorderd dat het hof de dagvaarding in hoger beroep nietig verklaart vanwege het feit dat deze vermeldt dat [appellant] in Polen woont, maar niet waar in Polen, dat wil zeggen in welke woonplaats. Dit laatste is op grond van artikel 111 lid 2 in verbinding met artikel 45 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een wettelijk vereiste dat op grond van artikel 120 Rv op straffe van nietigheid in acht moet worden genomen. Feitelijk is [appellant] een spookpartij. Daarnaast is volgens [geïntimeerde] van belang dat [appellant] daags na zijn opzegging met onmiddellijke ingang naar Polen is vertrokken zonder [geïntimeerde] te informeren over zijn adresgegevens. Daardoor is het voor [geïntimeerde] onmogelijk om uitvoering te geven aan het re-integratieproces (onder voorbehoud dat er nog sprake is van een dienstverband). [geïntimeerde] is dan ook van mening dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard.

[appellant] voert aan dat hij nu tijdelijk bij zijn ouders in [plaats A] (Polen) verblijft maar dat hij kortgeleden nog geen vaste woonplaats had. Volgens [appellant] moet het beroep op nietigverklaring van de dagvaarding worden verworpen omdat [geïntimeerde] niet eens heeft gesteld, laat staan bewezen dat zij onredelijk in haar belangen is geschaad door het niet vermelden van zijn woonplaats.

Het hof oordeelt als volgt. Artikel 43 lid 3 Rv bepaalt dat een exploot (waaronder een dagvaardingsexploot) onder meer de woonplaats vermeldt van degene op wiens verzoek de betekening geschiedt. Artikel 66 lid 1 Rv bepaalt dat niet nalevering van dat voorschrift slechts nietigheid meebrengt voor zover aannemelijk is dat degene voor wie het exploot is bestemd onredelijk door het gebrek is benadeeld. Artikel 122 lid 1 Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de gedaagde in het geding verschijnt en zich op de nietigheid van het exploot van dagvaarding beroept, de rechter dat beroep verwerpt indien naar zijn oordeel het gebrek de gedaagde niet onredelijk in zijn belangen heeft geschaad.

Aan de artikelen 66 en 122 Rv ligt de gedachte ten grondslag dat indien een exploot lijdt aan een gebrek dat tot nietigheid daarvan kan leiden, dit rechtsgevolg slechts op zijn plaats is indien en voor zover dat gewenst is in verband met de bescherming van de belangen waarop de geschonden norm betrekking heeft. Daarvan is sprake ingeval degene voor wie het exploot is bestemd, door het gebrek onredelijk is benadeeld in een belang dat door de geschonden norm wordt beschermd (HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1073). Het woonplaatsvereiste van artikel 45 lid 3 Rv dient ter identificatie van de in het exploot genoemde personen.

[geïntimeerde] is in het geding verschenen. Zij heeft aan haar vordering tot nietigverklaring van de dagvaarding de stelling ten grondslag gelegd dat [appellant] feitelijk een spookpartij is. Niet gesteld of gebleken is echter dat [geïntimeerde] niet wist door wie zij is gedagvaard om in hoger beroep tegen het vonnis dat de kantonrechter in de kortgedingprocedure tussen haar en [appellant] heeft gewezen bij het hof te verschijnen (namelijk door [appellant] ) en waartegen zij zich moest verweren. Ook is niet gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] op een andere manier onredelijk is benadeeld door het ontbreken van de vermelding van [appellant] woonplaats in Polen in het exploot van dagvaarding. Dat [appellant] , zoals [geïntimeerde] stelt, niet zijn adresgegevens heeft doorgegeven waardoor [geïntimeerde] niet aan haar re-integratieverplichtingen kan voldoen, leidt niet tot een ander oordeel. Het kunnen voldoen aan re-integratieverplichtingen is niet een belang dat wordt beschermd door de verplichting om de woonplaats (niet: het volledige adres) in het exploot van dagvaarding te vermelden. Het hof verwerpt het beroep van [geïntimeerde] op de nietigheid van de dagvaarding en zal de vordering tot nietigverklaring afwijzen.

Het principaal hoger beroep

Door middel van zijn grief en de toelichting daarop betoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de mededeling van [geïntimeerde] van 11 juni 2024 als een opzegging moet worden beschouwd, waarop de vervaltermijnen van artikel 7:686a lid 4 onder a BW van toepassing zijn. In de e-mail van [geïntimeerde] van 11 juni 2024 staat alleen dat [geïntimeerde] een vaststellingsovereenkomst (vso) naar [appellant] heeft gezonden. In die vso staat vervolgens dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt op 1 augustus 2024 en dat [appellant] 14 dagen de gelegenheid krijgt om over de inhoud na te denken en om juridische hulp in te schakelen, hetgeen [appellant] dan ook heeft gedaan. Op grond van de wils-vertrouwensleer was het voor [appellant] in ieder geval niet duidelijk dat [geïntimeerde] met het bericht van 11 juni 2024 de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang had opgezegd. Dat van een opzegging zijdens [geïntimeerde] geen sprake was blijkt ook wel uit het bericht van [geïntimeerde] d.d. 14 juni 2024, waarin [geïntimeerde] bevestigt dat zij instemt met het door [appellant] genomen ontslag. De bescherming die [appellant] volgens de voorzieningenrechter op grond van de duidelijk- en ondubbelzinnigheidsmaatstaf toekomt en die maakt dat de opzegging door [appellant] niet rechtsgeldig is, wordt in de gedachtegang van de voorzieningenrechter, aldus [appellant] , vervolgens uit het raam gegooid door te oordelen dat het bericht van 11 juni 2024 van [geïntimeerde] , waarop de veel minder strenge wils-vertrouwensleer van toepassing is, kwalificeert als een opzeggingshandeling van de werkgever met onmiddellijke ingang, aldus [appellant] . Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 21 mei 2021 (ECLI:NL:HR:2021:747, r.o. 3.2.1) volgt dat de vervaltermijn ertoe strekt de periode van onzekerheid over het al dan niet voortduren van de arbeidsovereenkomst, over het mogelijke herstel daarvan of over het verschuldigd zijn en de hoogte van een vergoeding zo kort mogelijk te houden. Hij strekt niet ter bescherming van zodanig zwaarwichtige belangen dat hij ongeacht het partijdebat of de bijzondere omstandigheden van het geval ambtshalve door de rechter toegepast zou moeten worden, aldus nog steeds [appellant] .

Volgens [geïntimeerde] gaat [appellant] eraan voorbij dat de voorzieningenrechter in zijn redenering de opzegging van [appellant] zelf heeft weggedacht. Daarvan uitgaande kwalificeert de mededeling van [geïntimeerde] van 11 juni 2024 wel degelijk als een opzeggingshandeling. Daarmee heeft [appellant] weliswaar niet ingestemd, maar hij heeft verzuimd om binnen de vervaltermijn van twee maanden de vereiste juridische actie te ondernemen, namelijk het indienen van een verzoekschrift tot vernietiging van de opzegging. Zelfs al zou de mededeling van 11 juni 2024 niet als een opzeggingshandeling kwalificeren, dan geldt dit wel voor de brief die [geïntimeerde] op 14 juni 2024 per e-mail aan [appellant] heeft toegestuurd. Voor beide data geldt dat de vervaltermijn is verstreken zonder dat [appellant] juridische actie heeft ondernomen. In ieder geval is de vervaltermijn ingegaan op 14 augustus 2024, de datum van de mondelinge behandeling in kort geding, waarop de juridische discussie door drie in het arbeidsrecht ingevoerde juristen over de vervaltermijn is gevoerd. In dat geval had [appellant] nog tot en met 14 oktober 2024 de mogelijkheid om tot juridische actie over te gaan hetgeen hij ook niet heeft gedaan. De overweging van de Hoge Raad in de door [appellant] genoemde uitspraak dat artikel 7:686a lid 4 onder a BW niet ambtshalve toegepast moet worden, betekent niet dat de voorzieningenrechter dit artikel tijdens de mondelinge behandeling niet aan de orde mag stellen.

Het hof oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak moet ter beantwoording van de vraag of een werknemer zijn dienstbetrekking vrijwillig heeft willen beëindigen, worden beoordeeld of sprake is van een daarop gerichte duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werknemer. Deze maatstaf van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring geldt niet in het geval dat moet worden beoordeeld of een verklaring van de werkgever een opzegging van de arbeidsovereenkomst inhoudt (HR 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:111). Op de opzegging door de werkgever is de wil-vertrouwensleer van de artikelen 3:33 en 3:35 BW van toepassing.

Het hof heeft de verklaring van [geïntimeerde] in de e-mail van 11 juni 2024 die de voorzieningenrechter als opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft gekwalificeerd geciteerd in rov. 3.2.5. Voor een goed begrip geeft het hof die hier opnieuw weer:

“As discussed this morning during our meeting, I am sending you the settlement agreement attached to this email. Please read through the agreement carefully, sign it, and return it to us as soon as possible.

If you have any questions or need further clarification, please do not hesitate to contact me.

Thank you in advance for your cooperation.”

Naar het oordeel van het hof heeft de voorzieningenrechter die verklaring ten onrechte op zichzelf beschouwd door te oordelen dat de (door de voorzieningenrechter niet rechtsgeldig geachte) opzegging door [appellant] moet worden weggedacht. Met de e-mail stuurde [geïntimeerde] aan [appellant] een vso, naar haar zeggen in vervolg op het gesprek met [appellant] eerder die dag (“As discussed this morning (…)”. Vast staat dat [appellant] eerder die dag mondeling de arbeidsovereenkomst had opgezegd, dat [geïntimeerde] daarna aan [appellant] heeft laten weten dat hij na ontslagname geen recht zou hebben op een WW-uitkering en dat zij toen aan [appellant] heeft voorgesteld om (hof: in plaats van de opzegging door [appellant] ) ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst een vaststellingsovereenkomst te sluiten, om daarmee [appellant] WW-rechten veilig te stellen (zie rov. 3.2.3.). [appellant] heeft het toesturen van de vso onder die omstandigheden niet hoeven opvatten als een openbaring van de wil van [geïntimeerde] om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Ook al moet (in het incidenteel hoger beroep) worden geoordeeld dat de opzegging door [appellant] op grond van de daarvoor geldende maatstaf niet rechtsgeldig is, dan nog moet de e-mail van [geïntimeerde] wel in het licht van alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder die opzegging door [appellant] , worden beschouwd en kan die opzegging niet worden weggedacht. Onder deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, heeft [appellant] de e-mail redelijkerwijs mogen opvatten als een tegemoetkoming aan hem, om daarmee de door [appellant] – en niet door [geïntimeerde] – gewenste beëindiging van de arbeidsovereenkomst op een voor [appellant] gunstigere manier te bewerkstelligen – en heeft hij die niet als opzegging door [geïntimeerde] hoeven opvatten. In zoverre slaagt de grief. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het hof de door de voorzieningenrechter niet behandelde verweren van [geïntimeerde] die zij niet heeft prijsgegeven behandelt.

[geïntimeerde] heeft in haar verweer bij de voorzieningenrechter betoogd dat, als haar e-mail van 11 juni 2024 al niet als opzeggingshandeling kwalificeert, dat in elk geval wel geldt voor haar e-mail van 14 juni 2024. Daarin schreef [geïntimeerde] aan [appellant] :

Beste [appellant] ,

Afgelopen dinsdag (11 juni jl.) heb jij ten overstaan van mij, mijn echtgenoot [persoon C] en mijn

dochter [persoon D] medegedeeld met onmiddellijke ingang op te zeggen (je ontslag te nemen).

Tegelijkertijd ontvingen wij van je partner [persoon B] per e-mail de mededeling dat zij haar

arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opzegt.

Ondanks dat wij jou erop gewezen hebben dat het zelf ontslag nemen ertoe kan leiden dat

jij geen recht hebt op een ww-uitkering, bleef jij bij je beslissing om niet langer bij ons te

willen werken. Wel heb jij ons verzocht of het mogelijk is om jouw arbeidsovereenkomst en

ook die van [persoon B] middels een vaststellingsovereenkomst te beëindigen ter veiligstelling

van jullie ww-uitkering. Daarmee hebben wij ingestemd en aan jullie beiden een

vaststellingsovereenkomst toegestuurd, maar jullie hebben beiden laten weten met de

inhoud daarvan niet akkoord te zijn.

Ik bevestig je met deze brief dat wij instemmen met het door jou met onmiddellijke ingang

(lees: 11 juni 2024) genomen ontslag en zullen jou een dezer dagen de eindafrekening

toesturen.

Deze brief wordt jou zowel in het Nederlands als in het Engels toegestuurd alsmede per email

en per aangetekende post.

Met vriendelijke groet,

[persoon A]

Ook voor de verklaring in deze e-mail geldt dat [appellant] die niet als opzegging door [geïntimeerde] heeft hoeven opvatten. [geïntimeerde] zet feitelijk uiteen dat [appellant] niet heeft ingestemd met de hem voorgelegde vso en deelt vervolgens mee dat zij (hof: alsnog) instemt met de opzegging door [appellant] op 11 juni 2024. Een eigen opzegging door [geïntimeerde] is daarin niet te lezen en zo hoefde [appellant] de e-mail dus ook niet te begrijpen. Als moet worden geoordeeld dat de opzegging door [appellant] niet rechtsgeldig is geweest, dan heeft het alsnog instemmen daarmee dus ook niet de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tot gevolg. Het verweer slaagt niet.

Het hof volgt [geïntimeerde] ook niet in haar betoog dat de discussie over de vervaltermijn tijdens de mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter tussen drie in het arbeidsrecht ingevoerde juristen (naar het hof begrijpt: de voorzieningenrechter en de beide gemachtigden) een nieuwe vervaltermijn heeft doen ingaan, die dan op 14 oktober 2024 zou zijn verstreken. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, als gevolg waarvan een vervaltermijn is gaan lopen.

Op grond van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen slaagt het principaal hoger beroep, hetgeen betekent dat het hof hierna hetgeen [geïntimeerde] in hoger beroep als verweer heeft aangevoerd tegen de vorderingen van [appellant] zal behandelen.

Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] de arbeidsovereenkomst opgezegd en kan hij daaraan worden gehouden. Volgens [geïntimeerde] heeft de voorzieningenrechter zijn andersluidend oordeel ten onrechte gebaseerd op de volgende omstandigheden:

a. de ziekmelding van [appellant] op 12 juni 2024;

b. dat er kort vóór de opzegging tussen partijen gediscussieerd c.q. gesproken is over:

i) het moeten overwerken op 10 juni 2024;

ii) het niet toekennen van een loonsverhoging;

iii) het zogenaamde ‘ [ZZ] akkefietje’;

c. dat de gemachtigde van [appellant] op 4 juli 2024 eveneens aan [geïntimeerde] heeft laten weten dat [appellant] ziek is en dat de opzegging wordt betwist.

Deze redenering gaat volgens [geïntimeerde] niet op. Zij heeft het ‘Groove Garden akkefietje' opgevoerd als voorbeeld dat partijen op een prettige manier met elkaar omgingen, dat [geïntimeerde] zich hier grootmoedig heeft opgesteld en dat [appellant] dat ook zo heeft ervaren. Ook blijkt nergens uit dat het niet toekennen van een loonsverhoging de relatie onder spanning heeft gezet. [appellant] heeft dit ook niet als reden voor zijn opzegging genoemd. Hetzelfde geldt voor het moeten overwerken op 10 juni 2024. [geïntimeerde] heeft met getuigenverklaringen van [persoon E] en [persoon F] aangetoond dat dit met instemming van [appellant] en op harmonieuze wijze heeft plaatsgevonden.

Voorts was ten tijde van de opzegging door [appellant] op 11 juni 2024 geen sprake van ziekte. De ziekmelding kwam uit het niets aan het einde van de volgende werkdag, waarop [appellant] uitvoering had gegeven aan zijn opzegging door niet op zijn werk te verschijnen. Gelet op door [geïntimeerde] in het geding gebrachte vakantiefoto’s van [appellant] zet [geïntimeerde] grote vraagtekens bij het daadwerkelijk ziek zijn van [appellant] . Door zich als het ware schuil te houden in Polen weigert [appellant] mee te werken aan een controle door de bedrijfsarts.

De enige reden die [appellant] voor zijn opzegging met onmiddellijke ingang heeft genoemd, is dat hij en zijn vriendin met onmiddellijke ingang naar Polen terugkeren. Dat was een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van [appellant] en bovendien een valide reden. Daar komt bij dat [geïntimeerde] op 11 juni 2024 aan haar onderzoeksplicht heeft voldaan en zich ervan heeft vergewist dat [appellant] daadwerkelijk een onmiddellijke beëindiging van zijn dienstverband wenste. Daarmee was het klaar. [appellant] kan dan niet meer eenzijdig op de opzegging terugkomen.

In dat kader is van belang dat [appellant] op 11 juni 2024 persoonlijk afscheid heeft genomen van [persoon A] , haar echtgenoot [persoon C] en hun dochter [persoon D] en vervolgens van alle andere toen aanwezige personeelsleden, met de mededeling dat hij en zijn vriendin niet meer kwamen werken/ontslag hadden genomen en terug naar Polen gingen. Eén dag later stuurde hij een whatsappbericht aan [persoon E] waarin hij met zoveel woorden meedeelde dat hij nooit meer een stap binnen het bedrijf wilde zetten en is hij naar Polen vertrokken, althans zijn woning werd op 13 juni 2024 ontruimd aangetroffen. In die context mocht [geïntimeerde] er in redelijkheid op vertrouwen dat de verklaring van [appellant] (lees: zijn onmiddellijke opzegging) overeenstemde met zijn wil om de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk met onmiddellijke ingang te beëindigen, aldus nog steeds [geïntimeerde] .

[appellant] betwist dat het overwerken op 10 juni 2024 met instemming van [appellant] en op harmonieuze wijze heeft plaatsgevonden. Zijn eigen verklaring en die van zijn vriendin schetsen een compleet ander beeld dan die van de werknemers van [geïntimeerde] , maar die verkeren in een afhankelijke positie; van hen kan niet worden verwacht dat zij een objectief beeld schetsen. Hij heeft dit incident wel als reden opgevoerd om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Het was de druppel die de emmer deed overlopen. Door de stress besloot hij de samenwerking te beëindigen en op 11 juni 2024 stapte hij ook uit de bedrijfsgroep chat. [appellant] is niet op 12 juni 2024 maar pas op 27 juni 2024 naar Polen vertrokken, omdat er in Nederland een lange wachtlijst voor psychiatrische hulp was en hij in Polen direct geholpen kon worden. Na 12 juni 2024 was [appellant] een tijd opgenomen in een ziekenhuis in Sittard. Vervolgens is hij naar Polen gegaan om daar verder te worden behandeld. Hij heeft ter onderbouwing daarvan een in het Pools opgesteld verslag van een ziekenhuisopname en diagnose overgelegd.

[geïntimeerde] heeft [appellant] weliswaar gewezen op de gevolgen van zijn ontslag, maar heeft niet onderzocht of [appellant] daadwerkelijk zijn arbeidsovereenkomst wilde opzeggen. Een werknemer moet in een dergelijke situatie een korte periode krijgen om zich bewust te worden van de gevolgen van zijn eigen opzegging. Nadat [appellant] op 11 juni 2024 onder stressvolle omstandigheden mondeling zijn ontslag had medegedeeld en diezelfde dag van [geïntimeerde] een vso aangeboden had gekregen, heeft [appellant] de vso gelezen en de volgende dag, 12 juni 2024, overleg gehad met derden waardoor hij tot de conclusie is gekomen dat hij niet zijn arbeidsovereenkomst wilde opzeggen gelet op de voor hem ernstige gevolgen en zijn mentale problemen. Dit heeft hij binnen 24 uur aan [geïntimeerde] laten weten. Dat duidt erop dat de wil van [appellant] niet daadwerkelijk gericht was op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (nog afgezien van [appellant] stress en mentale problemen).

Volgens [geïntimeerde] is het voldoende om een werknemer te wijzen op de gevolgen van een ontslag, maar is het voor de werknemer vervolgens niet mogelijk om, rekening houdend met de gevolgen waarvoor de werkgever hem heeft gewaarschuwd, binnen een dag terug te komen op zijn opzegging (ongeacht of de opzegging in een opwelling was gebeurd). Hierdoor wordt de inlichtingenplicht van de werkgever volgens [appellant] een wassen neus.

Arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte en beroep op loonopschorting

[appellant] heeft in zijn inleidende dagvaarding gesteld dat hij wegens pesterijen en discriminatie op het werk stress en mentale problemen had, dat hij zich eind mei 2024 al een paar dagen had ziekgemeld en dat [geïntimeerde] zijn gezondheidsproblemen ontkende, waarna op 10 juni 2024 een incident de druppel was die de emmer deed overlopen, hij op 11 juni 2024 door de stress de samenwerking wilde beëindigen en hij zich op 12 juni 2024 ziek meldde (zie rov. 3.2.6.). [geïntimeerde] betwist dat er bij [appellant] ten tijde van de opzegging op 11 juni 2024 sprake was van ziekte en zet ook grote vraagtekens bij (hetgeen het hof leest als: betwist) het daadwerkelijk ziek zijn van [appellant] . [geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter op 14 augustus 2024 daarnaast aangevoerd dat [appellant] , door met de noorderzon te vertrekken, zich aan de controlevoorschriften bij ziekte van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst heeft onttrokken. Op grond van deze voorschriften, die zijn vastgelegd in het verzuimreglement van [geïntimeerde] en dan met name op grond van artikel 2 en 3 daarvan, moet de zieke werknemer volgens [geïntimeerde] onder andere de volgende informatie verstrekken: of de huisarts al is geraadpleegd of wanneer hij dat gaat doen en op welk adres hij tijdens de ziekte verblijft. Op grond van de voorschriften moet de zieke werknemer tijdens werktijd bereikbaar zijn voor een controlebezoek door de arbodienst. Het verzuimreglement is niet in het geding gebracht, maar [appellant] heeft niet betwist dat het van toepassing is en de gestelde inhoud heeft. Dat staat dus vast. [geïntimeerde] heeft zich ter zitting bij de kantonrechter beroepen op haar bevoegdheid om tot opschorting van het loon over te gaan.

Onder de in rov. 3.9.3. weergegeven omstandigheden is de loonvordering van [appellant] op grond van artikel 7:629a lid 1 BW alleen toewijsbaar als bij de eis een verklaring is gevoegd van een door het UWV benoemde deskundige, omtrent de verhindering van de werknemer om de bedongen of andere passende arbeid te verrichten respectievelijk diens nakoming van de verplichtingen bedoeld in artikel 7:660a BW. In kort geding geldt die eis niet onverkort, maar is het aan de rechter om te bepalen of het overleggen van een deskundigenverklaring wenselijk is. De kortgedingrechter kan de werknemer op de voet van artikel 22 Rv bevelen die deskundigenverklaring te doen opstellen en over te leggen dan wel zelf een deskundigenbericht gelasten (HR 14 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1673 met verwijzing naar de memorie van toelichting op artikel 7:1638ca (oud) BW (Kamerstukken II, 1995/96, 24439, nr. 3, p. 64-65)).

Het hof vindt het nodig dat [appellant] een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 7:629a lid 1 BW overlegt. Het hof acht zich onvoldoende voorgelicht over de vraag in welke mate de geestelijke gesteldheid van [appellant] van invloed is geweest op zijn mondelinge opzegging van de arbeidsovereenkomst op 11 juni 2024. Ook heeft het hof behoefte aan informatie over de vraag of [appellant] na zijn ziekmelding op 12 juni 2024 arbeidsongeschikt is gebleven en, zo ja, of hij in staat was om de controlevoorschriften van de arbeidsovereenkomst en het verzuimreglement op te volgen, in eerste instantie door bereikbaar te zijn voor zijn werkgever, althans de arbodienst. Dat is van belang bij de beoordeling of [geïntimeerde] op grond van artikel 7:629 lid 6 BW bevoegd was om de betaling van het loon op te schorten, op welke bevoegdheid zij zich op 14 augustus 2024 heeft beroepen. Het hof zal [appellant] bevelen om een deskundigenverklaring die antwoord geeft op deze vragen in het geding te brengen.

Het hof ziet ook aanleiding om een mondelinge behandeling te bepalen, om partijen de gelegenheid te geven hun stellingen aan de hand van de deskundigenverklaring nader te onderbouwen en ook om een schikking te beproeven. Partijen dienen in persoon op de mondelinge behandeling te verschijnen.

Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol van 29 april 2025 voor het opgeven van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de maanden juli-oktober 2025. Mr. Pelswijk dient de deskundigenverklaring uiterlijk veertien dagen voor de mondelinge behandeling aan de griffier van het hof en aan mr. Vogels toe te sturen.

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4. De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat partijen – [appellant] in persoon en [geïntimeerde] deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is – vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor een meervoudige kamer van het hof, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door het hof nader te bepalen datum, met de hiervoor onder 3.9.6. vermelde doeleinden en

bepaalt dat de advocaten de zaak desgewenst aan het begin van de zitting maximaal 10 minuten mogen toelichten aan de hand van spreekaantekeningen;

verwijst de zaak naar de rol van 29 april 2025 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode juli-oktober 2025 en bepaalt dat het hof na genoemde roldatum dag en uur van de zitting zal vaststellen;

beveelt [appellant] om zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk veertien dagen voor deze zitting een deskundigenverklaring als bedoeld in rov. 3.9.5. over te leggen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van der Schoor, A.L. Bervoets, en B. Kloppert en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 april 2025.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl VAAN-AR-Updates.nl 2025-0900 AR-Updates.nl 2025-0900 RAR 2025/139
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?